Overslaan en naar de inhoud gaan

Gemeente Ledegem weigert redelijke aanpassing door geen parkeerplaats voor personen met een handicap aan te leggen

info

Samenvatting oordeel

Situatie 

De indiener van de klacht gebruikt een rolstoel sinds de amputatie van zijn onderbeen na een arbeidsongeval. Hij vraagt bij de gemeente een parkeerplaats voor personen met een handicap aan in de buurt van zijn woning. Er zijn enkele parkeerplaatsen in de buurt, maar die zijn beperkt en meestal in gebruik, waardoor het voor hem moeilijk is om in de buurt van zijn woning te parkeren. Volgens de gemeente is het niet mogelijk daar een parkeerplaats voor personen met een handicap aan te leggen. 

Beoordeling door de Geschillenkamer

De Geschillenkamer heeft onderzocht of er sprake is van een weigering van redelijke aanpassingen zoals bedoeld in het Gelijkekansendecreet. 

Een parkeerplaats voor personen met een handicap in de buurt van de woning van de indiener van de klacht is een nuttige aanpassing. Zo’n parkeerplaats vermindert de moeilijkheden die hij ervaart bij verplaatsingen, onder meer tussen zijn woning en zijn wagen. Het gaat niet om een persoonlijke parkeerplaats die enkel door de indiener kan worden gebruikt, maar vormt toch een grote verbetering van de situatie van de indiener. Het argument van de gemeente dat een parkeerplaats niet nuttig is omdat de indiener al over een garage in zijn woning beschikt, wordt niet gevolgd. De garage is immers niet breed genoeg om werkelijk te worden gebruikt door de indiener. 

Bij het beoordelen van de onevenredige belasting van de gevraagde aanpassing heeft de Geschillenkamer rekening gehouden met de omgeving van de woning en de verkeersstromen. De gemeente wordt gevolgd in haar standpunt dat een parkeerplaats aan de kant van de woning van de indiener niet mogelijk is. Een parkeerplaats aan die kant zou problemen geven voor de doorstroming van het verkeer en voor de veiligheid. 

Aan de overkant van de woning zijn er in de straat verschillende parkeervakken. Daar kan wel een parkeerplaats voor personen met een handicap worden aangelegd. Dat geeft dan geen problemen voor de doorstroming en de veiligheid. De argumenten van de gemeente dat de parkeerdruk dat niet toelaat worden door de Geschillenkamer onderzocht, maar niet gevolgd. 

Oordeel

De Geschillenkamer oordeelt dat de weigering van de gemeente Ledegem om een parkeerplaats voor personen met een handicap te creëren vlakbij de woning van de indiener, een weigering is van redelijke aanpassingen voor personen met een handicap overeenkomstig het Gelijkekansendecreet.

Aanbevelingen

De Geschillenkamer beveelt de gemeente aan om een parkeerplaats voor personen met een handicap te creëren vlakbij de woning van de indiener van de klacht. 

Volledig oordeel

De Geschillenkamer, samengesteld uit voorzitter Stijn Smet, bijzitter Eva Brems en bijzitter Jonas Riemslagh, en bijgestaan door griffier Dorien Geeroms, spreekt het volgende oordeel uit:

Procedure

De Geschillenkamer heeft de klacht ontvangen op 12 november 2025.

De fase van het uitwisselen van standpunten en overtuigingsstukken werd afgerond op 6 april 2026.

De Geschillenkamer ontving de volgende stukken: 

  • het standpunt van de verweerster van 22 januari 2026
  • het antwoord van de indiener van de klacht van 18 maart 2026
  • het antwoord van de verweerster van 6 april 2026.

De Geschillenkamer behandelde de zaak tijdens een hoorzitting op 29 juni 2026. De indiener van de klacht was zelf aanwezig. De verweerster werd vertegenwoordigd door een lid van het bestuur. 

Tijdens de hoorzitting heeft de Geschillenkamer over een aantal aspecten bijkomende informatie opgevraagd bij de verweerder overeenkomstig artikel 19 van het Procedurebesluit. Deze heeft bijkomende informatie op 6 juli 2026 bezorgd. De indiener van de klacht heeft zijn standpunt over de bijkomende informatie bezorgd aan de Geschillenkamer op 8 juli 2026.

Feiten

De indiener van de klacht gebruikt een rolstoel sinds de amputatie van zijn onderbeen na een arbeidsongeval. Hij is sinds 2016 inwoner van de gemeente Ledegem, de verweerster.

Zijn klacht gaat over de aanvraag bij de gemeente van een parkeerplaats voor personen met een handicap. Hij heeft een garage in zijn woning, maar stelt dat hij deze garage niet kan gebruiken omdat hij niet uit zijn wagen geraakt wanneer deze erin is geparkeerd. Hij stelt dat hij ook niet betrouwbaar kan parkeren op de afgebakende parkeerplaatsen op de openbare weg tegenover zijn woning, omdat zijn buur hem dan regelmatig insluit.

Hij heeft aan de gemeente Ledegem gevraagd om een parkeerplaats voor personen met een handicap aan te leggen in zijn straat, ofwel vlak voor zijn garage ofwel aan de overkant van de straat. De gemeente is niet ingegaan op zijn vraag. 

Op een bepaald moment na de oorspronkelijke vraag heeft de gemeente een parkeerbord geplaatst op het nabijgelegen privéterrein van een nutsbedrijf, om op die manier een voorbehouden parkeerplaats voor personen met een handicap te creëren. Deze voorbehouden parkeerplaats grensde onmiddellijk aan de straat en was niet afgeschermd van de openbare weg. De parkeerplaats lag tussen het voetpad en een gebouw, waarbij de wagen dwars tegenover de straat moest worden geparkeerd. De parkeerplaats lag op ongeveer 45 meter van de woning van de indiener van de klacht. Voor de indiener van de klacht volstond deze situatie niet. Hij contacteerde een krant, die een artikel over zijn situatie publiceerde. Hierop besloot het betrokken nutsbedrijf dat de parkeerplaats op haar privéterrein verwijderd moest worden. De voorbehouden parkeerplaats bestaat sindsdien niet meer.

De indiener wil nog steeds een parkeerplaats voor personen met een handicap in de buurt van zijn woning.

De Geschillenkamer heeft de klacht ontvangen op 12 november 2025.

Standpunten partijen

Standpunt indiener klacht

De indiener van de klacht voert aan dat de gemeente een redelijke aanpassing heeft geweigerd voor hem, als persoon met een handicap die een rolstoel gebruikt.

Hij verduidelijkt dat hij in 2016 met zijn gezin is verhuisd naar de woning in Ledegem omdat hij niet zelfstandig in en uit zijn vorige woning kon. Zij hebben de nieuwe woning gerenoveerd, zodat deze volledig toegankelijk is op het gelijkvloers. Hij stuitte hierna echter op een nieuw obstakel: hij kon niet parkeren op de openbare weg voor zijn woning omdat één van zijn buren zijn wagen dan insloot. Volgens zijn buur zou deze parkeerplaats op de openbare weg “zijn” parkeerplaats zijn. De indiener van de klacht stelt dat hij regelmatig beroep moest doen op de politie om weg te kunnen met zijn wagen.

Hij stelt dat hij meermaals aan de gemeente heeft gevraagd om een parkeerplaats voor personen met een handicap op de openbare weg af te bakenen, ofwel vlak voor zijn garage ofwel aan de overkant van de straat. De gemeente heeft dit echter geweigerd, omdat hij een eigen garage heeft en daarom volgens de gemeente geen recht heeft op een parkeerplaats voor personen met een handicap. De indiener van de klacht stelt dat dit onjuist is, omdat de garage ook toegankelijk moet zijn. Dat is niet het geval. Hij kan met zijn wagen wel in de garage rijden, maar daarna kan hij onmogelijk uit zijn wagen geraken. 

De indiener van de klacht stelt dat de gemeente uiteindelijk pas na drie jaar een parkeerplaats voor hem heeft aangemaakt, maar op een helling en redelijk ver van zijn woning. Dit maakte het moeilijk en onveilig voor hem om de parkeerplaats te gebruiken. Door de helling rolde zijn rolstoel verschillende keren uit de koffer van de wagen en kwam zo op de weg terecht. Hij moest dan op handen en voeten op de openbare weg gaan om zijn rolstoel te kunnen nemen. Dit was zeer onveilig. De parkeerplaats was ook gelegen aan een kruispunt. Omdat er vlak naast de parkeerplaats een kapelletje stond, moest hij in een onveilige situatie wegrijden, zonder de vier rijrichtingen te kunnen zien.

Hij benadrukt dat deze parkeerplaats ondertussen ook is verdwenen. De gemeente had het parkeerbord immers geplaatst op het privéterrein van een nutsbedrijf, maar zonder toestemming te vragen aan het bedrijf. Nadat een artikel over zijn situatie is verschenen in de krant, heeft het bedrijf de opdracht gegeven aan de gemeente om de parkeerplaats te verwijderen.

De indiener van de klacht begrijpt niet waarom er geen parkeerplaats voor personen met een handicap mogelijk is ofwel aan zijn kant van de straat ofwel aan de overkant van de straat. De gemeente verwijst als reden naar het drukke verkeer in de straat, maar met een parkeerplaats voor zijn voordeur zou het verkeer net trager rijden in de fietsstraat. De gemeente verwijst ook naar de doorgang voor zwaar verkeer in de straat, maar zwaar verkeer is verboden in de gemeente.

Standpunt verweerster

De gemeente voert aan dat er geen sprake is van discriminatie. Zij heeft de vraag van de indiener van de klacht grondig onderzocht en de redelijke aanpassingen gemaakt die mogelijk waren onder het regelgevend kader en gegeven de verkeerssituatie.

De gemeente stelt dat de situatie eigenlijk het gevolg is van een conflict met een buur. De indiener van de klacht kan zijn wagen wel degelijk parkeren op de afgebakende parkeerplaatsen op de openbare weg. Alleen is er dan regelmatig sprake van pesterijen door of ruzie met een buur. De gemeente benadrukt dat het niet is toegestaan dat de wagen van de indiener van de klacht wordt ingesloten door zijn buren. Als dat gebeurt, zal de politie hiertegen optreden. De gemeente kan in dit conflict alleen bemiddelen, maar zelf niet optreden.

De gemeente stelt dat zij de vraag naar een parkeerplaats voor personen met een handicap vlak voor de woning heeft onderzocht, maar dat dit niet mogelijk bleek. De gemeente verwijst daarbij naar een ministeriële omzendbrief van 3 april 2001 over parkeerplaatsen voor personen met een handicap. Daarin staat dat bij het onderzoeken van een aanvraag voor een voorbehouden parkeerplaats nabij de woning rekening moet worden gehouden met een aantal aandachtspunten. Eén van de aandachtspunten is dat de woning niet beschikt over een garage die vlotte toegankelijkheid waarborgt. De gemeente stelt dat aan deze voorwaarde niet is voldaan, aangezien de indiener van de klacht wel een garage heeft. De gemeente wijst er ook op dat hij deze garage recent heeft gerenoveerd en daarbij onder meer een nieuwe garagepoort heeft geplaatst. De gemeente veronderstelt dat hij dit deed om zijn wagen in de garage te kunnen parkeren.

De gemeente verwijst ook naar verkeerstechnische redenen om de aanvraag te weigeren. De betrokken straat is een smalle straat waarin parkeren alleen is toegelaten aan één kant. De woning van de indiener van de klacht ligt aan de andere kant van de straat. De gemeente wijst erop dat ook bussen en zwaar verkeer de straat gebruiken. De draaibeweging van deze voertuigen zou worden gehinderd als er een parkeerplaats zou worden aangelegd voor de woning van de indiener van de klacht. De gemeente verduidelijkt daarbij dat doorgaand zwaar verkeer niet is toegelaten in de gemeente, maar dat plaatselijk zwaar verkeer de straat wel mag gebruiken (bijvoorbeeld een vrachtwagen die in de gemeente komt leveren bij een handelszaak). 

Over de mogelijkheid om één van de bestaande parkeerplaatsen aan de overkant van de straat voor te behouden voor personen met een handicap, stelt de gemeente dat dit de parkeerdruk in de straat zou doen toenemen. Er is al een grote parkeerdruk in de straat, door de aanwezigheid van een aantal rijwoningen zonder oprit of garage, twee lagere scholen in aanpalende straten, een viswinkel en een kruidenier/krantenwinkel. Bij de heraanleg van de straat heeft de gemeente er daarom voor gekozen om geen parkeerplaats voor personen met een handicap op te nemen. 

De gemeente benadrukt verder dat er elders in de gemeente 27 voorbehouden parkeerplaatsen voor personen met een handicap zijn, waarvan 15 in de deelgemeente waar de indiener van de klacht woont. De gemeente zet dus actief in op het aanleggen van voldoende parkeerplaatsen voor personen met een handicap.

De gemeente stelt dat zij in dit geval voor de meest praktisch haalbare oplossing heeft gekozen, om toch een antwoord te kunnen bieden op de vraag van de indiener van de klacht. Deze praktische oplossing bestond uit een voorbehouden parkeerplaats op het privéterrein van een nutsbedrijf. De gemeente erkent dat zij hiervoor geen toestemming had gekregen, maar plaatste toch een parkeerbord zodat de indiener van de klacht deze parkeerplaats kon gebruiken. Hij deed dit ook lange tijd.

De gemeente benadrukt dat de betrokken parkeerplaats op 45 meter lag van de woning van de indiener van de klacht en dus niet redelijk ver van zijn woning, zoals hij beweert. De parkeerplaats was ook voldoende breed. De gemeente betwist dat de parkeerplaats op een helling lag. Er was wel een minimaal hoogteverschil, maar dit maakte de parkeerplaats niet onbruikbaar voor een persoon met een handicap. De gemeente benadrukt ook dat de indiener van de klacht geen stukken bijbrengt om te staven dat het nutsbedrijf de situatie onveilig vond of dat er zich incidenten hebben voorgedaan bij het gebruik van de parkeerplaats. De gemeente betwist verder dat het onveilig was om vanop de parkeerplaats de weg op te rijden.

De gemeente betreurt tot slot dat de voorbehouden parkeerplaats niet volstond voor de indiener van de klacht en dat hij de pers heeft gecontacteerd. Op basis van het krantenartikel heeft het nutsbedrijf aan de gemeente laten weten dat het parkeerbord moest worden verwijderd. Hierdoor werd de voorbehouden parkeerplaats definitief geschrapt.

Beoordeling door de Geschillenkamer 

  1. Weigering van redelijke aanpassingen  

1.1 Algemene beginselen 

Redelijke aanpassingen zijn aanpassingen waarop een persoon met een handicap recht heeft om te verzekeren dat die ten volle, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid kan participeren in de samenleving. Die aanpassingen moeten obstakels voor een gelijkwaardige participatie voor de persoon met een handicap wegnemen. Een gevraagde aanpassing is dus een redelijke aanpassing als die er inderdaad voor kan zorgen dat de persoon met handicap op gelijkwaardige manier kan deelnemen aan de samenleving.

Een gevraagde redelijke aanpassing kan alleen worden geweigerd als ze een onevenredige belasting zou betekenen voor degene die de aanpassing moet doen.

Een discriminerende weigering van redelijke aanpassingen voor personen met een handicap vindt dus plaats wanneer: 

  • personen met een handicap een beperking ervaren in hun gelijkwaardige participatie in de samenleving;
  • zij hiervoor redelijke aanpassingen vragen die obstakels voor gelijkwaardige participatie wegnemen;
  • en die redelijke aanpassingen geweigerd worden, ook al betekenen ze geen onevenredige belasting.[1]

De indiener van de klacht moet feiten aanvoeren die een weigering van redelijke aanpassingen kunnen doen vermoeden. Het is dan aan de verweerster om te bewijzen dat de gevraagde aanpassingen onredelijk zijn of een onevenredige last zouden betekenen.

De Geschillenkamer onderzoekt deze elementen achtereenvolgens.

De indiener van de klacht voert aan dat:

  • hij als persoon die een rolstoel gebruikt obstakels ondervindt bij het parkeren van zijn wagen dichtbij zijn woning (beperking in gelijkwaardige participatie in de samenleving);
  • hij daarom aan de gemeente heeft gevraagd om een parkeerplaats voor personen met een handicap aan te maken voor zijn woning (aanpassing die obstakels voor de gelijkwaardige participatie voor de persoon met een handicap wegnemen); en
  • de gemeente heeft geweigerd de parkeerplaats op die locatie aan te maken en heeft in plaats daarvan een parkeerplaats aangemaakt op een minder toegankelijke en gevaarlijke locatie, zonder toestemming van het bedrijf op wiens privéterrein deze parkeerplaats zich bevond.
1.2 Beperking gelijkwaardige participatie in de samenleving

Het staat vast dat de indiener van de klacht, als persoon met een handicap, een beperking ervaart in zijn gelijkwaardige participatie in de samenleving. Hij ondervindt moeilijkheden bij het zich verplaatsen, onder meer tussen zijn woning en zijn wagen, om redenen die verband houden met zijn handicap.  

De gemeente betwist ook niet dat de indiener van de klacht een beperking ervaart in zijn gelijkwaardige participatie in de samenleving.

1.3 Redelijkheid van de aanpassingen

De Geschillenkamer onderzoekt in deze stap of de aanpassing die de indiener van de klacht vraagt, namelijk een parkeerplaats voor personen met een handicap voor zijn woning, redelijk is.

Een aanpassing is redelijk als ze ervoor kan zorgen dat de persoon met een handicap gelijkwaardig kan deelnemen in de samenleving. De aanpassing moet, met andere woorden, haar doel bereiken en afgestemd zijn op de behoeften van de persoon met een handicap. De redelijkheid van een aanpassing verwijst dus naar de relevantie, geschiktheid en doeltreffendheid van de aanpassing voor de persoon met een handicap.[2]

De term “redelijkheid” slaat niet op de beoordeling van de kosten van de gevraagde aanpassingen of de beschikbare middelen. Dit gebeurt in een eventuele volgende stap (voor zover de gevraagde aanpassingen redelijk zijn), waarin de Geschillenkamer nagaat of er sprake is van een onevenredige belasting.[3]

De indiener van de klacht vraagt als aanpassing dat de gemeente vlakbij zijn woning een parkeerplaats voor personen met een handicap afbakent. Hoewel een dergelijke parkeerplaats niet alleen door de indiener kan worden gebruikt, maar ook door andere personen met een handicap, mag worden aangenomen dat zo’n parkeerplaats in de praktijk de situatie van de indiener verbetert. De kans dat hij zijn wagen vlakbij zijn woning kan parkeren wordt aanzienlijk groter, ook al is het geen persoonlijke parkeerplaats. 

De gemeente verwijst naar de ministeriële omzendbrief van 3 april 2001 ‘betreffende het voorbehouden van parkeerplaatsen voor personen met een handicap’[4], die de volgende passage bevat:

“1.2. Reservering van parkeerplaatsen in de nabijheid van de woning of van de werkplaats.

Aanvragen tot het voorbehouden van een parkeerplaats in de nabijheid van de werkplaats of van de woning van een persoon met een handicap, moeten onderzocht worden, rekening houdend met de volgende aandachtspunten :

  • de werk- of woonplaats beschikt niet over een garage of privé-parking die een vlotte toegankelijkheid waarborgt.
  • de aanvrager bezit een voertuig of wordt vervoerd door iemand die bij hem inwoont.
  • het bezit van de speciale parkeerkaart is vereist.”

Volgens de gemeente beschikt de woning van de indiener wel degelijk over een garage en kan vanuit die garage vlot toegang worden genomen tot de openbare weg. 

De omzendbrief waar de gemeente naar verwijst bevat geen strikte voorwaarden, maar aandachtspunten waarmee bij de beoordeling van een aanvraag rekening wordt gehouden. De omzendbrief ontslaat de gemeente dus niet van een zorgvuldig onderzoek van de vraag tot redelijke aanpassingen. Bovendien wordt ook in de omzendbrief bepaald dat het moet gaan om een garage die een vlotte toegankelijkheid waarborgt. De gemeente verengt de toegankelijkheid tot de aansluiting van de garage op de openbare weg. Volgens de indiener van de klacht is zijn garage te smal om er zijn wagen in te kunnen parkeren en er nog in of uit te geraken. De gemeente voert geen concrete elementen aan die de indiener op dat punt tegenspreken. Dat er de afgelopen jaren renovatiewerken zijn uitgevoerd aan de woning en er een nieuwe garagepoort geplaatst zou zijn, is niet relevant voor de beoordeling van de breedte en dus de bruikbaarheid van de garage. Op basis van de stukken in het dossier kan de Geschillenkamer aannemen dat de garage niet breed genoeg is om ze in de omstandigheden van de verzoeker werkelijk te gebruiken om een wagen in te parkeren. De indiener van de klacht beschikt bijgevolg niet over een garage die een vlotte toegankelijkheid waarborgt.

Het feit dat de woning van de indiener bouwtechnisch over een garage beschikt, belet in de concrete omstandigheden dus niet dat het aanleggen van een parkeerplaats voor personen met een handicap in de nabijheid van zijn woning wel degelijk een relevante en geschikte aanpassing vormt. 

1.4 Onevenredige belasting

Een vraag naar redelijke aanpassingen kan worden geweigerd als die redelijke aanpassingen een onevenredige belasting zouden betekenen. Dit concept lijnt af tot waar redelijke aanpassingen moeten worden geboden.[5] Hierbij wordt de impact van de redelijke aanpassing voor degene die haar moet doorvoeren en voor de ruimere omgeving bekeken in het licht van het doel van de aanpassing (de gelijkwaardige participatie voor de persoon met de handicap). Relevante factoren bij deze afweging zijn onder meer: de financiële en organisatorische impact van de aanpassing, de haalbaarheid van de aanpassing, de aanwezigheid van voor de hand liggende of wettelijk verplichte normen en de positieve of negatieve impact op anderen in de omgeving.[6]

Het is aan de verweerster om te bewijzen dat de gevraagde aanpassingen een onevenredige belasting zouden betekenen.

Volgens de gemeente vormt de gevraagde parkeerplaats een onevenredige belasting om verkeerstechnische redenen en omwille van de hoge parkeerdruk in de straat. 

De Geschillenkamer onderzoekt hierna afzonderlijk de evenredigheid van de belasting van een parkeerplaats aan de kant van de woning van de indiener en van een parkeerplaats aan de overkant van zijn woning.[7]

1.4.1 Een parkeerplaats aan de kant van de woning van de indiener

De indiener van de klacht woont in een tweerichtingsstraat, maar enkel aan de overkant van zijn straat zijn er parkeervakken op de weg geschilderd. 

De gemeente stelt dat het niet mogelijk is om een parkeerplaats te creëren aan de kant van zijn woning. De straat is daarvoor niet breed genoeg. De suggestie van de indiener om parkeerplaatsen aan de overkant van zijn woning te schrappen en in de plaats een parkeerplaats te creëren aan zijn woning, leidt volgen de gemeente tot problemen met de doorstroming. 

De Geschillenkamer stelt op basis van het dossier vast dat een bijkomende parkeerplaats aan de kant van de woning van de indiener, zelfs indien er aan de overkant van de straat parkeerplaatsen zouden worden geschrapt, tot problemen met de verkeersstromen zouden leiden. De straat waarin de indiener woont is een doorgangsweg, waarover ook buslijnen lopen. Vlakbij de woning komt een andere straat uit op de straat van de indiener. Het verkeer dat de straat van de indiener naar links inslaat – en dus die weg oversteekt – zou al snel geconfronteerd worden met de parkeerplaats voor zijn woning. Er kan pas voorbij die parkeerplaats gereden worden als er geen verkeer uit de andere richting komt. Dat kan leiden tot opstoppingen, waarbij ook het zebrapad in de straat van de indiener, vlak voor het kruispunt, wordt geblokkeerd. Volgens de gemeente zou ook de draaicirkel van grote voertuigen, zoals bussen, in het gedrang komen. Een parkeerplaats aan de kant van de woning van de indiener dreigt met andere woorden het vlotte en veilige verkeer te hinderen. 

De Geschillenkamer besluit dan ook dat een parkeerplaats voor personen met een handicap aan zijn kant van de straat een onevenredige belasting vormt. 

1.4.2 Een parkeerplaats aan de overkant van de woning van de indiener

Aan de overkant van de woning van de indiener bevinden zich verschillende parkeerplaatsen. Die zijn op de straat geschilderd en zijn niet onderverdeeld in plaatsen voor individuele voertuigen. Tussen de parkeervakken bevinden zich opritten of garages. De bestaande parkeervakken zijn volgens de gemeente 8,40 meter (recht tegenover de woning van de indiener), 9,60 meter en 13,75 meter lang. 

De bezwaren tegen een parkeerplaats aan de kant van de woning van de indiener gelden niet wanneer in de bestaande vakken aan de overkant van de straat een parkeerplaats voor personen met een handicap zou worden gecreëerd. Dan ontstaan immers geen problemen met de doorstroming van het verkeer in de straat. Volgens de gemeente is zo’n parkeerplaats om andere redenen niet mogelijk. 

De gemeente wijst hoofdzakelijk op de parkeerdruk in de straat van de indiener. Die is al hoog, onder andere door een aantal rijwoningen zonder oprit of garage en verschillende lagere scholen en kleinhandelszaken in de nabije omgeving. Volgens de gemeente is er bij de heraanleg van de straat gekozen om geen parkeerplaats voor personen met een handicap te voorzien, omdat die de parkeerdruk alleen maar zou doen toenemen, wat niet haar voorkeur wegdraagt. 

Hoewel de gemeente geen concrete cijfers aanbrengt over de parkeerdruk, kan de Geschillenkamer aanvaarden dat die in het deel van de straat waar de indiener woont reëel is. De stijging van de parkeerdruk door het creëren van een parkeerplaats voor personen met een handicap is echter beperkt. 

Ook op dit moment parkeert de indiener van de klacht, in de mate van het mogelijke, zijn wagen in de omgeving van zijn woning. Als de indiener een parkeerplaats voor personen met een handicap vlakbij zijn woning zou gebruiken, zou dat dus eerder leiden tot een verschuiving van het gebruik van parkeerplaatsen binnen de omgeving dan een bijkomende vraag naar parkeerplaatsen. Een mogelijk gevolg is dat andere personen dan de indiener zich iets verder weg moeten parkeren, maar dat betekent op zichzelf niet dat de parkeerdruk toeneemt. 

Er zijn echter twee redenen waarom een parkeerplaats voor personen met een handicap wel degelijk de parkeerdruk zou kunnen verhogen. 

Tijdens de ogenblikken waarop die parkeerplaats niet door de indiener, noch door een andere persoon met een handicap wordt gebruikt, kan de parkeerplek niet door iemand zonder handicap worden benut. Uit het dossier blijkt echter niet dat de parkeerdruk zo hoog is (en het vermoedelijke gebruik van de parkeerplaats voor personen met een handicap zo laag is), dat dit leidt tot een onevenredige belasting voor de bewoners en bezoekers van de omgeving. 

Daarnaast merkt de gemeente op dat een parkeerplaats voor personen met een handicap “in principe een lengte van 6 meter vereist” en dat de parkeerruimte tegenover de woning van de indiener maar 8,40 meter lang is. Voor één parkeerplaats voor personen met een handicap zouden volgens de gemeente bijgevolg twee bestaande parkeerplaatsen moeten verdwijnen, wat de parkeerdruk verder verhoogt. De Geschillenkamer is van oordeel dat dit bezwaar van de gemeente om verschillende redenen moet worden genuanceerd. De richtlijn van 6 meter blijkt niet veel te verschillen van de richtlijn voor andere parkeerplaatsen.[8] Aan de overkant van de woning zijn er bovendien nog andere parkeervakken aanwezig die langer zijn dan de plaats recht tegenover de woning van de indiener. Deze langere parkeervakken, die worden gescheiden door een ruimte voor op- en inritten, lenen zich mogelijk beter tot het afbakenen van een parkeerplaats voor personen met een handicap. 

Om deze redenen stelt de Geschillenkamer vast dat de gemeente niet heeft aangetoond dat een parkeerplaats voor personen met een handicap op het vlak van de parkeerdruk een onevenredige belasting met zich meebrengt.

De overige argumenten van de gemeente leiden niet tot een andere conclusie.

De gemeente argumenteert verder dat een parkeerplaats aan de overzijde van de straat ingaat tegen de ministeriële omzendbrief van 3 april 2001, omdat het dan niet gaat om een parkeerplaats voor de woning van de indiener maar om een parkeerplaats voor de woningen van de overburen. De Geschillenkamer stelt vast dat in die omzendbrief sprake is van parkeerplaatsen “in de nabijheid van de woning”. De parkeervakken aan de overzijde van de straat bevinden zich in alle redelijkheid in de nabijheid van de woning van de indiener. 

Tot slot wijst de gemeente op de veiligheid van de indiener als hij telkens de straat zou moeten oversteken. Dat aspect heeft echter geen betrekking op de onevenredige belasting voor de gemeente of de omgeving. Bovendien heeft de indiener uitdrukkelijk verklaard dat hij het oversteken van de straat verkiest boven het ontbreken van een aangepaste parkeerplaats in zijn omgeving. Overigens moet de indiener ook nu de straat oversteken wanneer er een gewone parkeerplaats tegenover zijn woning vrij is. 

Oordeel van de Geschillenkamer

Om die redenen oordeelt de Geschillenkamer:

  • dat de weigering van de gemeente Ledegem om een parkeerplaats voor personen met een handicap te creëren vlakbij de woning van de indiener, een weigering is van redelijke aanpassingen voor personen met een handicap overeenkomstig het Gelijkekansendecreet.

Aanbevelingen van de Geschillenkamer

Om de vastgestelde discriminatie te beëindigen, beveelt de Geschillenkamer de gemeente aan: 

  • om een parkeerplaats voor personen met een handicap te creëren vlakbij de woning van de indiener van de klacht.
Voetnoten
  1. Artikel 19 Gelijkekansendecreet.
  2. Zie Algemene opmerking nr. 6 (2018) over gelijkheid en non-discriminatie van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 25.
  3. Algemene opmerking nr. 6 (2018) over gelijkheid en non-discriminatie van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 25.
  4. Belgisch Staatsblad 5 mei 2001, p. 14857.
  5. Zie Algemene opmerking nr. 6 (2018) over gelijkheid en non-discriminatie van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 25.
  6. Zie artikel 19 Gelijkekansendecreet en Algemene opmerking nr. 6 (2018) over gelijkheid en non-discriminatie van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 25- 26.
  7. Om de verplichte anonimisering van de indiener van de klacht, zoals voorgeschreven bij artikel 16, § 6, tweede lid, van het VMRI-decreet, te waarborgen, worden de omgeving en de verkeerstoestand op algemene wijze omschreven, maar worden geen straatnamen of huisnummers vermeld.
  8. In het draaiboek van de provincie West-Vlaanderen over ‘parkeervoorzieningen voor mensen met een handicap’ (versie 12 mei 2016) dat door de indiener van de klacht samen met zijn antwoord is ingediend, is er sprake van een minimumlengte van 5 à 6 meter voor een standaard parkeerplaats (p. 33).

Download het oordeel

Ook interessant