Een lagere school heeft een kind met een vermoeden van autismespectrumstoornis indirect gediscrimineerd door de procedure tot definitieve uitsluiting op te starten
- Je kan hieronder de samenvatting van het oordeel en het volledige oordeel lezen.
- Je kan het oordeel ook downloaden in pdf-formaat.
Samenvatting oordeel
Situatie
De indiener van de klacht heeft de klacht ingediend als wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige dochter. Zijn dochter was vijf jaar op het ogenblik van de feiten en er is bij haar een vermoeden van autismespectrumstoornis. Zij ging toen, in het schooljaar 2024-2025, naar het eerste leerjaar in de gemeentelijke bassischool Triangel Strijtem.
In de loop van september 2024 vonden een aantal incidenten plaats in haar klas in het eerste leerjaar. Op 11 oktober 2024 deelde de school aan de ouders mee dat de leerlinge tijdelijk niet meer naar school mocht komen, na een beslissing van de klassenraad van 10 oktober 2024.
Op 17 oktober 2024 deelde de school aan de ouders mee dat de leerlinge preventief geschorst werd, met terugwerkende kracht vanaf 11 oktober 2024.
Op 21 oktober 2024 vond een overleg plaats tussen de school, de ouders, het schoolbestuur, het CLB, de leerondersteuner en een vertegenwoordiger van het Steunpunt voor Inclusie. Tijdens dit overleg lichtte de school de preventieve schorsing en de mogelijke tuchtmaatregelen toe. De school gaf ook aan het voor haar niet duidelijk was welke bijkomende maatregelen nieuwe crisissen zouden kunnen vermijden.
Op 24 oktober 2024 sprak de klassenraad de intentie uit om over te gaan tot definitieve uitsluiting van de leerlinge. Op 25 oktober 2024 deelde de school deze intentie mee aan de ouders.
Op 7 november 2024 lieten de ouders aan de school weten dat zij hun dochter hadden ingeschreven in een andere school. Hierop nam de school afstand van de intentie om over te gaan tot definitieve uitsluiting.
Beoordeling door de Geschillenkamer
De kern van de klacht gaat over de snelheid waarmee aan de dochter van de indiener van de klacht een tuchtsanctie werd opgelegd en over de impact van deze sanctie, die meteen de zwaarste was die kon genomen worden (definitieve uitsluiting).
Het valt op dat er een voorgeschiedenis is van zorgnoden en kleine of grotere incidenten. De indiener van de klacht beweert niet dat de school geweigerd zou hebben om zijn dochter redelijke aanpassingen toe te staan. Uit het feitenrelaas blijkt inderdaad dat de school inspanningen geleverd heeft om, ten minste voor een deel, tegemoet te komen aan de bijzondere zorgnoden. De indiener van de klacht en zijn vrouw hebben weliswaar aangegeven deze inspanningen te appreciëren, maar zij hebben wel het gevoel dat de school heel snel een voorkeur liet blijken voor één bepaalde maatregel (de namiddag doorbrengen in de derde kleuterklas) en daarbij niet daadwerkelijk en onbevangen alternatieve maatregelen onderzocht.
De Geschillenkamer stelt evenwel vast dat gekozen wordt voor de meest verregaande maatregel, namelijk de definitieve uitsluiting, en dit slechts na anderhalve maand les. De motieven die de school naar voren brengt zoals haar kleinschaligheid, het gebrek aan mensen en middelen, de zorg om andere leerlingen zijn zeer zeker relevant, maar de Geschillenkamer moet vaststellen dat er in de argumentatie van de school weinig of geen concretisering is van alle risico’s. Het valt ook op dat het CLB een negatief advies uitbracht over het voornemen tot definitieve uitsluiting. Dit werd evenwel niet gebruikt om minder verregaande alternatieven te onderzoeken.
Oordeel
Om die redenen oordeelt de Geschillenkamer dat er sprake is van indirecte discriminatie op grond van handicap en gezondheidstoestand overeenkomstig het Gelijkekansendecreet.
Volledig oordeel
De Geschillenkamer, samengesteld uit voorzitter Stijn Smet, bijzitter Line Hellemans en bijzitter Koen Lemmens, en bijgestaan door griffier Dorien Geeroms, spreekt het volgende oordeel uit:
Procedure
De Geschillenkamer heeft de klacht ontvangen op 13 november 2025.
De fase van het uitwisselen van standpunten en overtuigingsstukken werd afgerond op 8 april 2026.
De Geschillenkamer ontving volgende stukken:
- het standpunt van de verweerster van 9 februari 2026
- het antwoord van de indiener van de klacht van 10 maart 2026
- het antwoord van de verweerster van 8 april 2026.
De Geschillenkamer behandelde de zaak tijdens een hoorzitting op 7 mei 2026. De indiener van de klacht was aanwezig met zijn echtgenote en werd bijgestaan door advocaat M. Van den Abeele. De verweerster werd vertegenwoordigd door een personeelslid van de gemeente en werd bijgestaan door advocaat J. Swerts.
De Geschillenkamer ontvangt een klacht pas nadat een poging tot bemiddeling is doorlopen bij de afdeling Eerstelijnsdienst en Bemiddeling van het Vlaams Mensenrechteninstituut. Vanwege de vertrouwelijkheid van de bemiddeling mag de Geschillenkamer niet geïnformeerd worden over wat er zich tijdens de bemiddeling heeft afgespeeld.
De Geschillenkamer beslist om de stukken uit het dossier die inhoudelijk over de bemiddelingspoging gaan te weren (stuk 3 bij het standpunt van de verweerster en stuk 3 bij het antwoord van de verweerster). Dit wil zeggen dat de Geschillenkamer met deze stukken geen rekening houdt bij haar beoordeling.
Feiten
De indiener van de klacht heeft de klacht ingediend als wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige dochter. Zijn dochter was vijf jaar op het ogenblik van de feiten. Zij ging toen, in het schooljaar 2024-2025, naar het eerste leerjaar in de gemeentelijke bassischool Triangel Strijtem, de verweerster. In het schooljaar daarvoor volgde ze kleuteronderwijs in een andere school.
Bij de start van het schooljaar vond een overleg plaats tussen de school, de ouders, de zorgcoördinator en de leerondersteuner. Op dat overleg werd besloten dat de leerlinge tot aan de herfstvakantie alleen in de voormiddagen naar de klas van het eerste leerjaar zou gaan en de namiddagen zou doorbrengen in de derde kleuterklas. Deze beslissing was bedoeld om prikkels en stress te verminderen, zodat ze op haar ritme zou kunnen wennen aan de nieuwe school en de structuur van het eerste leerjaar.
In de loop van september 2024 vonden een aantal incidenten plaats in haar klas in het eerste leerjaar. De leerlinge reageerde daarbij op elementen die voor haar onverwacht waren. De school en de indiener van de klacht verwijzen voornamelijk naar een incident waarbij de leerkracht tijdens een toets mappen plaatste tussen de leerlingen, waarop de leerlinge reageerde door de mappen om te duwen en te roepen. De indiener van de klacht omschrijft dit als een meltdown, de school als een crisis.
Op 20 september 2024 vond een nieuw overleg plaats tussen de school, de ouders, de zorgcoördinator, de klastitularis, het leersteuncentrum en het CLB. Tijdens dat overleg werd besloten dat de leerlinge nog een tijd langer de namiddagen in de kleuterklas zou volgen.
In de daaropvolgende weken deden zich opnieuw incidenten voor, schijnbaar als gevolg van prikkels waarop de leerlinge reageerde. Zowel de indiener van de klacht als de school verwijzen in het bijzonder naar een incident op 9 oktober 2024. Daarbij zou de leerlinge in haar broek hebben geplast, door de leerkracht uitgedeelde materialen hebben verscheurd, en de leerkracht in haar arm hebben genepen.
Op 11 oktober 2024 deelde de school aan de ouders mee dat de leerlinge tijdelijk niet meer naar school mocht komen, na een beslissing van de klassenraad van 10 oktober 2024.
Op 17 oktober 2024 deelde de school aan de ouders mee dat de leerlinge preventief geschorst werd, met terugwerkende kracht vanaf 11 oktober 2024.
Op 21 oktober 2024 vond een overleg plaats tussen de school, de ouders, het schoolbestuur, het CLB, de leerondersteuner en een vertegenwoordiger van het Steunpunt voor Inclusie. Tijdens dit overleg lichtte de school de preventieve schorsing en de mogelijke tuchtmaatregelen toe. De school gaf ook aan het voor haar niet duidelijk was welke bijkomende maatregelen nieuwe crisissen zouden kunnen vermijden.
Op 24 oktober 2024 sprak de klassenraad de intentie uit om over te gaan tot definitieve uitsluiting van de leerlinge. Op 25 oktober 2024 deelde de school deze intentie mee aan de ouders.
Op 7 november 2024 lieten de ouders aan de school weten dat zij hun dochter hadden ingeschreven in een andere school. Hierop nam de school afstand van de intentie om over te gaan tot definitieve uitsluiting.
Standpunten partijen
Standpunt indiener klacht
De indiener van de klacht geeft aan dat zijn dochter een cognitief sterke leerlinge is met een vermoeden van autismespectrumstoornis (ASS) en hoogbegaafdheid. Hij omschrijft haar als een heel rustig meisje dat graag leert en graag haar best doet voor school.
Hij verduidelijkt vervolgens een aantal zaken.
Hij ontkent dat hij en zijn echtgenote verplicht waren, zoals de school beweert, om aan de school te vermelden dat hun dochter in het kleuteronderwijs leerondersteuning kreeg. Zij hadden niet de bedoeling om informatie achter te houden voor de school. Als ouders hadden zij het recht om hun dochter met een schone lei en zonder vooroordelen te laten starten op haar nieuwe school, waarbij de school altijd leerondersteuning kon opstarten als dat nodig zou blijken. Hij en zijn echtgenote hebben op 2 september 2024 ook meteen gevolg gegeven aan de vraag van de school om leerondersteuning op te starten.
Hij wijst er ook op dat de school pas op 17 oktober 2024 voor het eerst sprak over een preventieve schorsing en deze schorsing met terugwerkende kracht toepaste voor de periode dat zijn dochter al verplicht thuis zat (vanaf 11 oktober 2024).
Hij geeft tot slot aan dat het voor zijn dochter goed is gelopen op haar huidige school. Zij draaide meteen voltijds mee in het eerste leerjaar, zonder incidenten of meltdowns. Ze is ook geslaagd voor het eerste leerjaar, met hoge cijfers en positieve feedback.
Over de grond van de zaak voert hij aan dat er sprake is van directe discriminatie op grond van handicap, gezondheidstoestand en/of fysieke of genetische eigenschap. Hij stelt dat zijn dochter minder gunstig werd behandeld dan een leerling zonder deze beschermde kenmerken zou zijn behandeld. Hij stelt met name dat de school bij een andere nieuwe leerling na een goede maand schoollopen:
- niet tot verplichte thuiszetting zou hebben besloten;
- niet zou zijn overgegaan tot een preventieve schorsing van maximale duur; en
- niet meteen de zwaarste tuchtmaatregel van definitieve uitsluiting zou hebben opgelegd.
Hij vindt het moeilijk te begrijpen dat de school al na zes weken overschakelde op een tuchtprocedure. Door zo snel over te gaan naar een preventieve schorsing en de intentie tot definitieve uitsluiting, heeft de school het traject van zijn dochter stopgezet nog voordat het de kans kreeg om zich echt te ontwikkelen. Nochtans was tijdens een overleg op 4 oktober 2024 net afgesproken om de leersteun op te drijven. De afgesproken maatregelen kregen echter geen kans meer omdat de school kort nadien besliste om zijn dochter niet meer naar school te laten gaan.
Hij stelt ook dat uit het verslag van de klassenraad van 10 oktober 2024 duidelijk blijkt dat de school zijn dochter wilde uitsluiten omdat de school niet meer in redelijke aanpassingen wilde voorzien en stelde dat haar draagkracht was overschreden. Hij benadrukt dat het CLB en de leerondersteuner hiermee niet akkoord gingen. Zij stelden dat fase 3 van het zorgcontinuüm, waarnaar de school wilde overgaan, nog niet aan de orde was na anderhalve maand school.
Hij betwist verder de versie van de feiten van de school over het incident op 9 oktober 2024. Hij betwijfelt dat zijn dochter materiaal zou hebben beschadigd en stelt zich ook vragen bij het lichamelijke letsel dat de klasleerkracht zou hebben opgelopen. Voor hem wordt het incident rond eenmalig knijpen sterk uitvergroot. Zijn vijfjarige dochter heeft gewoon gereageerd omdat haar leerkracht haar iets uit handen wilde nemen. Op basis van dit kleine voorval kan moeilijk worden besloten dat zijn dochter een risico vormde voor haar medeleerlingen of de school. Hij vermoedt dat de andere leerlingen vooral onder de indruk waren van de emotionele reactie van de klasleerkracht, die in tranen uitbarstte bij het incident.
Hij heeft ook vragen bij het zorgdossier dat de school als overtuigingsstuk heeft bijgebracht in de procedure voor de Geschillenkamer. Het lijkt er voor hem op dat een deel van dit dossier achteraf is geconstrueerd, vermoedelijk met het oog op het verweer van de school.
Hij benadrukt dat het mogelijk was om binnen het gemeenschappelijk curriculum een oplossing te vinden voor zijn dochter, maar dat de school deze minder verregaande maatregelen geen kans heeft gegeven. Hij stelt dat het van belang was om zijn dochter, die een vermoeden van ASS heeft, te observeren om haar te leren kennen en zo te weten te komen wat zij nodig had. Dit proces was nog volop aan de gang toen de school overging tot schorsing en uitsluiting. Hij verwijst in het bijzonder naar de volgende alternatieven:
- tijdelijk meer ondersteuning in de klas bieden;
- de klasleerkracht bijscholing laten volgen of begeleiding geven;
- inzetten op een vertrouwensband tussen de klasleerkracht en zijn dochter; en
- de klasleerkracht tijdelijk laten bijstaan door een meer ervaren leerkracht.
Hij besluit dat de beslissing van de school tot uitsluiting, de strengste tuchtmaatregel, terwijl zijn dochter amper vijf jaar was, volkomen disproportioneel was.
Hij benadrukt tot slot dat de feiten en context van deze zaak verschillen van de zaak waarin de Geschillenkamer haar Oordeel 2025-23 heeft uitgesproken. Voor hem bevestigt Oordeel 2025-23 precies het omgekeerde van wat de school suggereert: een ingrijpende maatregel zoals de intentie tot definitieve uitsluiting van een leerling met zorgnoden kan alleen gerechtvaardigd zijn als sluitstuk van een aantoonbaar langdurig, ernstig en proportioneel inspanningstraject. Aan die maatstaf heeft de school in deze zaak volgens de indiener van de klacht niet voldaan.
Standpunt verweerster
De school wijst eerst op de grenzen van de bevoegdheid van de Geschillenkamer. De Geschillenkamer is geen beroeps- of tuchtrechter en heeft niet tot taak om de procedurele rechtmatigheid van tucht- of ordemaatregelen te beoordelen.
Over de grond van de zaak voert de school aan dat er geen sprake is van discriminatie op grond van handicap of gezondheidstoestand; en ook niet van een weigering van redelijke aanpassingen voor een leerling met een handicap.
De school erkent dat de betrokken leerlinge mogelijk een ontwikkelingsproblematiek heeft, maar stelt dat haar ouders tijdens het schooljaar verschillende keren hebben aangegeven dat zij geen vermoeden hadden van een medische of psychologische problematiek. Pas in de klacht voor de Geschillenkamer heeft de school gelezen dat de ouders een vermoeden hebben dat de leerlinge ASS heeft.
Over de beweerde weigering van redelijke aanpassingen benadrukt de school dat zij vanaf de eerste schooldag redelijke aanpassingen in fasen 1 en 2 van het zorgcontinuüm heeft gemaakt voor de leerlinge. Op 9 september 2024 vond op school een formeel overleg plaats met de ouders, de zorgcoördinator en de leerondersteuner. Tijdens dit gesprek werd voor prikkel- en stressreductie beslist dat de leerlinge in de namiddag zou aansluiten bij de derde kleuterklas en geen lessen lichamelijke opvoeding en levensbeschouwing zou volgen. Het doel van deze aanpassingen was om haar op school extra structuur en rust te bieden. De school heeft ook hierna verschillende redelijke aanpassingen gemaakt. Het ging onder meer om een individuele werkplek, een rusthoek of tent in de klas, vrijstellingen voor bepaalde vakken, één-op-één-instructie, visuele ondersteuning en voorspelbaarheid. Voor de school is het dan ook onduidelijk welke redelijke aanpassingen zij zou hebben geweigerd.
Dat haar inspanningen niet volstonden is volgens de school geen aanwijzing van discriminatie maar een illustratie van de objectief vastgestelde grenzen van de draagkracht van een kleinschalige basisschool. Bij de beoordeling of van een school nog bijkomende aanpassingen kunnen worden gevraagd, moet ook rekening worden gehouden met de impact op de leerkracht en de klasgroep. De school stelt dat een aantal van de gemaakte aanpassingen haaks stond op een krachtige leeromgeving voor alle kinderen.
Over de beweerde directe discriminatie stelt de school dat de tuchtmaatregelen niet waren ingegeven door de mogelijke handicap of gezondheidstoestand van de leerlinge. De tuchtmaatregelen waren niet bedoeld om haar te straffen, maar werden genomen omdat haar concrete en herhaaldelijke gedrag het onderwijs en de veiligheid van alle betrokkenen in gevaar bracht. De crisissen van de leerlinge hadden immers een structurele impact op:
- haar klasgenoten,
- haar klasleerkracht en andere leerkrachten die herhaaldelijk moesten bijspringen,
- het veiligheidsgevoel binnen drie verschillende leerjaren, en
- de dagelijkse schoolwerking.
De school benadrukt dat de vele crisismomenten het lesgeven bemoeilijkten en ook een impact hadden op verschillende andere klassen. Wanneer situaties anders verliepen dan de leerlinge verwachtte, of wanneer iets voor haar te moeilijk aanvoelde, reageerde ze sterk emotioneel. Dat ging soms gepaard met gedrag dat eerder past bij jongere kinderen, zoals huilen, schreeuwen of slaan. De klasleerkracht merkte ook dat dat de klasgroep rustiger en meer geconcentreerd werkte wanneer de leerlinge afwezig was. De school stelt dat het geen ervaring heeft met deze specifieke problematiek en omstandigheden, waardoor preventief reageren bijzonder moeilijk bleek. Het is dan ook niet onredelijk dat de school na anderhalve maand tot het aanvoelen kwam dat haar draagkracht was bereikt.
De school stelt daarbij dat de situatie van de leerlinge niet kan worden vergeleken met die van andere leerlingen. Leerlingen van dezelfde leeftijd en zonder handicap of zonder vergelijkbare moeilijkheden kunnen niet worden vergeleken met het uitzonderlijke en intensieve patroon dat zich bij deze leerlinge heeft voorgedaan. Haar situatie werd gekenmerkt door bijna dagelijkse crisissen, fysieke uitbarstingen en een impact op de leerlingen van drie leerjaren tegelijk. Dit is geen situatie die zich in vergelijkbare vorm voordoet bij leerlingen zonder (een gelijkaardige) handicap.
De school betwist verder dat het andere passende maatregelen had kunnen nemen. De school verwijst daarbij uitdrukkelijk naar een gebrek aan informatie en omkadering. De school had voor de start van het schooljaar vanuit het kleuteronderwijs immers geen informatie ontvangen over de leernoden van de leerlinge. De ouders van de leerlinge hadden uitdrukkelijk gevraagd om deze informatie niet door te geven. De school ontdekte hierdoor pas na de start van het schooljaar dat er een verslag over haar leernoden bestond, opgesteld in het kleuteronderwijs. De ouders hebben deze belangrijke informatie tegengehouden. Hierdoor heeft de school zich voor de start van het schooljaar niet kunnen voorbereiden op de leer- en ondersteuningsnoden van de leerlinge. De school kon hoofdzakelijk curatief optreden tijdens het schooljaar.
De school wijst er ook op dat het leersteunplan pas op 19 oktober 2024 definitief werd uitgewerkt door de leerondersteuner. Daardoor moest de school in de weken hiervoor zelf voortdurend ingrijpen en bijsturen om de situatie onder controle te houden. De school verwelkomt dat het goed loopt voor de leerlinge op haar nieuwe school, maar benadrukt dat er een wezenlijk verschil is in de zin dat de huidige school vanaf de eerste schooldag leersteun kreeg en op de hoogte was van de leernoden van de leerlinge. De school is ervan overtuigd dat als er bij haar vanaf het begin ook volledige transparantie was geweest, de leerlinge er wel goed had kunnen functioneren. De school benadrukt daarbij dat er meerdere kinderen met leernoden schoollopen, wat aantoont dat zij wel degelijk weet welke ondersteuning deze kinderen nodig hebben.
In de loop van de zesde schoolweek stelde de school een duidelijke escalatie vast in het gedrag van de leerlinge, ondanks alle gemaakte redelijke aanpassingen. Zij weigerde opdrachten uit te voeren, liep rond tijdens lesmomenten en zelfstandig werk, plaste in haar broek naast haar bank, trok haar broek uit in de kleuterklas, beschadigde materiaal en bracht de leerkracht lichamelijk letsel toe, onder meer door te knijpen.
Tijdens dit incident op 9 oktober 2024 raakte de klasleerkracht zwaar aangeslagen en barstte zij in tranen uit. Alle andere leerlingen waren hiervan getuige en duidelijk onder de indruk. Enkele ouders namen hierna contact op met de directeur, omdat hun kind bang was voor de leerlinge en aangedaan was door het huilen van de juf. De school stuurde de leerkracht door naar de arbeidsgeneesheer die adviseerde om haar thuis te laten herstellen van de dagelijkse psychosociale belasting op het werk. Om de rust te bewaren in de school en voor het welbevinden van alle leerlingen, heeft de school na dit incident aan de ouders gevraagd om de betrokken leerlinge tijdelijk thuis op te vangen. Zo kon de school een advies inwinnen over de volgende stappen in deze crisissituatie.
Tijdens een spoedklassenraad op 10 oktober 2024 werd vervolgens vastgesteld dat de aanpassingen voor de leerlinge niet redelijk waren en de draagkracht van de school overstegen. De maatregelen bleken immers ineffectief en disproportioneel, waarbij ze ook vaak in conflict stonden met de brede basiszorg die de school aan alle leerlingen moet bieden.
De school erkent dat de situatie van thuisblijven eerst niet werd beschouwd als een preventieve schorsing. De bedoeling was om de leerlinge tijdelijk thuis te laten blijven omdat dit in het belang leek van haar en van de school. De school beschouwde dit als een oplossing in wederzijds overleg met de ouders. Nadien ging de school toch over op een preventieve schorsing, op advies van de juridische dienst van de Onderwijsvereniging van steden en gemeenten (OVSG). Deze juridische dienst gaf immers aan dat de maatregel die de school had genomen juridisch gezien gelijkstaat aan een preventieve schorsing en dus als zodanig benoemd en behandeld moest worden. De directie formaliseerde hierop de preventieve schorsing als bewarende maatregel, met terugwerkende kracht vanaf 11 oktober 2024.
Tijdens een nieuwe klassenraad, op 21 oktober 2024, besloot de school dat zij de veiligheid niet langer kon garanderen, omdat het onduidelijk was welke nieuwe maatregelen binnen fase 2 van het zorgcontinuüm nog konden worden genomen. Tijdens dit overleg stond de school open voor oplossingen, maar werden door de betrokkenen geen maatregelen voorgesteld die de crisissen met zekerheid zouden voorkomen. De kleinschaligheid van de school maakte ook dat zij niet beschikte over de middelen om de leerlinge van permanente 1-op-1-begeleiding te voorzien. De ouders van de leerlinge vroegen meer tijd zodat de leerlinge zich kon aanpassen. De school vond het noodzakelijk om een overstap naar fase 3 van het zorgcontinuüm te maken. Het CLB bevestigde dat dat dit mogelijk was, maar dat het eerst wilde onderzoeken of binnen een andere schoolcontext in fase 2 nog kansen bestonden voor de leerlinge.
Tijdens de volgende klassenraad, op 24 oktober 2024, besloot de school om de procedure voor definitieve uitsluiting op te starten. De klassenraad stelde immers vast dat aan drie van de toepasselijke voorwaarden was voldaan:
- De leerlinge bracht het verstrekken van opvoeding en onderwijs in gevaar door haar herhaald en ernstig ongewenst gedrag.
- De verwezenlijking van het pedagogisch project van de school werd door de leerlinge in het gedrang gebracht. De leerkrachten konden onvoldoende inspelen op haar onderwijsbehoeften, omdat deze noden niet gekend waren door het uitblijven van cruciale informatie.
- De naam van de school of de waardigheid van het personeel werden aangetast. Hierbij verwees de klassenraad naar het incident op 9 oktober 2024 met de klasleerkracht.
De school benadrukt verder dat het nooit de intentie tot definitieve uitsluiting heeft uitgevoerd, aangezien de leerlinge werd ingeschreven in een andere school. Hierop heeft de school de procedure tot definitieve uitsluiting stopgezet.
Beoordeling door de Geschillenkamer
De kern van de klacht gaat over de snelheid waarmee aan de dochter van de indiener van de klacht een tuchtsanctie werd opgelegd en over de impact van deze sanctie, die meteen de zwaarste was die kon genomen worden (definitieve uitsluiting).
De Geschillenkamer heeft daarom besloten de klacht, die over het opleggen van een sanctie gaat, te benaderen vanuit het perspectief van indirecte discriminatie op grond van handicap. Daarbij overweegt de Geschillenkamer dat wat echt aan de orde is de vraag is of, bij het opleggen van de tuchtrechtelijke sanctie, de school voldoende rekening gehouden heeft met de specifieke situatie en noden van de dochter van de indiener van de klacht.
I. Indirecte discriminatie op grond van handicap
A. Algemene beginselen
Een indirecte discriminatie op grond van handicap vindt plaats wanneer:
- een op het eerste gezicht neutrale praktijk;
- personen met dit beschermd kenmerk in vergelijking met andere personen kan benadelen;
- tenzij die praktijk objectief wordt gerechtvaardigd. Dit is het geval wanneer de praktijk een legitiem doel nastreeft en de middelen om dit doel te bereiken passend en noodzakelijk zijn.[1] Een praktijk die personen met een handicap benadeelt, is niet noodzakelijk wanneer de discriminerende impact kan worden vermeden door redelijke aanpassingen.[2] Als aan die voorwaarden is voldaan, moet ten slotte een afweging worden gemaakt tussen het nadeel voor personen met een of meer beschermde kenmerken en het belang van het nagestreefde doel (evenredigheid in de strikte zin).
De Geschillenkamer onderzoekt in twee stappen of een discriminatie bewezen is. De eerste stap is vervuld als de indiener van de klacht feiten aanvoert die het bestaan van een discriminatie kunnen doen vermoeden. Als de indiener van de klacht een vermoeden van discriminatie aanvoert, moet de verweerster vervolgens (in de tweede stap) bewijzen dat er geen sprake is van een discriminatie. De verweerster kan dit doen door het vermoeden van discriminatie te weerleggen of door de benadelende praktijk te rechtvaardigen.[3]
B. Toepassing
In deze zaak stelt de Geschillenkamer vast dat verweerster een ogenschijnlijk neutrale maatregel nam, zijnde een tuchtsanctie naar aanleiding van een feit dat als tuchtrechtelijk sanctioneerbaar gedrag op te vatten is, maar die nadelig kan uitwerken voor mensen met een (vermoeden van) handicap. Het is niet zo dat de maatregel daardoor per definitie niet genomen kan worden, maar het zal in dergelijke gevallen wel nodig zijn om na te gaan of onderzocht is of de discriminerende impact vermeden of beperkt kon worden door redelijke aanpassingen.
Redelijke aanpassingen zijn aanpassingen waarop een persoon met een handicap recht heeft om te verzekeren dat die ten volle, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid kan participeren in de samenleving. Die aanpassingen moeten obstakels voor een gelijkwaardige participatie voor de persoon met een handicap wegnemen. Een gevraagde aanpassing is dus een redelijke aanpassing als die er inderdaad voor kan zorgen dat de persoon met handicap op gelijkwaardige manier kan deelnemen aan bijvoorbeeld het onderwijs.
Een aanpassing is redelijk als ze ervoor kan zorgen dat de persoon met een handicap gelijkwaardig kan deelnemen in de samenleving. De aanpassing moet, met andere woorden, haar doel bereiken en afgestemd zijn op de behoeften van de persoon met een handicap. De redelijkheid van een aanpassing verwijst dus naar de relevantie, geschiktheid en doeltreffendheid van de aanpassing voor de persoon met een handicap.[4]Redelijke aanpassingen in het onderwijs worden afgestemd op de individuele noden van de persoon met een handicap en kunnen onder andere betrekking hebben op het curriculum, de organisatie van het onderwijs, de vorm van lesmateriaal, de infrastructuur van de onderwijsinstelling en de evaluatievormen.[5]
Een gevraagde redelijke aanpassing kan alleen worden geweigerd als ze een onevenredige belasting zou betekenen voor degene die de aanpassing moet doen. Dit concept van een onevenredige belasting lijnt af tot waar redelijke aanpassingen moeten worden geboden.[6] Hierbij wordt de impact van de redelijke aanpassing voor degene die haar moet doorvoeren en voor de ruimere omgeving bekeken in het licht van het doel van de aanpassing (de gelijkwaardige participatie voor de persoon met de handicap). Relevante factoren bij deze afweging zijn onder meer: de financiële en organisatorische impact van de aanpassing, de haalbaarheid van de aanpassing, de aanwezigheid van voor de hand liggende of wettelijk verplichte normen en de positieve of negatieve impact op anderen in de omgeving.[7]
In deze klacht valt op dat er een voorgeschiedenis is van zorgnoden en kleine of grotere incidenten. De indiener van de klacht beweert niet dat de school geweigerd zou hebben om zijn dochter redelijke aanpassingen toe te staan. Uit het feitenrelaas en de stukken blijkt inderdaad dat de school inspanningen geleverd heeft om, ten minste voor een deel, tegemoet te komen aan de bijzondere zorgnoden. De indiener van de klacht en zijn vrouw hebben weliswaar aangegeven deze inspanningen te appreciëren, maar zij hebben wel het gevoel dat de school heel snel een voorkeur liet blijken voor één bepaalde maatregel (de namiddag doorbrengen in de derde kleuterklas) en daarbij niet daadwerkelijk en onbevangen alternatieve maatregelen onderzocht. De indiener van de klacht heeft daarbij bovendien de indruk dat de school zich erg snel verschool achter haar kleinschaligheid, het gebrek aan mensen en middelen, en dat ze de problematiek van zijn dochter uitvergrootte.
Dat verwijt komt ook terug met betrekking tot de tuchtprocedure. De partijen zijn het kennelijk niet eens over de kwalificatie van het problematisch gedrag van de dochter van de indiener van de klacht op 9 oktober 2024. De school stelt het voor als een grote crisis, de indiener van de klacht meent dat de feiten erg opgeklopt worden.
De Geschillenkamer stelt niettemin vast dat de tuchtsanctie genomen werd naar aanleiding van “het tuchtfeit”, zijnde het incident van 9 oktober 2024. De school argumenteert dat dit incident zo ernstig was dat het verder onderwijs van de dochter in de school onmogelijk maakte. De school stelt daarbij dat het welzijn van de andere kinderen in gevaar kwam, het leerproject niet gerealiseerd kon worden, en de waardigheid van de leerkracht aangetast was.
De Geschillenkamer stelt evenwel vast dat gekozen werd voor de meest verregaande maatregel, namelijk de definitieve uitsluiting, en dit slechts na anderhalve maand les. De motieven die de school naar voren brengt zijn zeer zeker legitiem, maar de Geschillenkamer moet vaststellen dat er in de argumentatie van de school weinig of geen concretisering is van alle risico’s. Het valt ook op dat het CLB een negatief advies uitbracht over het voornemen tot definitieve uitsluiting. Verweerster gebruikte dit evenwel niet om minder verregaande alternatieven te onderzoeken.
De Geschillenkamer heeft ook vragen bij de snelle timing. Uit het zorgdossier blijkt dat er in de maand september 2024 duidelijk een zorgnood is bij de leerlinge, maar het dossier geeft niet aan dat het volgen van de lessen onmogelijk is. De conclusie van de bijeenkomst van 20 september 2024, waarop de zorgcoördinator, de klastitularis, de ouders, een vertegenwoordiger van het CLB en van de directe en twee vertegenwoordigers van het leersteuncentrum aanwezig waren, luidde:
“De situatie vraagt om een zorgvuldige balans tussen rust en cognitieve uitdaging voor de leerling. De aanpak zal moeten worden afgestemd op haar individuele behoeften, met ondersteuning bij het begrijpen van instructies en het vinden van een rustige werkomgeving.”[8]
Een vervolgvergadering op 4 oktober 2024 bevestigde dat de aanwezigheid van de leerlinge in de klas op een aantal punten functioneerde, maar dat er nog andere werkpunten waren. Alleszins werd niet aangestipt dat de situatie onmogelijk was (geworden).
Het valt dan ook op dat een week later, op 10 oktober 2024, een voorlopige maatregel genomen werd (preventieve schorsing, die slechts nadien, op 17 oktober 2024, als zodanig geformaliseerd werd, om de rust te handhaven, naar aanleiding van de gedragsmoeilijkheden van de dochter van de indiener van de klacht. Er werd in de klassenraad immers vastgesteld dat de redelijke aanpassingen waarvan de leerlinge genoot hun doel misten en de draagkracht van de school te boven gingen.
Op 21 oktober 2024 werd vervolgens tijdens een nieuwe klassenraad bekeken wat de mogelijke opties waren om uit de impasse te geraken. De ouders van de leerlinge vroegen meer tijd om haar te laten aanpassen en het CLB wilde onderzoeken of er nog mogelijkheden waren binnen fase 2 van het zorgcontinuüm. De school was echter erg overtuigd van de noodzaak om over te stappen naar fase 3 van het zorgcontinuüm, waardoor de leerlinge niet langer het gemeenschappelijk curriculum in de school kon volgen.
Op 24 oktober 2024 werd dan beslist de procedure voor definitieve uitsluiting op te starten.
De Geschillenkamer stelt vast dat de school ongetwijfeld voor belangrijke uitdagingen stond door de aanwezigheid van de dochter van de indiener van de klacht. Er is zeker waardering voor de inspanningen die aanvankelijk gedaan werden om tegemoet te komen aan de noden van de leerlinge. Het beeld ontstaat niettemin dat er zich gedurende de maand september een aantal problemen voordeden, die duidelijk maakten dat er wellicht bijkomende en andere aanpassingen nodig waren. Het CLB en de ouders wensten nog graag die mogelijkheden uit te zoeken. Het laat zich aanzien dat de school, ook al omdat de klastitularis het kennelijk bijzonder zwaar had met de situatie en zij verder als kleinschalige instelling slechts over beperkte middelen beschikt, niet erg bereid was om nog alternatieven te verkennen, en daarom koos voor een drastische oplossing.
In het licht van die gegevens, is de Geschillenkamer van oordeel dat verweerster te vanzelfsprekend berustte in de gedachte dat geen enkele andere mogelijkheid dan de definitieve verwijdering van de leerlinge uit de school een oplossing kon zijn. Daarbij werd onvoldoende rekening gehouden met de jonge leeftijd van het kind, de erg korte periode tussen het begin van het schooljaar en de beslissing tot definitieve verwijdering, de wensen van de ouders en de opmerkingen van het CLB. Op die manier staat het voor de Geschillenkamer vast dat de objectieve rechtvaardiging voor de sanctie niet voldoet aan de voorwaarden van het Gelijkekansendecreet, aangezien onvoldoende is nagegaan of minder verregaande maatregelen daadwerkelijk aangewend konden worden om de vooropgestelde doelen (realiseren pedagogisch project, borgen veiligheid medeleerlingen en leerkracht, leerprogressie van leerlingen bewerkstelligen) te bereiken.
Oordeel van de Geschillenkamer
Om die redenen oordeelt de Geschillenkamer dat er sprake is van indirecte discriminatie op grond van handicap en gezondheidstoestand overeenkomstig het Gelijkekansendecreet.
Aanbevelingen van de Geschillenkamer
De Geschillenkamer beveelt verweerster aan, als structurele maatregel, om bij het aanwenden van redelijke aanpassingen als rechtvaardigingsgrond om een mogelijke (in)directe discriminatie af te wenden steeds alle mogelijke alternatieven zorgvuldig af te wegen alvorens een maatregel te nemen.
In het verlengde daarvan beveelt de Geschillenkamer ook aan om bij het nemen van tuchtmaatregelen steeds voldoende oog te hebben voor de specifieke omstandigheden van kinderen met een handicap of specifieke gezondsheidskenmerken en niet meteen te kiezen voor de meest verregaande sanctie.
Voetnoten
- Artikel 16, § 2, Gelijkekansendecreet.
- Zie bijvoorbeeld Hof van Justitie 15 juli 2021, C-795/19, XX t. Tartu Vangla, § 46-52.
- Artikel 36, §1 Gelijkekansendecreet.
- Zie Algemene opmerking nr. 6 (2018) over gelijkheid en non-discriminatie van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 25.
- Zie Algemene opmerking nr. 4 (2016) over het recht op inclusief onderwijs van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 30; Europees Hof voor de Rechten van de Mens 23 februari 2016, nr. 51500/08, Çam t. Turkije, § 66.
- Zie Algemene opmerking nr. 6 (2018) over gelijkheid en non-discriminatie van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 25.
- Zie artikel 19 Gelijkekansendecreet en Algemene opmerking nr. 6 (2018) over gelijkheid en non-discriminatie van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 25- 26.
- Pagina 6, stuk 2 bundel verweerster.