Overslaan en naar de inhoud gaan

Geen discriminatie bij uitsluiting jeugdspeler met autisme uit voetbalploeg

info

Samenvatting oordeel

Situatie 

De zoon van de indienster van de klacht, een op dat moment 10-jarige jongen met een autismespectrumstoornis (ASS), was lid van de jeugdafdeling van voetbalclub FC Lebbeke.   

Na drie jaar lidmaatschap werd hij uit de voetbalploeg gesloten naar aanleiding van klachten van stafleden en ouders van andere spelers over zijn gedrag. De voetbalclub adviseerde om de jongen in te schrijven in een G-ploeg. 

Beoordeling door de Geschillenkamer

De Geschillenkamer beoordeelde deze zaak als een mogelijk geval van indirecte discriminatie op grond van handicap.  

De voetbalclub voert aan dat ze de beslissing tot uitsluiting van de zoon van de indienster van de klacht genomen heeft om de goede werking van de ploeg te waarborgen, die in het gedrang kwam door zijn gedrag en de reacties daarop. Dat is een legitiem doel.  

De indienster van de klacht stelt dat er een alternatief was voor uitsluiting, dat de club heeft afgewezen. Het gaat met name om een samenwerking tussen de trainer en de thuisbegeleidster van haar zoon, waardoor de trainer handvaten zou aangereikt krijgen om eventueel probleemgedrag van haar zoon te voorkomen of onder controle te krijgen. De Geschillenkamer beschouwt dit als een voorstel van redelijke aanpassingen. De uitsluiting kan niet worden beschouwd als noodzakelijk in de zin van het Gelijkekansendecreet, indien de discriminerende impact kon worden vermeden door redelijke aanpassingen. Er bestaat echter geen overeenstemming tussen de partijen over de vraag of deze alternatieve aanpak het gewenste doel zou kunnen bereiken. De Geschillenkamer kan dit zelf evenmin inschatten, en kan deze aanpak dan ook niet zonder meer bestempelen als een geweigerde ‘redelijke aanpassing’. 

De Geschillenkamer beoordeelt vervolgens de evenredigheid van de maatregel. De voetbalclub brengt verschillende elementen aan die, samengenomen, maken dat de beslissing tot uitsluiting als evenredig kan worden beschouwd. 

Ten eerste zijn er de risico’s voor de goede werking van de ploeg die veroorzaakt werden door het gedrag van de zoon van de indienster, gesignaleerd door meerdere stafleden van de ploeg, evenals door de ouders van meerdere medespelers. Dit was bovendien niet gebaseerd op een enkel incident, maar op de vaststelling van een patroon van herhaald problematisch gedrag. Ten tweede is de voorgestelde aanpak – overleg tussen trainer en thuisbegeleider – in het vorige seizoen, met een andere trainer, wel degelijk gehanteerd. De club was van oordeel dat met deze aanpak onvoldoende verbetering kon worden gerealiseerd. Ten derde is er het feit dat, voorafgaand aan de beslissing tot uitsluiting, de zoon van de indienster van de klacht in eerste instantie een periode op non-actief is gezet. De ploeg heeft dus eerst een minder ingrijpende maatregel gehanteerd, en heeft pas toen die niet toereikend bleek, de beslissing tot uitsluiting genomen. Tenslotte ging de uitsluiting gepaard met een doorverwijzing naar een G-ploeg. Dat is een ploeg die gespecialiseerd is in het begeleiden van spelers met een beperking, waaronder ASS. De club heeft bovendien uitdrukkelijk aangeboden om de overgang naar een dergelijke club mee te begeleiden.

Oordeel

Om die redenen oordeelt de Geschillenkamer dat er geen indirecte discriminatie op grond van handicap overeenkomstig het Gelijkekansendecreet kan worden vastgesteld. 

Volledig oordeel

De Geschillenkamer, samengesteld uit voorzitter Eva Brems, bijzitter Jelle Flo en bijzitter Line Hellemans, en bijgestaan door griffier Dorien Geeroms, spreekt het volgende oordeel uit: 

Procedure

De Geschillenkamer heeft de klacht ontvangen op 6 januari 2026. 

De fase van het uitwisselen van standpunten en overtuigingsstukken werd afgerond op 21 april 2026. 

De Geschillenkamer ontving volgende stukken:   

  • het standpunt van de verweerster van 9 februari 2026 
  • het antwoord van de indienster van de klacht van 24 maart 2026 
  • het antwoord van de verweerster van 21 april 2026. 

 De Geschillenkamer behandelde de zaak tijdens een hoorzitting op 10 juni 2026. De indienster van de klacht was zelf aanwezig, samen met de vader van haar zoon. De verweerder werd vertegenwoordigd door twee leden van de club. 

Feiten

De zoon van de indienster van de klacht, een op dat moment 10-jarige jongen met een autismespectrumstoornis (ASS), was lid van de jeugdafdeling van voetbalclub FC Lebbeke.  

Na drie jaar lidmaatschap werd hij uit de voetbalploeg gesloten naar aanleiding van klachten van stafleden en ouders van andere spelers over zijn gedrag. De voetbalclub adviseerde om de jongen in te schrijven in een G-ploeg. Dat is een ploeg die gespecialiseerd is in het begeleiden van spelers met een beperking, waaronder ASS. 

Standpunten partijen

Standpunt indiener klacht

 

De indienster van de klacht geeft aan dat ze de manier waarop de beslissing tot uitsluiting werd genomen problematisch vindt. Er was geen voorafgaande waarschuwing, geen dialoog met de ouders en ook geen gesprek met haar zoon.  

 

De indienster erkent dat er soms problemen waren met het gedrag van haar zoon zoals plotse boosheid en er ook eens een incident is geweest waarbij haar zoon tegen een trainer riep, maar wijst erop dat kinderen met ASS nood hebben aan een aangepaste begeleiding. Als ouders hebben ze voorgesteld om samen met een thuisbegeleidingsdienst externe ondersteuning en advies aan de voetbalclub te bieden, maar ze stelt dat deze hier niet voor openstond.  

 

Inclusie moet volgens haar gelden voor elk kind met ASS en ze geeft aan dat het onduidelijk is waarom het ene kind met ASS wel en het andere niet kan blijven spelen. Het geeft haar een gevoel van willekeur en ongelijkheid.  

Standpunt verweerster

 

De voetbalclub brengt verschillende verklaringen aan van trainers en coördinatoren die met de zoon van indienster werkten.  

 

In deze verklaringen wordt verwezen naar incidenten die met de zoon van indienster plaatsvonden. Er wordt aangegeven dat de jongen zo maar uit het niets kon ontploffen en er onvoorspelbare veranderingen in zijn gedrag plaatsvonden die ze als club niet konden tolereren. Volgens hen werd het een onhoudbare situatie en werd dit door verschillende andere spelers en hun ouders aangekaart.  

 

Vanuit de club wordt aangegeven dat ze verschillende malen zijn samengekomen met de ouders van de jongen om zaken uit te klaren en in gesprek te gaan. De club stelt dat haar trainers niet zijn opgeleid om met kinderen met ASS om te gaan. Ze heeft de ouders meegedeeld dat er clubs zijn in de omgeving die gespecialiseerde trainers hebben en dat de club bereid was om de overgang naar een dergelijke club te begeleiden. Het is pas na lang overleg dat beslist werd dat het niet meer mogelijk was voor de jongen om bij de club te blijven spelen. Eerst werd hij enkele matchen niet geselecteerd om te spelen, maar toen er geen verbetering kwam in zijn gedrag, zag men geen andere oplossing dan hem te verwijzen naar een andere club, waar hij met aangepaste begeleiding mogelijk zou kunnen openbloeien. 

Beoordeling door de Geschillenkamer 

I.  Indirecte discriminatie op grond van handicap

A. Algemene beginselen

De Geschillenkamer beoordeelt deze zaak als een mogelijk geval van indirecte discriminatie op grond van handicap. 

Een indirecte discriminatie op grond van handicap vindt plaats wanneer:  

  • een op het eerste gezicht neutrale praktijk;  
  • personen met een handicap in vergelijking met andere personen kan benadelen;  
  • tenzij die praktijk objectief wordt gerechtvaardigd. Dit is het geval wanneer de praktijk een legitiem doel nastreeft en de middelen om dit doel te bereiken passend en noodzakelijk zijn.[1] Een praktijk die personen met een handicap benadeelt, is niet noodzakelijk wanneer de discriminerende impact kan worden vermeden door redelijke aanpassingen.[2] Als aan die voorwaarden is voldaan, moet ten slotte een afweging worden gemaakt tussen het nadeel voor personen met een handicap en het belang van het nagestreefde doel (evenredigheid in de strikte zin). 

De Geschillenkamer onderzoekt in twee stappen of een discriminatie bewezen is. De eerste stap is vervuld als de indiener van de klacht feiten aanvoert die het bestaan van een discriminatie kunnen doen vermoeden. Als de indiener van de klacht een vermoeden van discriminatie aanvoert, moet de verweerder vervolgens (in de tweede stap) bewijzen dat er geen sprake is van een discriminatie. De verweerder kan dit doen door het vermoeden van discriminatie te weerleggen of door de benadelende praktijk te rechtvaardigen.[3] 

B. Toepassing

De indienster voert aan dat de beslissing van de voetbalclub dat haar zoon niet langer in de ploeg kon blijven (een op het eerste zicht neutrale maatregel, geënt op het gedrag van haar zoon) haar zoon benadeelde omwille van diens ASS. Het gedrag dat hem werd verweten, wordt namelijk, anders dan bij andere kinderen die hetzelfde gedrag zouden stellen, door de ASS veroorzaakt. Zij stelt dat er een alternatief was, dat de club heeft afgewezen. Het gaat met name om een samenwerking tussen de trainer en de thuisbegeleidster van haar zoon, waardoor de trainer handvaten zou aangereikt krijgen om eventueel probleemgedrag van haar zoon te voorkomen of onder controle te krijgen. 

De Geschillenkamer stelt vast dat de partijen elkaars versie van het feitenrelaas betwisten. Er is met name onenigheid over de vraag of een beweerd incident van fysieke agressie door de zoon van de indieners van de klacht heeft plaatsgevonden. Er is ook onenigheid over de vraag in welke mate de club zich heeft opengesteld voor voorstellen van de indienster en overleg met haar heeft gepleegd in de aanloop naar haar beslissing. 

Wat wel vaststaat, is dat een incident met het gedrag van de zoon van de indienster de aanleiding vormde voor de beslissing, nadat stafleden en ouders van andere spelers aandrongen op ingrijpen. 

De centrale vraag voor de Geschillenkamer is of de beslissing van de voetbalclub objectief gerechtvaardigd is.  

1. Legitiem doel 

De voetbalclub voert aan dat ze de beslissing tot uitsluiting van de zoon van de indienster van de klacht genomen heeft om de goede werking van de ploeg te waarborgen, die in het gedrang kwam door zijn gedrag en de reacties daarop. Dat is een legitiem doel.

2. Passend en noodzakelijk karakter

De maatregel kan beschouwd worden als passend in de zin dat ze het mogelijk maakt om dat doel te bereiken. De maatregel zou niet noodzakelijk zijn, indien de discriminerende impact kon worden vermeden door redelijke aanpassingen.  

De indienster van de klacht is van oordeel dat dit laatste het geval is, en dat met name de alternatieve aanpak die zij voorstelde een goede werking van de ploeg had kunnen waarborgen zonder dat haar zoon deze had moeten verlaten. 

Er bestaat echter geen overeenstemming tussen de partijen over de vraag of deze alternatieve aanpak het gewenste doel zou kunnen bereiken. De Geschillenkamer kan dit zelf evenmin inschatten, en kan deze aanpak dan ook niet zonder meer bestempelen als een geweigerde ‘redelijke aanpassing’. De ‘redelijkheid’ van een gevraagde aanpassing verwijst naar de relevantie, geschiktheid en doeltreffendheid van de aanpassing voor de persoon met een handicap.[4] Deze is in dit geval betwist. 

3. Evenredigheid

De Geschillenkamer beoordeelt vervolgens de evenredigheid van de maatregel. Weegt het belang van het nagestreefde doel (de goede werking van de ploeg) op tegen het nadeel voor de zoon van de indienster van de klacht? 

De Geschillenkamer is van oordeel dat dat de voetbalclub verschillende relevante elementen aanbrengt, die van belang zijn voor de afweging van de evenredigheid.  

Een eerste element dat van belang is, is dat de risico’s voor de goede werking van de ploeg die veroorzaakt werden door het gedrag van de zoon van de indienster, gesignaleerd werden door meerdere stafleden van de ploeg, evenals door de ouders van meerdere medespelers. Dit was bovendien niet gebaseerd op een enkel incident, maar op de vaststelling van een patroon van herhaald problematisch gedrag.  

Een tweede element is het feit dat de aanpak die de indienster van de klacht voorstelt – overleg tussen trainer en thuisbegeleider – in het vorige seizoen, met een andere trainer, wel degelijk gehanteerd is. De club was van oordeel dat met deze aanpak onvoldoende verbetering kon worden gerealiseerd, onder meer omdat de sterke prikkels waarop de zoon van de indienster van de klacht reageerde, niet enkel van de trainer en ploeggenoten komen, maar in belangrijke mate ook van derden buiten de ploeg, zoals tegenstanders en scheidsrechters.  

Een derde element is het feit dat, voorafgaand aan de beslissing tot uitsluiting, de zoon van de indienster van de klacht in eerste instantie een periode op non-actief is gezet. De ploeg heeft dus eerst een minder ingrijpende maatregel gehanteerd, en heeft pas toen die niet toereikend bleek, de beslissing tot uitsluiting genomen.  

Ten slotte is er het feit dat de voetbalclub de zoon van de indienster van de klacht niet louter heeft uitgesloten, maar heeft doorverwezen naar een G-ploeg. Dat is een ploeg die gespecialiseerd is in het begeleiden van spelers met een beperking, waaronder ASS. De voetbalclub heeft bovendien uitdrukkelijk aangeboden om de overgang naar een dergelijke club mee te begeleiden. Het gaat dan ook niet om een sanctie, maar om het doorverwijzen naar een omgeving met aangepaste begeleiding.  

De Geschillenkamer is van oordeel dat de voetbalclub in de loop van de samenwerking met de zoon van de indienster van de klacht, evenals bij het nemen van haar betwiste beslissing, rekening heeft gehouden met diens beperking. De Geschillenkamer meent dat de opgelijste elementen maken dat deze beslissing als evenredig kan worden beschouwd. 

Oordeel van de Geschillenkamer

Om die redenen oordeelt de Geschillenkamer dat er geen indirecte discriminatie op grond van handicap overeenkomstig het Gelijkekansendecreet kan worden vastgesteld. 

Voetnoten
  1. Artikel 16, § 2, Gelijkekansendecreet
  2. Zie bijvoorbeeld Hof van Justitie 15 juli 2021, C-795/19, XX t. Tartu Vangla, § 46-52
  3. Artikel 36, §1 Gelijkekansendecreet
  4. Zie Algemene opmerking nr. 6 (2018) over gelijkheid en non-discriminatie van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 25

Download het oordeel

Ook interessant