Overslaan en naar de inhoud gaan

Klacht over beweerde discriminatie door ontoegankelijkheid infrastructuur Kortemark is niet ontvankelijk

info

Samenvatting oordeel

Situatie 

De indiener van de klacht kaart diverse situaties aan die volgens hem het gebrek aan toegankelijkheid van verschillende gemeentelijke voorzieningen en het openbaar domein in de gemeente aantonen. In het bijzonder dient hij klacht in over een vermeend gebrek aan toegankelijkheid voor personen met een handicap van de bibliotheek, het cultureel centrum, en de straat die naar dit centrum leidt. 

De indiener van de klacht voert aan dat hij al vele jaren pleit voor toegankelijkheid van de infrastructuur in de gemeente Kortemark voor mensen met een handicap. Volgens de indiener wordt zijn expertise en advies herhaaldelijk genegeerd door het gemeentebestuur. 

Beoordeling door de Geschillenkamer

Bij het initieel onderzoek van de ontvankelijkheid van de klacht heeft de Geschillenkamer vastgesteld dat de indiener van de klacht niet aangeeft dat hij zelf gediscrimineerd zou zijn of dat hij iemand zou vertegenwoordigen die meent dat hij wordt gediscrimineerd. Hij treedt ook niet op voor een organisatie. De Geschillenkamer heeft ook vastgesteld dat de indiener van de klacht niet aangeeft op welke andere manier hij een belang heeft in de zin van artikel 13, § 1, eerste lid, 3°, VMRI-decreet. 

De indiener van de klacht heeft vervolgens de kans gekregen om standpunt in te nemen over deze initiële vaststellingen over de ontvankelijkheid van zijn klacht. De Geschillenkamer stelt vast dat hij in dit standpunt, net zomin als in zijn initiële klacht, verduidelijkt op welke wijze hij een door het VMRI-decreet erkend belang heeft bij een beoordeling van zijn klacht door de Geschillenkamer. Daarom oordeelt de Geschillenkamer definitief dat de klacht niet ontvankelijk is.

Oordeel

De Geschillenkamer oordeelt dat de klacht niet ontvankelijk is omdat de indiener van de klacht niet doet blijken van een belang.

Volledig oordeel

De Geschillenkamer, samengesteld uit voorzitter Eva Brems, bijzitter Jelle Flo en bijzitter Line Hellemans, bijgestaan door griffier Dorien Geeroms, spreekt het volgende oordeel uit:

Procedure

De Geschillenkamer heeft de klacht ontvangen op 25 maart 2026.

De Geschillenkamer heeft een voorlopig onderzoek uitgevoerd op basis van artikel 14 van het Procedurebesluit (Besluit van de Vlaamse Regering over de samenstelling van en de procedure voor de geschillenkamer van het Vlaams Mensenrechteninstituut van 15 december 2023). 

Na dit onderzoek besloot de Geschillenkamer dat zij zich niet bevoegd achtte om de klacht te behandelen. Zij deelde dit mee aan de indiener van de klacht op 10 april 2026.

De Geschillenkamer heeft het standpunt van de indiener van de klacht over de conclusie van het voorlopig onderzoek ontvangen op 11 mei 2026.

Klacht

De indiener van de klacht uit kritiek op de ontoegankelijkheid van twee te smalle deuren in het gebouw De Mouterij (waarin onder meer de bibliotheek gevestigd is) van de gemeente Kortemark. De gemeente stelt dat de betrokken ruimte enkel door personeelsleden wordt gebruikt en er daarom geen aanpassingen zullen gebeuren.

In een aanvulling bij de klacht wijst de indiener ook op problemen op het vlak van toegankelijkheid voor personen met een handicap bij:

  • Cultureel centrum De Beuk

De indiener van de klacht stelt dat de hoofdingang enkel via trappen bereikbaar is, terwijl rolstoelgebruikers een aparte ingang moeten gebruiken om een lift te bereiken waarmee ze op de eerste verdieping raken waar de toneelzaal zich bevindt. De deur naar deze lift is echter vaak moeilijk toegankelijk of gesloten waardoor men hulp moet gaan inschakelen. De indiener stelt dat er op deze manier geen sprake is van inclusie voor rolstoelgebruikers die het centrum willen bezoeken.

  • Wegenwerken Lichtervelde straat 

De indiener van de klacht geeft aan dat bij een recente heraanleg van de straat (die toegang geeft tot het cultureel centrum) voetpaden werden aangelegd die veel te smal, zijn waardoor het voor rolstoelgebruikers onmogelijk is om zich veilig op het voetpad te verplaatsen of woningen in die straat te bereiken. 

De Geschillenkamer heeft de klacht ontvangen op 25 maart 2026.

Conclusie voorlopig onderzoek

De Geschillenkamer moet bij het ontvangen van een klacht eerst controleren of de klacht ontvankelijk is en ze deze dus kan beoordelen.[1] Als de Geschillenkamer op basis van een voorlopig onderzoek van de klacht en eventuele stukken daarbij, meent dat de klacht mogelijk niet ontvankelijk is, nodigt de Geschillenkamer de indiener van de klacht uit om binnen twintig werkdagen daarover een standpunt mee te delen.[2] Daarna beslist de Geschillenkamer zo spoedig mogelijk of de klacht onontvankelijk is, dan wel of de Geschillenkamer een definitieve beslissing over de ontvankelijkheid neemt na het uitwisselen van standpunten over de klacht.

Artikel 13, §1, van het decreet van 28 oktober 2022 tot oprichting van een Vlaams Mensenrechteninstituut (hierna: VMRI-decreet) bepaalt dat een discriminatieklacht bij het Vlaams Mensenrechteninstituut kan worden ingediend door:

“1° de persoon die meent dat hij wordt gediscrimineerd, of zijn wettelijke vertegenwoordiger;

2° een instelling, vereniging of organisatie zoals bedoeld in artikel 41 van het decreet van 10 juli 2008 en in artikel 16 van het decreet van 8 mei 2002;

3° iedere andere persoon die een belang aantoont.

Een klacht kan alleen worden ingediend in naam van de persoon die meent dat hij wordt gediscrimineerd, als die persoon daarmee heeft ingestemd.”

De indiener van de klacht geeft niet aan dat hij zelf gediscrimineerd zou zijn of dat hij iemand zou vertegenwoordigen die meent dat die wordt gediscrimineerd. Hij treedt ook niet op voor een organisatie. 

In zijn klacht geeft de indiener van de klacht niet aan hoe hij anders een belang aantoont in de zin van artikel 13, § 1, eerste lid, 3°, VMRI-decreet.[3]

Als de indiener van de klacht zou optreden voor andere personen, die menen dat zij gediscrimineerd zijn, dan moet dat duidelijk worden gemaakt en moet de instemming van deze personen worden bijgebracht. 

De indiener van de klacht heeft ook het recht om in eigen naam een klacht in te dienen. In dat geval is wel vereist dat de indiener van de klacht doet blijken van een eigen belang. De Geschillenkamer moet dan onderzoeken of de indiener van de klacht dit belang aantoont op grond van artikel 13, § 1, eerste lid, 3°, VMRI-decreet. Die belangvereiste houdt in dat een persoon of organisatie die klacht indient, moet kunnen aantonen dat die door de vermeende discriminatie rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. Dit belang moet verschillen van het algemeen belang dat iedere persoon erbij heeft dat het Gelijkekansendecreet steeds in acht wordt genomen.

Op basis van een voorlopig onderzoek van de klacht kon de Geschillenkamer niet vaststellen dat de indiener van de klacht op een voldoende geïndividualiseerde en rechtstreekse wijze is geraakt door de discriminatie die hij aanvoert. 

De Geschillenkamer heeft de conclusie van het voorlopig onderzoek van 10 april 2026 meegedeeld aan de indiener van de klacht, en hem daarbij uitgenodigd om zijn standpunt binnen 20 werkdagen mee te delen aan het Secretariaat van de Geschillenkamer.

 

Standpunten partijen

Standpunt indiener klacht over onontvankelijkheid

 

In zijn standpunt van 11 mei 2026 stelt de indiener van de klacht dat hij al jarenlang opkomt voor de belangen van mensen met een beperking, zowel vanuit persoonlijke betrokkenheid als maatschappelijke inzet.

Hij verwijst naar de ervaringen van zijn overleden echtgenote, die rolstoelgebruiker was en geconfronteerd werd met ontoegankelijke voorzieningen in de gemeente. 

De indiener van de klacht benadrukt dat hij zich gedurende vele jaren heeft ingezet om de toegankelijkheid in de gemeente te verbeteren, onder meer als gemeenteraadslid en via de oprichting van ARK (AndersvalidenRaad Kortemark). Hij verwijst naar initiatieven zoals voldoende parkeerplaatsen voor personen met een beperking, toegankelijke toiletten op openbare en privé-evenementen, blindenvoorzieningen aan verkeerslichten en een voorstel voor zorgparkeren in de gemeente. 

Volgens de indiener wordt zijn expertise en advies door het gemeentebestuur herhaaldelijk genegeerd. Hij haalt verschillende voorbeelden aan van volgens hem onvoldoende toegankelijke infrastructuur.

Tot slot stelt de indiener dat hij zijn klacht niet uit persoonlijk belang indient, maar namens mensen met een beperking die volgens hem onvoldoende gehoord worden. 

Standpunt verweerster

Beoordeling door de Geschillenkamer 

De Geschillenkamer merkte in haar voorlopig onderzoek op dat de indiener van de klacht niet aangeeft dat hij zelf gediscrimineerd zou zijn of of dat hij personen zou vertegenwoordigen waarvan hij meent dat zij zijn gediscrimineerd. Hij treedt ook niet op voor een organisatie. Verder stelde de Geschillenkamer vast dat de indiener van de klacht niet aangeeft op welke andere manier hij een belang aantoont in de zin van artikel 13, § 1, eerste lid, 3°, VMRI-decreet. 

Net zomin als in zijn initiële klacht van 25 maart 2026 verduidelijkt de indiener van de klacht in zijn standpunt van 11 mei 2026 op welke wijze hij een door het VMRI-decreet erkend belang heeft bij een beoordeling van zijn klacht door de Geschillenkamer. 

De indiener van de klacht beweert, zoals eerder uiteengezet, niet dat hij zelf is gediscrimineerd door het beleid inzake toegankelijkheid van de gemeente Kortemark, of dat hij iemand vertegenwoordigt die werd gediscrimineerd. Evenmin vertegenwoordigt hij een organisatie. 

In zijn standpunt verduidelijkt de indiener niet waarom de Geschillenkamer zijn klacht anders zou moeten beoordelen. Integendeel bevestigt hij dat hij de klacht niet indiende uit persoonlijk belang, maar om op te komen voor anderen. 

Uit het standpunt en de stukken van de indiener van de klacht blijkt dan ook niet dat de conclusie van het voorlopig onderzoek moet worden aangepast.  

 

Oordeel van de Geschillenkamer

De Geschillenkamer oordeelt dat de klacht niet ontvankelijk is omdat de indiener van de klacht niet doet blijken van een belang.

 

Voetnoten
  1. Artikel 16, §1 VMRI-decreet en artikel 14 Procedurebesluit
  2. Artikel 14 Procedurebesluit
  3. Artikel 13, § 3, VMRI-decreet

Download het oordeel

Ook interessant