Overslaan en naar de inhoud gaan

School heeft niet gediscrimineerd bij omgang met een leerling met handicaps en bij opleggen van definitieve uitsluiting als tuchtsanctie

info

Samenvatting oordeel

Situatie 

De vader van een leerling die is gediagnosticeerd met het syndroom van Tourette, een obsessief-compulsieve stoornis (OCD), autismespectrumstoornis (ASS) en DCD (ook dyspraxie genoemd) diende klacht in tegen een school. Die zou namelijk een aantal toegekende redelijke aanpassingen hebben teruggedraaid en sommige hebben geweigerd in het kader van het klassikale onderwijs. Bovendien zou de praktijkstage op de werkplek, die vroegtijdig beëindigd werd, zijn stopgezet om redenen die rechtstreeks verband houden met de handicap van zijn zoon. Toen die vervolgens op school lucht wilde geven aan zijn frustratie over de stopzetting van de stage, is de situatie uit de hand gelopen, wat leidde tot verbaal en mogelijk ook fysiek geweld. Dat voorval bracht de school ertoe een tuchtprocedure op te starten die resulteerde in de definitieve uitsluiting van de leerling.

De indiener van de klacht meent dat zowel de stopzetting van stage, als de uitsluiting, als een eerdere clausulering in het vorige schooljaar indirecte discriminatie uitmaken. Hij is ook van oordeel dat sommige reacties van de school, zoals het maken van lesopnames, een vorm van intimidatie zijn; en hij beklaagt zicht over represailles die de school zou hebben genomen nadat de indiener van de klacht een initieel contact met het VMRI had gezocht.

Beoordeling door de Geschillenkamer

De Geschillenkamer heeft vastgesteld dat, voor wat de redelijke aanpassingen betreft, de school enerzijds kon aantonen waarom het pedagogisch niet verantwoord was sommige aanpassingen nog aan te houden. Van andere aanpassingen was niet aangetoond dat deze niet werden toegekend of toegepast. 

Wat de clausulering (dat wil zeggen het uitsluiten van het volgen van bepaalde richtingen), de beëindiging van de stage, en de opgelegde tuchtsanctie betreft, heeft de Geschillenkamer onderzocht of deze niet indirect discriminerend waren. Ogenschijnlijk gaat het om neutrale praktijken, die niettemin personen met een handicap nadelig kunnen raken. De school kon evenwel aantonen dat de clausulering gebaseerd was op de behaalde studieresultaten. Deze volgden op een traject waarin door verschillende redelijke aanpassingen rekening was gehouden met de handicap van de leerling. De stage werd stopgezet omdat de specifieke zorg en omkadering van de leerling de draagkracht van de stageplek te boven ging. De sanctie werd opgelegd ter bescherming van de veiligheid van de leerkrachten en andere leerlingen, en om de toegang tot onderwijs van die andere leerlingen te verzekeren. Gelet ook op het verleden, was die maatregel proportioneel.

De Geschillenkamer oordeelt eveneens dat de gemaakte lesopnames, die tot doel hadden een second opinion te geven over een presentatie, geen vorm van intimidatie waren, al zeker niet omdat ze met instemming van de leerlingen gebeurden.

Aangezien alle maatregelen een zelfstandige, geobjectiveerde oorzaak hadden, ziet de Geschillenkamer evenmin waarom er sprake zou zijn van represailles.   

Oordeel

De Geschillenkamer oordeelt:

  • dat er geen weigering van redelijke aanpassingen in strijd met het Gelijkekansendecreet kan worden vastgesteld;
  • dat er geen indirecte discriminatie overeenkomstig het Gelijkekansendecreet kan worden vastgesteld;
  • dat er geen intimidatie op grond van handicap overeenkomstig het Gelijkekansendecreet kan worden vastgesteld; en
  • dat er geen represailles overeenkomstig het Gelijkekansendecreet kunnen worden vastgesteld.

Volledig oordeel

De Geschillenkamer, samengesteld uit voorzitter Koen Lemmens, bijzitter Eva Brems en bijzitter Jelle Flo, en bijgestaan door griffier Dorien Geeroms, spreekt het volgende oordeel uit:

Procedure

  1. Algemeen

De Geschillenkamer heeft de klacht ontvangen op 17 juni 2026.

Op 25 juni 2026 besloot de Geschillenkamer in te gaan op het verzoek van de indiener van de klacht voor een versnelde procedure.

De fase van het uitwisselen van standpunten en overtuigingsstukken werd afgerond op 14 juli 2026. 

De Geschillenkamer ontving de volgende stukken: 

  • het standpunt van de verweerster van 1 juli 2026
  • het antwoord van de indiener van de klacht van 7 juli 2026
  • het antwoord van de verweerster van 14 juli 2026.

De Geschillenkamer behandelde de zaak tijdens een hoorzitting op 23 juli 2026.

De indiener van de klacht was zelf aanwezig. De verweerster werd vertegenwoordigd door twee personeelsleden en bijgestaan door advocaat J. Hendrickx.

  1. Weren van stukken

De Geschillenkamer ontvangt een klacht pas nadat een poging tot bemiddeling is doorlopen bij de afdeling Eerstelijnsdienst en Bemiddeling van het Vlaams Mensenrechteninstituut.[1] 

Omwille van de vertrouwelijkheid van de bemiddeling mag de Geschillenkamer niet geïnformeerd worden over wat er zich tijdens de bemiddeling heeft afgespeeld.[2]

De Geschillenkamer beslist om de laatste pagina’s van de bijlagen bij de klacht van de indiener te weren omdat deze pagina’s e-mails bevatten die mee aan de bemiddelaar zijn gericht en dus inhoudelijk over de bemiddelingspoging gaan.[3] Dit wil zeggen dat de Geschillenkamer met deze passages geen rekening houdt bij haar beoordeling.

Op 21 juli 2026 heeft de indiener van de klacht voorts nog een bijkomend stuk overgemaakt, na de termijnen vastgelegd voor de uitwisseling van de standpunten en overtuigingsstukken. 

De verweerster, die pas ter zitting van het stuk kennis kon nemen, heeft gevraagd het stuk te weren. De Geschillenkamer is van oordeel dat het stuk laattijdig is ingediend en weert het uit de debatten. 

  1. Anonimisering 

De decreetgever heeft bepaald dat de Geschillenkamer haar oordelen steeds publiek bekendmaakt en dat de anonimisering van betrokken rechtspersonen daarbij slechts uitzonderlijk kan gebeuren.[4]

De Geschillenkamer is in deze zaak van oordeel dat er gewichtige redenen zijn om de naam van de verweerster (een school) niet te vermelden in het oordeel, met name de bescherming van de identiteitsgegevens van natuurlijke personen, in het bijzonder de identiteit van de betrokken schooldirecteur, leerkrachten, leerlingenbegeleiders en de leerling. Daarmee gaat de Geschillenkamer ook in op de vraag van de verweerster.

Feiten

De indiener van de klacht is een vader die klacht indient voor zijn zoon, die minderjarig was op het moment van het indienen van de klacht bij het Vlaams Mensenrechteninstituut, en die vanaf september 2024 leerling was op een middelbare school (de verweerster in deze zaak). De leerling is gediagnosticeerd met het syndroom van Tourette, een obsessief-compulsieve stoornis (OCD), autismespectrumstoornis (ASS) en DCD (ook dyspraxie genoemd). 

Tijdens het schooljaar 2024-2025 worden hem een aantal redelijke aanpassingen toegekend, zoals begeleiding bij grafische vakken, examenteksten vooraf bezorgen, extra tijd voor examens, en mondelinge presentaties evalueren op een manier die rekening houdt met zijn handicaps. De individuele begeleiding voor de grafische vakken wordt in januari 2025 stopgezet. In juni 2025 krijgt de leerling een B-attest dat alle TSO-richtingen (dubbele finaliteit) op de school clausuleert. De ouders gaan daarop in beroep en de beroepscommissie clausuleert alle TSO-richtingen, ongeacht de school waarin ze gevolgd worden. De ouders doen een initiële melding bij het VMRI. 

In januari 2026 krijgt de leerling een onvoldoende op een gecombineerde opdracht voor verschillende vakken. De ouders vinden dit oneerlijk, omdat ze vinden dat hun zoon wordt afgestraft op eigenschappen die eigen zijn aan zijn handicaps. Hierop volgt een officiële klacht bij het VMRI.

In mei 2026 wordt de stage die de leerling dan volgt (op zijn tweede stageplek, nadat een eerste stage ook reeds voortijdig werd beëindigd), stopgezet via een stopzettingscontract ondertekend door de school en de stageplaats. In juni 2026 stuurt de algemeen directeur van de stageplaats een brief naar de leerling waarin hij stelt dat de stopzetting te wijten was aan het feit dat de begeleidingsnood van de leerling groter was dan de draagkracht van de stageplaats, en de leerling bedankt voor zijn inzet.

Eind mei 2026 wordt de leerling erg kwaad over de stopzetting van zijn stage. Dit leidt tot een aanvaring met verschillende leerkrachten, waarbij de leerling minstens verbaal, en in één geval volgens de school ook fysiek, agressie zou hebben gesteld. Hierop komt de klassenraad samen en beslist die om de leerling definitief tuchtrechtelijk uit te sluiten. Deze beslissing wordt gesteund door het CLB. De leerling wordt ook heel de maand juni thuisgehouden. De ouders en leerling komen niet naar het tuchtverhoor op 5 juni 2026. De beslissing wordt aan de leerling en zijn ouders bezorgd op 8 juni 2026. De ouders tekenen beroep aan, en de beroepscommissie komt 19 juni 2026 samen, waarbij de moeder van de leerling aanwezig is. De beroepscommissie bevestigt de uitsluiting van de leerling. 

De Geschillenkamer heeft de klacht ontvangen op 17 juni 2026.

Standpunten partijen

Standpunt indiener klacht

De indiener van de klacht stelt dat zijn zoon vanaf januari 2025 op verschillende manieren is gediscrimineerd door zijn school. De school heeft hem gediscrimineerd door hem bewust negatief te beoordelen op subjectieve opdrachten en door hem bewust te clausuleren uit bepaalde richtingen op de school omwille van zijn handicaps. De school heeft ook redelijke aanpassingen geweigerd om zijn resultaten negatief te beïnvloeden, en nadelige maatregelen opgelegd aan de leerling na het indienen van de klacht bij het VMRI. De opeenvolging van handelingen getuigt volgens de indiener van een systematisch en georganiseerd patroon van directe en indirecte discriminatie op grond van de medische diagnoses van zijn zoon (ASS, DCD, Tourette en OCD) waarbij de school doelbewust heeft toegewerkt naar het onrechtmatig uitsluiten, clausuleren en finaal tuchtrechtelijk verwijderen van de leerling. 

Ter ondersteuning van deze stelling voert hij de volgende tijdlijn van gebeurtenissen aan. Op de zitting verzoekt hij de Geschillenkamer de chronologie van de feiten grondig te bekijken.

Schooljaar 2024-2025: onthouden van zorg en de clausulering

  • 1 september 2024: De leerling start zijn schoolloopbaan in de richting TSO Grafische Media, na een geslaagd voorafgaand onderwijstraject in ASO/TSO.
  • 7 november 2024: De ouders lichten de school in over de specifieke medische achtergrond van de leerling (de diagnose Tourette) om de school in staat te stellen haar zorgplicht optimaal in te vullen.
  • 20 december 2024: De school zet op eigen initiatief de specifieke begeleiding voor de grafische vakken stop. Het rapport van de leerling van juni 2025 toont aan dat in de maanden die hierop volgen, de subjectieve beoordelingen voor de grafische vakken (o.a. Opmaak en Beeld) drastisch dalen.
  • 4 juni 2025: De directie weigert een cruciale redelijke aanpassing, namelijk het vooraf bezorgen van examenteksten. Deze aanpassing werd bij de kerstexamens wel succesvol toegepast, en de leerling presteerde toen uitstekend.
  • 16 juni 2025: Bij het examen Engels (mondelinge presentatie) krijgt de leerling een score van 42%, wat exact 20% lager is dan een identieke presentatie tijdens de kerstperiode. De school weigerde hierbij elke vorm van redelijke aanpassing (rekening houdend met zijn verbale en motorische uitdagingen) en drukt zijn jaartotaal bewust onder de slaaggrens tot 48%. Dit gebeurt in de kennis dat de leerling de overstap wil maken naar de richting Taal & Communicatie in de derde graad, een richting waarin de leerling het vorige schooljaar geslaagd was in een andere school.
  • 22 juni 2025 (deliberaties): De school kent de leerling een 0 toe op een subjectieve opdracht voor webdesign. Volgens de indiener doet de school dit om te komen tot een jaartotaal van 48%, en zo een B-attest af te leveren dat alle TSO-richtingen binnen de school uitsluit (clausulering). De ouders gaan in beroep tegen de clausulering, en argumenteren dat de Raad van State heeft geoordeeld dat een B-attest waarbij enkel de richtingen op een bepaalde school worden geclausuleerd, en niet alle gelijkaardige richtingen ongeacht de school, pedagogisch incoherent is.
  • 4 september 2025: De interne beroepscommissie clausuleert wel alle richtingen dubbele finaliteit (TSO) (en dus niet enkel die binnen de school- in een verslag waarin discriminatoire overwegingen staan):
    • De commissie treedt buiten haar wettelijke en pedagogische bevoegdheid door de officiële medische diagnoses te minimaliseren en te betwisten ("Het lijkt de beroepscommissie dan ook eigenaardig dat verzoekers hun argumentatie volledig opbouwen rond Tourette..."). De voorzitter van het schoolbestuur betwistte de officiële diagnoses van de leerling op de zitting van de beroepscommissie en in dit verslag. Nochtans was de school ook op de hoogte van de Tourette-diagnose. De beroepscommissie vroeg hierbij geen enkel medisch document of verslag.
    • De commissie motiveert de uitsluiting van de dubbele finaliteit expliciet op basis van de motorische en ICT-beperkingen van de leerling. Aangezien deze beperkingen precies symptomen zijn van zijn erkende handicap (DCD), vormt dit discriminatie. De school heeft immers nagelaten aan te tonen dat de leerling met de juiste hulpmiddelen de essentiële eindtermen niet zou kunnen behalen. Bovendien had de leerling reeds een succesvol verleden in het ASO/TSO. 

Schooljaar 2025-2026: Intimidatie, stopzetting van de stage en tuchtrechtelijke escalatie 

  • September 2025: Na een initiële melding bij het VMRI proberen de ouders constructief te blijven samenwerken en verzoeken zij formeel opnieuw om het toepassen van de redelijke aanpassingen. Deze verzoeken worden door de school stelselmatig genegeerd. Er werden weer leesteksten en luisterfragmenten gevraagd bij toetsen, en ze werden de meerderheid van de tijd niet naar huis meegegeven. Vaak is de gevraagde extra tijd niet of onvoldoende toegepast.
  • 9 oktober 2025: De ouders moeten de school er expliciet toe aanmanen om te stoppen met het geven van kwetsende, negatieve commentaren op kenmerken die inherent zijn aan de handicap van de leerling (zoals zijn verbale dyspraxie).
  • December 2025: Tijdens de "Sprint-opdracht" geeft de leerling een presentatie over zijn eigen schaak-YouTube-kanaal. De school beoordeelt deze presentatie over de hele lijn met onvoldoendes (PAV, Sales, Frans, Engels). De leerkracht Frans/Engels was niet aanwezig bij de presentatie, maar schrijft op het rapport wel dat de Franse tekst "volledig werd afgelezen". De school vermeldt ook “trager werktempo, moeilijkere verstaanbaarheid, ...” maar dit zijn eigenschappen die een gevolg zijn van zijn handicap, waarop hij niet mag beoordeeld worden. Redelijke aanpassingen worden opnieuw geweigerd.
  • 10 januari 2026: Geconfronteerd met deze aanhoudende weigeringen, dienen de ouders een formele klacht in bij het VMRI.
  • Januari – Maart 2026: de school intimideert de leerling door hem bij presentaties ongevraagd te filmen (als bewijsmateriaal omdat de ouders klacht indienden tegen de school) en er worden tuchtsancties ingezet die symptomen van zijn stoornis bestraffen.
  • 6 maart 2026 (online petitie/cyberpesten): De vijandige sfeer op school culmineert in een lastercampagne en cyberpesten door medeleerlingen. Een klasgenoot start een online petitie die tegen de leerling is gericht, wat de school zelf erkent.
  • 19 maart/18 mei 2026: Met het oog op het opstarten van werkplekleren (stage) vragen de ouders tijdig om aanpassingen (stuk 5a en 5b). In plaats daarvan stelt de school op 18 mei 2026 een document tot stopzetting van het stagecontract op. In dit document wordt de leerling uitsluitend afgerekend op symptomen van zijn handicap (werktempo, motorische handelingen zoals tape plakken, nood aan 1-op-1 begeleiding).
  • 29 mei 2026: Als reactie op de stopzetting van zijn stage en de aanhoudende uitsluiting op school, raakt de leerling acuut overprikkeld. Hij reageert verbaal boos — een reactie die medisch causaal verbonden is met zijn stoornis (Tourette/ASS/regulatiestoornis). De ouders reageren nog diezelfde dag schriftelijk met een verweer en een voorstel tot oplossing.
  • 9 juni 2026: De algemeen directeur van de stagebieder bedankt de leerling voor zijn inzet en energie, en bevestigt dat de stopzetting louter te wijten was aan de organisatorische draagkracht van het bedrijf, omdat de begeleidingsnood van de leerling groter was dan de draagkracht van het bedrijf.
  • Juni 2026: De school grijpt het incident waarbij de leerling verbaal boos reageerde aan om een tuchtprocedure op te starten en sluit hem uit. De uitsluiting wordt door de interne beroepscommissie bevestigd. Dit tuchtdossier is volgens de indiener een vergeldingsmaatregel voor de lopende VMRI-procedure. De leerling had voordien een blanco tuchtdossier. Deze omslag van een blanco dossier in april naar een uitsluiting in juni vormt volgens de indiener een schending van het verbod op represailles. De chronologie van de feiten legt een patroon bloot waarbij de school pas een tuchtdossier heeft opgestart nadat de indiener van de klacht genoodzaakt was een klacht in te dienen bij het VMRI wegens het weigeren van redelijke aanpassingen. De rapporten van december en april stellen dat de leerling een "lieve, aangename en vriendelijke leerling" is die "erg hard zijn best doet". Zelfs de leerkracht Lichamelijke Opvoeding feliciteerde de leerling met zijn uitstekende houding en inzet in een overigens zeer moeilijke klasomgeving. 

De discrepantie tussen de resultaten van de leerling in voorgaande jaren/scholen en de huidige subjectieve beoordelingen wijst volgens de indiener op een misbruik van de beoordelingsbevoegdheid van de leerkrachten. De indiener vindt het opmerkelijk dat de school in het verslag van de onderwijsinspectie van april 2025 een negatief advies krijgt met betrekking tot gelijkekansenonderwijs. Dit verslag ondergraaft de geloofwaardigheid van de school. 

De indiener van de klacht stelt dat, overeenkomstig de rechtspraak van de Raad van State, een tuchtrechtelijke uitsluiting onrechtmatig is wanneer de school de ten laste gelegde feiten isoleert van de gekende medische realiteit van de leerling. Een schoolbestuur heeft dus de verplichting om de causale medische link grondig te onderzoeken alvorens de zwaarste tuchtsanctie op te leggen. De indiener stelt bovendien dat het sanctioneren van symptomen van een handicap discriminatie vormt, vooral wanneer de school door het weigeren van redelijke aanpassingen voor de handicap, de symptomen ervan verergert.

Het feit dat de school ondersteuning heeft geboden aan de leerling en inspanningen heeft geleverd, doet geen afbreuk aan het feit dat ze discriminerende handelingen heeft gesteld. De school voert een lijst aan van administratieve acties, intakegesprekken en louter formele zorgaanbiedingen, maar focust hiermee enkel op wat zij op papier heeft georganiseerd (zoals het opstarten van samenwerking met Leerondersteuncentrum VOKAN of het registreren van overlegmomenten). Hiermee tracht ze de werkelijke, discriminatie te maskeren. Bovendien heeft de school reeds in 2024 de ondersteuning voor de grafische vakken stopgezet, wat niet overeenkomt met haar beweerde zorgbeleid.

De houding van de school heeft een grote negatieve impact en zorgt voor aanzienlijke schade bij de leerling, zowel qua toekomstperspectief als voor zijn mentale gezondheid. Het gaat dan meer bepaald om:

  • Pedagogische en academische schade: door de clausulering werd de leerling de toegang ontzegd tot alle TSO-richtingen binnen de school, en via de beroepscommissie zelfs tot de volledige dubbele finaliteit (TSO) in Vlaanderen. Hij heeft hierdoor op dit moment geen toegang tot een bacheloropleiding in het hoger onderwijs, ondanks zijn bewezen intellectuele capaciteiten in zijn eerdere, succesvolle ASO/TSO-verleden.
  • Zware emotionele en psychologische schade: afgerekend worden op zijn handicap, een vijandige schoolomgeving en de finale uitsluiting, hebben bij de leerling emotionele trauma's veroorzaakt. 
Standpunt verweerster

De leerling schreef zich in september 2024 in voor de studierichting Grafische Technieken. Bij de inschrijving maakte de school kennis met de ondersteuningsnoden van de leerling. De school erkent dat de leerling diagnoses heeft van ASS, DCD en Tourette, die aanleiding geven tot specifieke onderwijs- en ondersteuningsbehoeften. Reeds vanaf de inschrijving in september 2024 heeft de school deze noden ernstig genomen. Tijdens een intakegesprek met de leerling en zijn ouders werden de onderwijs- en ondersteuningsbehoeften besproken en werden afspraken gemaakt over de verdere begeleiding. Naar aanleiding van dit intakegesprek werd een begeleidingsplan opgesteld met redelijke aanpassingen en ondersteunende maatregelen. Daarnaast werd op vraag van de ouders een leersteunvraag opgestart bij VOKAN. 

De school heeft gedurende het volledige traject inspanningen geleverd om tegemoet te komen aan de onderwijs- en ondersteuningsbehoeften van de leerling, en daarbij verschillende ondersteuningsmaatregelen aangeboden en geëvalueerd. Er is ingezet op begeleiding binnen de klascontext, ondersteuning door VOKAN, overleg met de leerling en ondersteuning bij het gebruik van hulpmiddelen. Ook werden bijkomende maatregelen uitgewerkt op basis van signalen van de leerling, de ouders, de leerondersteuner en de betrokken leerkrachten. 

Concreet kreeg de leerling onder meer volgende ondersteuning:

  • extra tijd bij toetsen en examens,
  • de mogelijkheid om mondeling toelichting te vragen of te geven,
  • ondersteuning via leersteun,
  • aangepaste hulpmiddelen voor zijn DCD-problematiek,
  • time-outmogelijkheden,
  • visuele stappenplannen,
  • individuele ondersteuning binnen de grafische vakken,
  • pre-teaching,
  • aangepaste opdrachten,
  • hulpkaarten,
  • begeleiding bij planning en organisatie,
  • ondersteuning bij het gebruik van software,
  • hulpmiddelen voor wiskunde
  • overleg met pedagogische begeleiding rond haalbare leerplandoelen. 

Doorheen het traject ontstonden verschillen in visie tussen ouders en school over evaluaties, studieresultaten, ondersteuningsmaatregelen en pedagogische beslissingen. Deze verschillen vormden regelmatig het onderwerp van communicatie en overleg tussen de betrokken partijen. 

Bij de start van het schooljaar 2025-2026 bleef de school bereid om ondersteuning via leerlingbegeleiding, CLB en externe partners verder aan te bieden. Daarnaast werd voortdurend onderzocht welke verdere aanpassingen binnen de schoolcontext mogelijk en haalbaar waren.

De school voorzag in:

  • extra toetstijd,
  • time-outmogelijkheden,
  • aangepaste evaluaties,
  • vooraf bezorgde leesteksten,
  • aangepaste stageorganisatie,
  • overleg met pedagogische begeleiding en bijkomende ondersteuningsinitiatieven.

Van deze ondersteuningsmogelijkheden werd door de ouders en de leerling uiteindelijk geen gebruik meer gemaakt. De door de school aangeboden bijkomende ondersteuning vanuit CLB en VOKAN werd door de ouders geweigerd. Op verschillende momenten bleek dat de ouders geen beroep wensten te doen op andere vormen van externe ondersteuning of begeleidingDe school heeft deze keuze van de ouders gerespecteerd en kon bijgevolg geen begeleidings- of ondersteuningstrajecten opstarten waarvoor de medewerking of instemming van de ouders noodzakelijk was. Tijdens dit schooljaar verliep het contact tussen ouders en school voornamelijk schriftelijk. 

Over de andere problemen die de indiener aanhaalt, stelt de school het volgende:

Stopzetting begeleiding grafische vakken

De school betwist dat de begeleiding voor de grafische vakken op een “arbitraire” of “eenzijdige” wijze zou zijn stopgezet. Naast de reeds opgesomde ondersteuningsmaatregelen werd op 5 november 2024 een specifieke leerlijn voor de grafische vakken uitgewerkt om de begeleiding verder te structureren en af te stemmen op de noden van de leerling. De begeleiding werd dus niet stopgezet, maar integendeel voortdurend bijgestuurd in functie van de vastgestelde noden en de haalbaarheid binnen de onderwijscontext. Bovendien dient te worden opgemerkt dat de individuele ondersteuning binnen de grafische vakken vanaf het begin werd opgevat als een tijdelijke en opbouwende maatregel die als doel had de leerling de noodzakelijke vaardigheden, werkmethodes en softwarekennis aan te leren zodat hij nadien de leeractiviteiten steeds zelfstandiger kon uitvoeren. De begeleiding vond plaats tussen oktober 2024 en januari 2025 en bestond aanvankelijk uit intensieve individuele ondersteuning tijdens de lessen, gericht op het automatiseren van vaardigheden en het vlotter leren werken met de grafische software. Vervolgens werd deze ondersteuning stapsgewijs afgebouwd met het oog op het bevorderen van de zelfstandigheid van de leerling. 

Een permanente één-op-één begeleiding tijdens de lessen is bovendien niet verenigbaar met de doelstellingen van het leerplan Grafische Technieken. De betrokken leerplandoelen veronderstellen immers dat leerlingen, na instructie, inoefening en gerichte ondersteuning, opdrachten en beroepsgerichte handelingen zelfstandig kunnen uitvoeren. De school heeft daarom terecht gestreefd naar een evenwicht tussen ondersteuning enerzijds en het geleidelijk verwerven van zelfstandigheid anderzijds. Het afbouwen van de individuele begeleiding kaderde dan ook in een pedagogisch verantwoorde begeleidingsaanpak en kan niet worden beschouwd als een arbitraire stopzetting van ondersteuning. 

Vooraf bezorgen van examenteksten

De school betwist dat er sprake zou zijn geweest van een principiële weigering om examenteksten vooraf te bezorgen. Binnen het zorgbeleid van de school wordt als uitgangspunt gewerkt met compenserende hulpmiddelen die de zelfstandigheid van leerlingen bevorderen, zoals voorleessoftware en de Inclusieve Lezer. Deze hulpmiddelen laten leerlingen toe om schriftelijke teksten zelfstandig te verwerken en sluiten aan bij de doelstelling om leerlingen zo inclusief mogelijk te laten participeren aan het onderwijs en aan evaluatiemomenten. Het vooraf bezorgen van examenteksten behoort niet tot de standaardmaatregelen die de school structureel toepast. In de aanloop naar evaluaties en bij eerste examenervaringen werd het vooraf bezorgen van bepaalde teksten soms tijdelijk ingezet als aanvullende ondersteuning binnen een ruimer begeleidingskader, als bijkomende tegemoetkoming, en niet als aanpassing die permanent en zonder beperking wordt aangeboden. 

Uit het dossier blijkt dat de school vanaf het schooljaar 2025-2026 het vooraf bezorgen van teksten heeft opgenomen binnen de ondersteuningsmaatregelen voor de leerling. Toch werd dit niet in alle gevallen verwezenlijkt. Zo konden de examentesten geschiedenis en aardrijkskunde niet op voorhand worden meegegeven om pedagogische en organisatorische redenen. Deze testen werden via bookwidgets afgenomen (gebruiksvriendelijke digitale tool) en de leerlingen hebben dan de mogelijkheid om de tekst te laten voorlezen. De leerling kon dus zijn oortjes meenemen. Daaruit blijkt dat redelijke aanpassingen niet werden geweigerd. 

De nulscore op de deliberatiedag

De indiener stelt dat op de deliberatiedag op kwaadwillige wijze een nulscore werd toegekend. De school betwist deze voorstelling van de feiten. Evaluaties en punten worden binnen de school toegekend op basis van de effectief afgelegde evaluaties, de leerplandoelen en de vooraf gecommuniceerde evaluatiecriteria. De score “0” werd gegeven omdat de website die de leerling diende te maken niet door hem werd gemaakt.

De vermeende weigering om aanpassingen bij presentaties toe te passen 

De school betwist dat de school redelijke aanpassingen bij presentaties zou hebben geweigerd of niet zou hebben toegepast. Reeds tijdens het schooljaar 2024-2025 hielden betrokken leerkrachten bij de beoordeling van presentaties rekening met de specifieke ondersteuningsnoden van de leerling. Ook wanneer bepaalde maatregelen nog niet waren opgenomen in het overzicht van begeleidende maatregelen, werd in de praktijk rekening gehouden met de impact van zijn beperkingen op de presentatievaardigheden. De school heeft zich hierbij steeds laten leiden door de zorg voor de leerling en door de doelstelling om hem maximaal kansen te bieden om de leerplandoelen te behalen. 

Vanaf het schooljaar 2025-2026 werd deze werkwijze expliciet opgenomen binnen de begeleidende maatregelen. Daarbij werd afgesproken dat bepaalde presentatiegebonden aspecten, zoals oogcontact, houding en intonatie, niet zouden worden meegenomen in de evaluatie. De evaluatie werd aldus gericht op de competenties die werkelijk voorwerp uitmaakten van de beoordeling. Het dossier toont bijgevolg aan dat de school haar evaluatiepraktijk heeft aangepast waar dit redelijk werd geacht. 

De vermeende weigering van redelijke aanpassingen tijdens de stage 

De school heeft de leerling gedurende het volledige stageverloop intensief opgevolgd, er werd regelmatig overleg gevoerd met de stageplaats en bijkomende maatregelen werden genomen om de stage voor de leerling haalbaar te houden. Na de vroegtijdige beëindiging van een eerste stageplaats zocht de school actief naar een alternatieve werkplek en werd gekozen voor een organisatie met ervaring in het begeleiden van personen met een ondersteuningsnood binnen een maatwerkcontext. Daarnaast werd de stageorganisatie aangepast aan de noden van de leerling. Zo werd een alternatieve evaluatie voorzien waarbij niet uitsluitend via een klassiek puntensysteem werd gewerkt. De school en de stageplaats gingen herhaaldelijk in overleg over de begeleiding en de evaluatie van de stage. 

De kern van het probleem lag niet in een gebrek aan ondersteuning, maar precies in het feit dat de stageplaats aangaf dat de ondersteuningsnood van de leerling haar draagkracht overschreed. Uit de opeenvolgende stageverslagen (op basis van een gesprek tussen de school en de begeleider van de werkplek) blijkt dat de leerling gedurende de volledige stage zeer intensieve individuele begeleiding nodig had. Deze bezorgdheden bestonden sinds het begin van de stage, en werden uiteindelijk bevestigd in het document tot stopzetting van de stage. Daarin wordt uitdrukkelijk vermeld dat de noodzakelijke individuele ondersteuning voor de leerling te belastend en te intensief was geworden voor de stageplaats, dat instructies herhaaldelijk moesten worden gegeven en getoond en dat samenwerking voor collega's zwaar werd door de voortdurende één-op-één begeleiding. 

Daarnaast bleek uit de opeenvolgende stagebezoeken dat de samenwerking tussen de leerling en de verschillende collega's op de werkvloer steeds moeilijker organiseerbaar werd. De stageplaats signaleerde herhaaldelijk dat de leerling na een opmerking, feedbackmoment of discussie met een collega vaak aangaf niet langer met die persoon te willen samenwerken of niet meer op een bepaalde werkpost te willen staan. Hierdoor moesten de stagebegeleiders voortdurend op zoek gaan naar alternatieve taken, werkposten of collega's die de begeleiding konden opnemen. Naarmate de stage vorderde, werd de groep medewerkers die de leerling nog kon begeleiden steeds kleiner.

De combinatie van deze situatie met de reeds noodzakelijke intensieve één-op-één begeleiding leidde ertoe dat de organisatie steeds moeilijker een werkbare invulling kon geven aan de vier uren stage per week. De stageplaats gaf dan ook aan dat zij de vereiste begeleiding binnen haar operationele context niet langer op een haalbare wijze kon organiseren. In haar schrijven van 9 juni 2026 stelt de stageplaats expliciet dat ze is gebotst op de grenzen van de organisatorische draagkracht van de werkvloer en dat de begeleidingsnood hoger lag dan wat binnen de concrete context kon worden voorzien. Er bestaat dus geen tegenstrijdigheid tussen het ondertekend document “stopzetting stagecontract” enerzijds en het schrijven van 9 juni 2026 anderzijds. 

De beslissing om de stage vroegtijdig te beëindigen was dan ook geen gevolg van de handicaps van de leerling, maar van een concrete beoordeling van de haalbaarheid van de stage binnen de mogelijkheden van de betrokken werkvloer. Wanneer de stage uiteindelijk werd beëindigd, gebeurde dit niet op initiatief van de school, maar vanuit de stageplaats zelf.

De definitieve tuchtrechtelijke uitsluiting

Op 29 mei 2026 ging de leerling bij verschillende personeelsleden van de school zijn boosheid uiten over het beëindigen van zijn stage. Hierbij gebeurden volgende zaken:

  • hij riep tegen verschillende leerkrachten;
  • hij liep roepend het bureau van de leerlingenbegeleiding binnen;
  • hij noemde een leerkracht een leugenaar;
  • hij gooide de met spaghetti gevulde brooddoos van de leerkracht tegen de grond, waardoor de grond en muren vuil werden;
  • hij haalde fysiek, met een vuistgebaar, uit naar de leerkracht, maar ze kon de slag ontwijken door in haar bureaustoel naar achter te rollen;
  • hij maakt foute gebaren naar een andere leerkracht.

Vijf leerkrachten probeerden hem te kalmeren, wat meerdere keren niet lukte. Hij kreeg uiteindelijk een glas water in de stille ruimte, verliet de school en ging naar huis. 

De klassenraad stelde tijdens haar bespreking van de situatie dat de leerling onvoorspelbaar werd in zijn boosheid, en dat de leerkrachten niet meer het gevoel hadden dat zij of de andere leerlingen veilig waren. Ook de stageplaats had gesteld dat hij onvoorspelbaar reageerde op feedback, wat voor ongerustheid over hem en de medewerkers zorgde. De leerkracht naar wie de leerling fysiek uithaalde is door haar arts ziekteverlof voorgeschreven. De vader van de leerling reageerde evenmin geruststellend; hij zei enkel wat de school niet mocht doen en bevestigde niet dat de leerkrachten geen schrik moeten hebben van de leerling. Dit incident kwam er ook na twee vorige verbale aanvaringen met leerkrachten. De klassenraad besloot unaniem tot de uitsluiting van de leerling. 

Het CLB steunde deze beslissing. Het stelt dat de school in een hoek wordt geduwd door de escalerende situatie, gelet op de ernst van de feiten, die “de fysieke integriteit en de psychische integriteit en veiligheid van de bij het onderwijs betrokken actoren” in gevaar brengt.

Om al deze redenen adviseerde de klassenraad de directeur om de leerling definitief uit te sluiten vanaf 31 augustus 2026 en om hem in juni thuis te laten voor zijn eigen rust en die van de leerkrachten en leerlingen.

De uiteindelijke beslissing werd volgens het dossier genomen na een individuele afweging van alle relevante elementen, waaronder de medische situatie, de voorafgaande begeleiding, de ernst van de feiten en de impact op de schoolomgeving. Op 19 juni 2026 werd deze beslissing bevestigd door de interne beroepscommissie.

De school betwist dat zij de leerling zou hebben willen benadelen of uitsluiten omwille van zijn diagnoses. Integendeel, de overtuigingsstukken tonen aan dat de school herhaaldelijk ondersteuning heeft aangeboden, externe expertise heeft ingeschakeld en redelijke aanpassingen heeft voorzien en geëvalueerd en waar nodig bijgestuurd. De school benadrukt dat het geschil in essentie een pedagogisch meningsverschil over evaluatie en zorgbeleid betreft en niet het ongelijk behandelen omwille van een beschermd kenmerk. 

De school voert bovendien aan dat de rechtspraak die wordt aangehaald door de indiener van de klacht irrelevant is, omdat er grote feitelijke verschillen zijn met de situatie waarover de klacht gaat. Ook het inspectieverslag doet geen afbreuk aan de redelijke aanpassingen en inspanningen die voor de leerling zijn gemaakt. 

Om al deze redenen kan er dus geen sprake zijn van discriminatie. 

Beoordeling door de Geschillenkamer 

De Geschillenkamer is op basis van de standpunten van de partijen en van het debat tijdens de zitting van oordeel dat er vier grote thema’s aan bod moeten komen. De Geschillenkamer zal eerst nagaan of er sprake is van een weigering van redelijke aanpassingen (1), daarna zal ze evalueren of er sprake is van indirecte discriminatie (2), van intimidatie (3) en ten slotte van represailles (4).

1. Weigering van redelijke aanpassingen

Redelijke aanpassingen zijn aanpassingen waarop een persoon met een handicap recht heeft om te verzekeren dat die ten volle, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid kan participeren in de samenleving. Die aanpassingen moeten obstakels voor een gelijkwaardige participatie voor de persoon met een handicap wegnemen. Een gevraagde aanpassing is dus een redelijke aanpassing als die er inderdaad voor kan zorgen dat de persoon met handicap op gelijkwaardige manier kan deelnemen aan bijvoorbeeld het onderwijs.

Een gevraagde redelijke aanpassing kan alleen worden geweigerd als ze een onevenredige belasting zou betekenen voor degene die de aanpassing moet doen.

Een discriminerende weigering van redelijke aanpassingen voor personen met een handicap vindt dus plaats wanneer: 

  • personen met een handicap een beperking ervaren in hun gelijkwaardige participatie in de samenleving;
  • zij hiervoor redelijke aanpassingen vragen die obstakels voor gelijkwaardige participatie wegnemen;
  • en die redelijke aanpassingen geweigerd worden, ook al betekenen ze geen onevenredige belasting.[5]

De indiener van de klacht moet feiten aanvoeren die een weigering van redelijke aanpassingen kunnen doen vermoeden. Het is dan aan de verweerder om te bewijzen dat de gevraagde aanpassingen onredelijk zijn of een onevenredige last zouden betekenen.[6]

De indiener van de klacht voert aan:

  • dat zijn zoon omwille van zijn handicaps sommige taken en evaluaties in het onderwijs moeilijker kan uitvoeren (beperking in gelijkwaardige participatie in de samenleving);
  • dat hij extra begeleiding nodig heeft voor grafische vakken (aanpassing die obstakels voor de gelijkwaardige participatie voor de persoon met een handicap wegnemen);
  • dat hij examenteksten en luisterfragmenten zou moeten meekrijgen voor het examen (aanpassing die obstakels voor de gelijkwaardige participatie voor de persoon met een handicap wegnemen);
  • dat hij consequent extra tijd zou moeten krijgen tijdens de evaluaties (aanpassing die obstakels voor de gelijkwaardige participatie voor de persoon met een handicap wegnemen);
  • dat de school rekening zou moeten houden met zijn verbale en motorische uitdagingen (aanpassing die obstakels voor de gelijkwaardige participatie voor de persoon met een handicap wegnemen); en
  • dat de school deze redelijke aanpassingen niet uitvoert. 

De Geschillenkamer onderzoekt deze elementen achtereenvolgens.

Vooraf merkt de Geschillenkamer op dat uit het dossier blijkt dat de school openstond voor een hele reeks redelijke aanpassingen, zoals hiervoor bij de bespreking van de feiten ook al vermeld. Uit de communicatie met de leerling en de ouders komt het beeld naar voren van een school die erg nauwgezet de leerling opvolgde. Sommige leerkrachten namen ook deel aan een inleefvorming om zich een beter idee te kunnen vormen van de problematiek van de leerling. Ter zitting werd benadrukt, en dat blijkt ook uit de stukken, dat de school een dynamische opvatting heeft van de redelijke aanpassingen. Dat betekent dat ze aanpassingen aanbood, maar ook evalueerde, en bijstuurde waar nodig. De stukkenbundel bevat een overzicht van 16 pagina’s met aanpassingen en een tijdslijn/plan van aanpak van 105 pagina’s.

Een evaluatie van de (weigering van) redelijke aanpassingen gebeurt steeds in twee stappen. In de eerste plaats moet de redelijkheid van de aanpassingen geverifieerd worden. De Geschillenkamer onderzoekt in deze stap of de aanpassingen die de indiener van de klacht vraagt redelijk zijn.

Een aanpassing is redelijk als ze ervoor kan zorgen dat de persoon met een handicap gelijkwaardig kan deelnemen in de samenleving. De aanpassing moet, met andere woorden, haar doel bereiken en afgestemd zijn op de behoeften van de persoon met een handicap. De redelijkheid van een aanpassing verwijst dus naar de relevantie, geschiktheid en doeltreffendheid van de aanpassing voor de persoon met een handicap.[7] Redelijke aanpassingen in het onderwijs worden afgestemd op de individuele noden van de persoon met een handicap en kunnen onder andere betrekking hebben op het curriculum, de organisatie van het onderwijs, de vorm van lesmateriaal, de infrastructuur van de onderwijsinstelling en de evaluatievormen.[8]

Een vraag naar redelijke aanpassingen kan worden geweigerd als die redelijke aanpassingen een onevenredige belasting zouden betekenen. Dit concept lijnt af tot waar redelijke aanpassingen moeten worden geboden.[9] Hierbij wordt de impact van de redelijke aanpassing voor degene die haar moet doorvoeren en voor de ruimere omgeving bekeken in het licht van het doel van de aanpassing (de gelijkwaardige participatie voor de persoon met de handicap). Relevante factoren bij deze afweging zijn onder meer: de financiële en organisatorische impact van de aanpassing, de haalbaarheid van de aanpassing, de aanwezigheid van voor de hand liggende of wettelijk verplichte normen en de positieve of negatieve impact op anderen in de omgeving.[10]

Het is aan de verweerster om te bewijzen dat de gevraagde aanpassingen een onevenredige belasting zouden betekenen.

Dat de school een voorgestelde aanpassing niet heeft aangeboden zoals die werd gevraagd, maakt op zichzelf niet aannemelijk dat de school onvoldoende redelijke aanpassingen heeft geboden. Een school is niet verplicht om elke individuele aanpassing waar om is gevraagd ook aan te bieden zoals die is gevraagd, zolang zij aanpassingen treft die de obstakels voor gelijkwaardige participatie in het onderwijs kunnen wegnemen.

1.1 Wat het stopzetten van de begeleiding van de grafische vakken betreft

De partijen erkennen dat de school gedurende een eerste fase individuele begeleiding voor de grafische vakken heeft toegestaan vanaf november 2024. Het doel van de maatregel was om de leerling bij te staan in het zich inwerken in de software en het zich eigen maken van de basisvaardigheden. 

De Geschillenkamer stelt vast dat de redelijkheid van deze aanpassingen niet betwist wordt. Het geschil gaat over het argument van de school dat deze op den duur een onevenredige belasting vormden.

De school heeft aangegeven dat zij vanaf januari 2025 van oordeel was dat het pedagogisch niet langer verantwoord was om die individuele begeleiding vol te houden, omdat zelfstandig werken met de software tot de kerncompetenties van het opleidingsonderdeel behoort. In die zin zou de tijdelijke begeleidingsmaatregel definitief worden, en niet langer evenredig zijn.

Bovendien wees de school ook op de individuele belasting die een dergelijke maatregel vormde voor de leerlingenomkadering. Waar zij gedurende enkele maanden deze omkadering kon bieden, zou het blijvend mobiliseren van de ingezette middelen een onevenredige belasting vormen. De zogenaamde vlinderleerkracht, die zich moet inzetten voor de individuele begeleiding van leerlingen met zorgnoden, zou dan immers zo goed als geen ruimte meer hebben om de zorg voor andere leerlingen te waarborgen.

In het licht van die overwegingen, is de Geschillenkamer van oordeel dat het stopzetten van de individuele begeleiding geen onwettige vorm van weigeren van redelijke aanpassingen is.

1.2 Wat het vooraf bezorgen van de examenteksten betreft

De school erkent dat ze voor leerlingen die lijden aan dyslexie een aantal faciliteiten aanbiedt. Daarbij behoort het vooraf bezorgen van examenteksten niet tot de standaardoplossingen. De school werkt vaak met voorleessoftware of digitale hulpmiddelen die de leerlingen toelaten om vlotter met de teksten om te gaan.

Het is juist dat tijdens het vorige schooljaar (2024-2025) de faciliteit werd toegekend, en daarna geëxperimenteerd werd met andere alternatieven. In het schooljaar 2025-2026 werd de faciliteit wel weer toegekend. 

Eén keer blijkt er ook een vergetelheid geweest te zijn bij een leerkracht, die meteen het nodige deed om de teksten alsnog aan de leerling te bezorgen.

De indiener van de klacht benadrukte evenwel dat er soms alsnog problemen waren, maar kon met onvoldoende precisie aangeven hoe frequent en omvangrijk de problemen zouden zijn.

In het licht van deze gegevens, is voor de Geschillenkamer niet aannemelijk gemaakt dat er sprake was van een weigering van redelijke aanpassingen.

1.3 Wat de beoordeling van de presentaties betreft

Aangezien de aandoening van de leerling zowel een impact heeft op bepaalde verbale als motorische capaciteiten, is het verzorgen van een presentatie een bijzondere opgave. Volgens de indiener van de klacht zouden de leerkrachten bij de beoordelingen van de presentaties onvoldoende rekening gehouden hebben met de problematiek van zijn zoon.

De Geschillenkamer stelt vast dat de indiener van de klacht geen objectieve elementen aanbrengt die kunnen aantonen dat er een gebrek zou zijn aan redelijke aanpassingen bij de presentaties, met name bij die van het vak Engels. Uit het loutere feit dat een presentatie in juni 2025 gevoelig lager beoordeeld werd dan een presentatie in december 2024 kan niet afgeleid worden dat er sprake zou zijn van een weigering van redelijke aanpassingen. De indiener van de klacht schrijft dit resultaat weliswaar toe aan het onvoldoende accommoderen aan de noden van de leerling, maar laat na dit te staven op een wijze die een weigering van aanpassingen aantoont of een vermoeden van discriminatie kan laten ontstaan.

De school argumenteert dat zij eerst impliciet en vanaf het tweede schooljaar ook expliciet heeft opgenomen dat de leerling bij presentaties niet mag beoordeeld worden op elementen die direct verband houden met zijn diagnoses (oogcontact, bepaalde verbale en motorische vaardigheden). Uit het dossier blijkt dat de leerkracht Engels overigens haar resultaat baseert op elementaire gebreken in de kennis van de woordenschat en spraakkunst, en dat ze het puur verbale aspect buiten beschouwing heeft gelaten.

De Geschillenkamer kan dan ook geen weigeren van redelijke aanpassingen vaststellen.

1.4 Wat de extra tijd betreft

Ten slotte, wat het probleem van de extra tijd betreft die de school niet zou hebben toegekend aan de leerling om bepaalde opdrachten of taken uit te voeren, maakt de indiener van de klacht onvoldoende duidelijk over welke situaties het precies gaat.

De school geeft aan deze faciliteit te respecteren, maar het gebeurde in heel specifieke situaties dat leerkrachten, om pedagogische redenen en om het leerproces van de andere leerlingen niet te verstoren, de lessen toch lieten doorlopen en ervoor kozen de bijkomende tijd-faciliteit te verstrekken onder de vorm van een extra geïndividualiseerde begeleiding na de uren.

Aangezien op dit punt onvoldoende concreet gemaakt is waar de school tekortgeschoten zou zijn, besluit de Geschillenkamer dat geen schending van het Gelijkekansendecreet kan worden vastgesteld.

2. Indirecte discriminatie

Een indirecte discriminatie op grond van handicap vindt plaats wanneer: 

  • een op het eerste gezicht neutrale praktijk;
  • personen met een handicap in vergelijking met andere personen kan benadelen;
  • tenzij die praktijk objectief wordt gerechtvaardigd. Dit is het geval wanneer de praktijk een legitiem doel nastreeft en de middelen om dit doel te bereiken passend en noodzakelijk zijn.[11] Een praktijk die personen met een handicap benadeelt, is niet noodzakelijk wanneer de discriminerende impact kan worden vermeden door redelijke aanpassingen.[12] Als aan die voorwaarden is voldaan, moet ten slotte een afweging worden gemaakt tussen het nadeel voor personen met een of meer beschermde kenmerken en het belang van het nagestreefde doel (evenredigheid in de strikte zin).

Voor de vaststelling van een discriminatie is een bewijs van opzet of enige andere specifieke drijfveer van de verweerder niet vereist.[13]

De Geschillenkamer onderzoekt in twee stappen of een discriminatie bewezen is. De eerste stap is vervuld als de indiener van de klacht feiten aanvoert die het bestaan van een discriminatie kunnen doen vermoeden. Als de indiener van de klacht een vermoeden van discriminatie aanvoert, moet de verweerder vervolgens (in de tweede stap) bewijzen dat er geen sprake is van een discriminatie. De verweerder kan dit doen door het vermoeden van discriminatie te weerleggen of door de benadelende praktijk te rechtvaardigen.[14]

Uit de klacht van de indiener komen drie elementen naar voren die zouden kunnen wijzen op een indirecte discriminatie van de leerling, dat wil zeggen, ogenschijnlijk neutrale maatregelen die in werkelijkheid de leerling echter benadelen op grond van zijn handicap:

  1. De clausulering van de zoon voor alle TSO-richtingen op de school
  2. De vroegtijdige beëindiging van de stage
  3. De tuchtsanctie en definitieve uitsluiting
2.1 De clausering 

Wat het eerste punt betreft, merkt de Geschillenkamer op dat het haar niet toekomt zich in de plaats te stellen van een delibererende klassenraad. De Geschillenkamer onderzoekt wel of de maatregelen die zijn getroffen de leerling benadelen ten opzichte van andere leerlingen die geen handicap hebben, en indien dat zo is, of die maatregelen objectief worden gerechtvaardigd, 

Op dit punt is vast te stellen dat het eindrapport van de leerling voor het schooljaar 2024-2025 ernstige tekorten vaststelt. De motivering van de delibererende klassenraad luidt als volgt:

“De leerplandoelstellingen voor de volgende vakken werden niet bereikt: Beeld (45%) Opmaak (38%) Web (40%) Wiskunde (24%) Aardrijkskunde (47%) Engels (48%) Frans (50%). De klassenraad stelt vast dat de leerling op te veel vakken een onvoldoende behaalde om te slagen in een vervolgjaar. De leerling toonde een goede studie-inzet, er is hulp ingezet en de aangeboden remediëring werd gemaakt. Desondanks zijn de leerplandoelstellingen onvoldoende bereikt om te slagen in een vervolgjaar.”

In het licht van die resultaten blijkt de clausulering te zijn ingegeven door de pedagogische beoordeling, en vormt die pedagogische beoordeling een zelfstandige en onafhankelijke reden waarom is geclausuleerd, zonder dat de beslissing verband houdt met de handicap van de leerling. In die zin gaat het om een neutrale praktijk, die de leerling benadeelt. Daarbij geldt ook dat het deliberatieoordeel verwijst naar hulp en de remediëring, en dat deze resultaten, die op zichzelf een clausulering rechtvaardigen, volgen op een traject waarin afdoende redelijke aanpassingen zijn geboden. Nu in het traject dat heeft geleid tot de clausulering, wel afdoende redelijke aanpassingen zijn geboden om voor de leerling de obstakels weg te nemen die verband houden met zijn handicap, kan de leerling in deze context niet langer als benadeeld worden beschouwd ten opzichte van wie die handicap niet heeft. 

In beroep heeft de beroepscommissie opgemerkt dat de klassenraad bijkomend een “compenserende” maatregel heeft opgelegd door een clausulering uit te spreken en een B-attest te geven. De beroepscommissie sprak in dat verband van een “gunstmaatregel”, aangezien de leerling in feite niet geslaagd was. De beroepscommissie heeft dan de beslissing van de klassenraad bevestigd, met dien verstande dat zij de beslissing uitgebreid heeft tot alle richtingen met een doorstroom en dubbele finaliteit. De beroepscommissie stelde vast dat de klassenraad weinig (pedagogisch) consequent was door de clausulering te beperken tot de richtingen die op de school werden aangeboden. De uitspraak van de beroepscommissie trekt de redenering van de klassenraad door naar alle evenwaardige richtingen, ook diegene die elders worden aangeboden.

In het licht van de motieven die de klassenraad aanbracht, en de elementen die ook door de beroepscommissie in overweging werden genomen, komt de Geschillenkamer tot de vaststelling dat de beslissing van de klassenraad om een B-attest te geven en de beslissing van de beroepscommissie om deze clausulering uit te breiden geen indirecte discriminatie uitmaken. 

2.2 De vroegtijdige beëindiging van de stage

In het kader van het werkplekleren, dat een onderdeel is van de richting die door de leerling wordt gevolgd, moest de zoon van de indiener van de klacht een stage volbrengen. 

Op 18 mei 2026 hebben de school en de Kringloopwinkel, waar de leerling tot dan stageliep, beslist om de stage vroegtijdig te beëindigen. De motieven voor het afbreken van de stage worden in de overeenkomst tussen de school en de stageplaats vermeld. In essentie is gebleken dat de draagkracht van de stageplaats niet toereikend was om tegemoet te komen aan de ondersteuningsbehoeftes van de leerling. De leerling bleek nood te hebben aan een intensieve één-op-één begeleiding, had moeilijkheden bij het aanknopen van een werkrelatie met andere medewerkers, en kon onvoldoende zelfstandig werken. 

De indiener van de klacht meent dat alle motieven die worden opgegeven, verband houden met de handicap van zijn zoon, en dat er om die reden sprake is van discriminatie. De op het eerste gezicht neutrale praktijk – het beëindigen van de stage omdat de stageplaats niet in staat is de leerling voldoende te begeleiden om er een zinvolle stage van te maken – zou zijn zoon hebben benadeeld om wille van diens handicap.

De Geschillenkamer begrijpt dat het verloop van de stage frustrerend was voor de leerling en de indiener van de klacht. Dat neemt niet weg dat de school veel inspanningen geleverd heeft met betrekking tot de uitvoering van de stage. Zowel bij de keuze voor de Kringwinkel als bij de uitvoering van de stage is rekening gehouden met de noden van de leerling. Dat blijkt uit de intensieve begeleiding door de verantwoordelijke leerkracht voor de stage, die intens contact had met de stageplaats en daar wekelijks ook ter plaatse kwam, als uit de één-op-één begeleiding op de stageplek en de manier waarop de leerling daar begeleid werd. Dat op een bepaald punt de stageplaats moest vaststellen dat zij als organisatie tegen haar grenzen aanliep – en in wezen geen personeel beschikbaar meer had om de leerling nuttig één op één te begeleiden en terzelfdertijd operationeel te blijven, kan noch aan de stageplaats, en evenmin aan de school worden verweten. Uit de stukken en uiteenzettingen van partijen blijkt voor de Geschillenkamer dat de school zowel als de stageplaats hun draagkracht en personele middelen hebben uitgeput om de stage te doen slagen. Dat volstond niet, en vervolgens is de stage beëindigd. 

Ook voor deze maatregel, de beëindiging van de stage, geldt dus dat afdoende redelijke aanpassingen zijn geboden. Verdergaande aanpassingen zouden de benutting veronderstellen van middelen die niet of niet meer beschikbaar waren, en dus een onevenredige belasting vormen. In elk geval weet de Geschillenkamer niet welke aanpassingen nog zouden kunnen geboden zijn, of gevraagd zijn geweest, om de stage toch tot een goed einde te brengen. 

Het is zo dat de beëindiging van de stage aan de leerling een nadeel toebrengt. Nu in het traject dat heeft geleid tot de beëindiging van de stage wel afdoende redelijke aanpassingen zijn geboden om voor de leerling de obstakels weg te nemen die verband houden met zijn handicap, kan de leerling niet als benadeeld worden beschouwd ten opzichte van wie die handicap niet heeft.

De Geschillenkamer houdt er tot slot, voor wat betreft de beëindiging van de stage, ook rekening mee dat de school meteen een alternatieve opdracht heeft ontwikkeld, om de leerdoelen van de stage op een andere manier te bereiken. 

De Geschillenkamer ziet hier dan ook geen indirecte discriminatie.

2.3 De tuchtsanctie – definitieve uitsluiting

Ten slotte is de tuchtsanctie die opgelegd werd volgens de indiener van de klacht eveneens discriminerend. Het gaat om een op het eerste gezicht neutrale praktijk, die de leerling benadeelt om grond van zijn handicap, in de mate dat de feiten die aanleiding gaven tot de tuchtsanctie het gevolg zijn van gedrag dat voortkomt uit die handicap. De Geschillenkamer moet onderzoeken of de maatregel objectief gerechtvaardigd is, in die zin dat hij passend en noodzakelijk is om een legitiem doel te bereiken.

De leerling was erg boos vanwege de beëindiging van zijn stage. Op 29 mei 2026 ging hij naar de school en daar heeft hij luidruchtig zijn ongenoegen geuit tegen een aantal leerlingen, zou hij het bureau van de leerlingenbegeleider roepend zijn binnen gelopen, noemde hij haar een leugenaar, gooide hij een met spaghetti gevulde maaltijddoos tegen de grond, zou hij fysiek naar haar uitgehaald hebben (ze kon de confrontatie ontwijken) en ongepaste gebaren naar andere leerkrachten gemaakt hebben. Andere leerkrachten probeerden de leerling te vermijden.

Op de zitting heeft de indiener van de klacht de feiten niet ontkend, maar genuanceerd. Met name bij het gebruik van fysiek geweld plaatste hij vraagtekens.

De klassenraad heeft de situatie geanalyseerd en is tot de vaststelling gekomen dat de leerling onvoorspelbaar geworden was in zijn boosheid. De klassenraad stelde vast dat niet alleen het vertrouwen tussen de school en de leerling niet meer aanwezig was, maar dat er ook grote zorgen waren over de veiligheid van de leerkrachten en leerlingen. In die omstandigheden kwam ook het veilig leerklimaat van de andere leerlingen onder druk. De Geschillenkamer merkt op dat de klassenraad uitdrukkelijk de medische problematiek van de leerling en de nood aan redelijke aanpassingen in overweging nam. 

De leerling ging niet in op de uitnodiging gehoord te worden.

Uiteindelijk besloot de school de leerling definitief uit te sluiten, waarbij ook het CLB vaststelde dat de school “in een hoek gedreven” was.

Een beroep tegen de tuchtsanctie bij de beroepscommissie leidde tot de bevestiging van de beslissing.

De Geschillenkamer is van oordeel dat de genomen maatregel in het licht van de feiten objectief is en naar recht verantwoord kan worden. Zij stelt vast dat er in het verleden eerdere incidenten waren, zoals ook blijkt uit het overzicht in de beslissing van de tuchtcommissie, maar dat de school gepoogd heeft deze op te lossen via de weg van het overleg en de zelfreflectie. Op de zitting legde de school uit dat haar omgang met conflicten inderdaad berust op een model dat kiest voor reflectie, inzicht en bemiddeling, eerder dan voor onmiddellijke sanctionering.

De feiten in dit geval waren echter zwaarwichtig en de school kon terecht oordelen dat, niettegenstaande de diagnose van de leerling en de bijhorende zorgnood, de grenzen van wat de school redelijkerwijze kon doen overschreden waren. Op de zitting gaf zij ook dat de leerlingenbegeleidster, die steeds was blijven geloven in de therapeutische bereikbaarheid van de leerling, had aangegeven niet meer in te zien hoe ze nog impact kon hebben op (het gedrag van) de leerling.

Het is niet omdat het gedrag van een leerling het resultaat is van een bepaalde medische conditie, dat een school die erg veel inspanningen geleverd heeft om tegemoet te komen aan de zorgnoden van de leerling, niet mag optreden wanneer de fysieke veiligheid van personeel en medeleerlingen in het gedrang komt.

Daarbij overweegt de Geschillenkamer dat het waarborgen van de veiligheid van leerkrachten en medeleerlingen en de toegang tot onderwijs van andere leerlingen, een legitiem doel is. 

Wanneer een leerling door zijn gedrag de veiligheid van leerkrachten en medeleerlingen in het gedrang brengt, ook al houdt dat gedrag verband met een beschermd criterium, is de uitsluiting van die leerling een passende en noodzakelijke maatregel om dat doel te bereiken. Daarbij geldt opnieuw dat redelijke aanpassingen zijn betracht en aangeboden, maar niet langer toereikend bleken om dit veiligheidsrisico op te vangen. 

Waar de indiener van de klacht voorhoudt dat nooit eerder een tuchtsanctie is opgelegd aan de leerling, blijkt dat de leerling ook in het verleden wel degelijk moeilijk gedrag stelde, en dat daar in het verleden remediërend tegen is opgetreden, zonder tuchtmaatregelen te nemen. Zoals uiteengezet, is gedurende het schoolse traject van de leerling rekening gehouden geweest met zijn handicap en zijn redelijke aanpassingen aangeboden.

In het licht van die omstandigheden is de genomen maatregel – de definitieve uitsluiting – ook evenredig ten aanzien van het beoogde doel, met name de veiligheid van de leerkrachten en andere leerlingen, en de toegang tot onderwijs van die andere leerlingen.   

De Geschillenkamer ziet in de definitieve uitsluiting van de leerling geen schending van het Gelijkekansendecreet.

3. Intimidatie

Intimidatie op grond van handicap vindt plaats wanneer:  

  • zich ongewenst gedrag voordoet;
  • dat verband houdt met handicap;
  • en dat tot doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast en een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd.[15]

De Geschillenkamer onderzoekt of een intimidatie bewezen is in twee stappen. De eerste stap is vervuld als de indiener van de klacht feiten kan aanvoeren die het bestaan van een discriminatie kunnen doen vermoeden. Als de indiener van de klacht een vermoeden van discriminatie kan aanvoeren, moet de verweerder vervolgens kunnen bewijzen dat er geen sprake is van een discriminatie, door het vermoeden van discriminatie te weerleggen.[16]

De indiener van de klacht voert aan dat de leerling werd gefilmd en dit intimidatie was. 

De school zet uiteen dat het ging om een reactie van een beginnende leerkracht die, naar aanleiding van de discussie over de kwaliteit van de evaluaties, door twijfel werd bevangen. Om elke discussie te vermijden, en collega’s toe te laten indien nodig een second opinion te geven, besloot die leerkracht de presentaties van alle leerlingen te filmen, zonder de directie vooraf te bevragen, maar met instemming van alle leerlingen. 

De Geschillenkamer stelt vast dat dit filmen in die omstandigheden niet tot doel of gevolg heeft gehad dat de waardigheid van de leerling is aangetast geweest, of dat ten aanzien van hem een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving is gecreëerd geweest. 

Er is dus geen sprake van intimidatie. 

4. Represailles

Het Gelijkekansendecreet verbiedt nadelige maatregelen (of zogenaamde represailles) tegen degene die, intern of extern, een discriminatie meldt of een discriminatieklacht indient. 

Represailles vinden plaats wanneer:  

  • door of in het voordeel van iemand een melding of klacht wordt gedaan over een beweerde discriminatie zoals verboden in het Gelijkekansendecreet; 
  • en degene waartegen de klacht is gericht (“de verweerder”) nadelige maatregelen treft tegen die persoon:  
  • behalve als deze nadelige maatregelen vreemd zijn aan (de inhoud van) de klacht of de melding.[17]

Het verbod op represailles beoogt te vermijden dat wie stappen onderneemt omdat die meent dat er sprake is van een discriminatie, daardoor nadeel zou ondervinden. Dat geldt ongeacht of de discriminatieklacht gegrond is, dus ook wanneer uiteindelijk zou worden vastgesteld dat er geen sprake is van discriminatie. De vrees voor represailles kan immers ontmoedigend werken om een melding te doen of klacht in te dienen, en daarom zou het gedogen van represailles de effectieve bescherming tegen discriminatie in gevaar brengen.[18]

De bescherming tegen represailles geldt voor interne en externe discriminatieklachten, dus zowel voor klachten bij de organisatie waar de beweerde discriminatie plaatsvond als voor een klacht bij het Vlaams Mensenrechteninstituut.[19] Om bescherming tegen represailles te genieten, moet de betrokken persoon aantonen dat er een discriminatieklacht werd ingediend.[20]

Als de verweerder represailles treft tegen de indiener van de klacht, binnen de twaalf maanden nadat de verweerder op de hoogte was of redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de klacht, moet die bewijzen dat de nadelige maatregel geen verband houdt met de discriminatieklacht of de inhoud ervan.[21]

In deze zaak stelt de Geschillenkamer vast dat de klachten betrekking hebben op verschillende incidenten die zich afgespeeld hebben in de loop van twee schooljaren.

De indiener van de klacht heeft een klacht bij het VMRI ingediend in januari 2026. Hij meent dat de gebeurtenissen van na die datum, zoals de beëindiging van de stage en de definitieve uitsluiting, gezien moeten worden als represailles voor het indienen van de klacht.

De Geschillenkamer merkt op dat voor elk van die punten hiervoor, bij de analyse van de vermeende indirecte discriminatie, al is gebleken dat zij een zelfstandige oorzaak hebben. Daarmee is aangetoond dat al deze maatregelen losstaan van het indienen van de klacht wegens discriminatie.

Er is in deze zaak geen sprake van represailles in de zin van het Gelijkekansendecreet.

Oordeel van de Geschillenkamer

Om die redenen oordeelt de Geschillenkamer:

  • dat er geen weigering van redelijke aanpassingen in strijd met het Gelijkekansendecreet kan worden vastgesteld;
  • dat er geen indirecte discriminatie overeenkomstig het Gelijkekansendecreet kan worden vastgesteld;
  • dat er geen intimidatie op grond van handicap overeenkomstig het Gelijkekansendecreet kan worden vastgesteld; en
  • dat er geen represailles overeenkomstig het Gelijkekansendecreet kunnen worden vastgesteld.
     
Voetnoten
  1. Artikel 13, § 5 VMRI-decreet.
  2. Artikel 13, § 4 VMRI-decreet.
  3. E-mails van 12 januari 2026, 15 januari 2026 en 26 mei 2026.
  4. Artikel 16, § 6 VMRI-decreet.
  5. Artikel 19 Gelijkekansendecreet.
  6. Artikel 36, §1 Gelijkekansendecreet.
  7. Zie Algemene opmerking nr. 6 (2018) over gelijkheid en non-discriminatie van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 25.
  8. Zie Algemene opmerking nr. 4 (2016) over het recht op inclusief onderwijs van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 30; Europees Hof voor de Rechten van de Mens 23 februari 2016, nr. 51500/08, Çam t. Turkije, § 66.
  9. Zie Algemene opmerking nr. 6 (2018) over gelijkheid en non-discriminatie van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 25.
  10. Zie artikel 19 Gelijkekansendecreet en Algemene opmerking nr. 6 (2018) over gelijkheid en non-discriminatie van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 25- 26.
  11. Artikel 16, § 2, Gelijkekansendecreet.
  12. Zie bijvoorbeeld Hof van Justitie 15 juli 2021, C-795/19, XX t. Tartu Vangla, § 46-52.
  13. Artikel 36, §4, Gelijkekansendecreet.
  14. Artikel 36, §1, Gelijkekansendecreet.
  15. Artikel 17, §1 Gelijkekansendecreet.
  16. Artikel 36, §1 Gelijkekansendecreet.
  17. Artikel 37, §1 Gelijkekansendecreet.
  18. Zie ook Hof van Justitie 22 september 1998, C-185/97, B.J. Coote t. Granada Hospitality Ltd., §24; Hof van Justitie 20 juni 2019, C-404/18, Jamina Hakelbracht e.a. t. WTG Retail BVBA, §33.
  19. Artikel 37, §2, 1°-2° Gelijkekansendecreet.
  20. Artikel 37, §3 Gelijkekansendecreet.
  21. Artikel 37, §3 Gelijkekansendecreet.

Download het oordeel

Ook interessant