Universiteit Gent heeft geen redelijke aanpassingen geweigerd in de vorm van lesopnames voor student met een handicap
- Je kan hieronder de samenvatting van het oordeel en het volledige oordeel lezen.
- Je kan het oordeel ook downloaden in pdf-formaat.
Samenvatting oordeel
Situatie
De indienster van de klacht heeft een autismespectrumstoornis en kampt ook met een psychiatrische problematiek. Zij volgt een masteropleiding aan de Universiteit Gent, waar ze het statuut heeft van student met een functiebeperking. Omdat ze het moeilijk vond om de hoorcolleges van een bepaald vak te volgen, vroeg ze aan de universiteit of ze lesopnames kon krijgen voor dit vak. Ze merkte op dat ze de leerstof niet in zelfstudie kon verwerken, omdat er geen omvattende syllabus bestond bij het betrokken vak. Ze wees er ook op dat ze voor andere vakken al lesopnames had gekregen.
De universiteit weigerde de vraag naar lesopnames, omdat actieve interactie centraal staat in het betrokken vak. Een deel van de punten staat ook op interactie en participatie van studenten tijdens de lessen. De universiteit heeft wel andere aanpassingen gemaakt, waaronder:
- De indienster van de klacht mocht een “buddy” (een persoonlijke begeleider) meenemen naar de hoorcolleges van het betrokken vak.
- Het aanspreekpunt functiebeperking van de Universiteit Gent kwam tussen om lesnotities van andere studenten te (doen) bezorgen aan de indienster van de klacht.
- Het groepswerk en de punten op participatie tijdens de lessen werden voor de indienster van de klacht vervangen door een individuele taak.
De indienster van de klacht is in de tweede zittijd geslaagd voor het vak.
Beoordeling door de Geschillenkamer
De Geschillenkamer oordeelt dat de Universiteit Gent niet heeft geweigerd om redelijke aanpassingen te maken voor een persoon met een handicap. De indienster van de klacht heeft namelijk niet aangetoond dat lesopnames de obstakels zouden hebben weggenomen die zij ervaarde in haar participatie aan de lessen. De Universiteit Gent heeft daarentegen aangetoond dat zij met de indienster van de klacht in gesprek is gegaan en haar alternatieve maatregelen heeft aangeboden. De indienster van de klacht heeft deze alternatieve maatregelen aanvaard en benut. De alternatieve maatregelen zijn ook vruchtbaar gebleken, aangezien de indienster van de klacht is geslaagd voor het vak.
De Geschillenkamer merkt wel op dat de Universiteit Gent geen interne beroepsprocedure had voor gevallen waarin de universiteit een redelijke aanpassing weigert. Dat is een tekortkoming aan de verplichting om op een behoorlijke manier redelijke aanpassingen toe te staan. Tijdens de zitting voor de Geschillenkamer heeft de universiteit echter aangegeven dat het die tekortkoming in de tussentijd heeft rechtgezet, door een beroepsprocedure in te voeren.
De Geschillenkamer oordeelt dat er ook geen sprake is van een indirecte discriminatie, waarbij het beleid over lesopnames studenten met een psychiatrische problematiek zou benadelen in vergelijking met studenten met een fysieke beperking. De indienster van de klacht stelde dat de universiteit pas lesopnames toekent als studenten vier weken afwezig zijn. Ze stelde ook dat de universiteit daarbij vooral aandacht heeft voor studenten met een fysieke beperking en voor studenten die herstellen van een heelkundige ingreep. De Geschillenkamer stelt echter vast dat deze voorstelling van het beleid niet strookt met de realiteit. De Universiteit Gent biedt in alle gevallen de mogelijkheid om geïndividualiseerde maatregelen te bespreken in functie van de specifieke noden van de student met een handicap. Dat blijkt ook uit het feit dat de indienster van de klacht voor andere vakken wel lesopnames heeft gekregen.
De Geschillenkamer oordeelt ten slotte dat er geen sprake is van intimidatie. Het is niet betwist dat de indienster van de klacht een specifieke interactie met de docent van het vak als conflictueus heeft ervaren. Er zijn echter geen objectieve elementen waaruit blijkt dat deze interactie een vijandige of bedreigende leeromgeving heeft gecreëerd voor de indienster van de klacht. De interactie tussen de lesgever en de student is voor een neutrale buitenstaander immers als normaal te omschrijven.
Oordeel
Om die redenen oordeelt de Geschillenkamer:
- dat er geen weigering van redelijke aanpassingen kan worden vastgesteld in de zin van het Gelijkekansendecreet;
- dat er geen indirecte discriminatie op grond van handicap kan worden vastgesteld in de zin van het Gelijkekansendecreet; en
- dat er geen intimidatie kan worden vastgesteld in de zin van het Gelijkekansendecreet.
Volledig oordeel
De Geschillenkamer, samengesteld uit voorzitter Koen Lemmens, bijzitter Jelle Flo en bijzitter Line Hellemans, en bijgestaan door griffier Dorien Geeroms, spreekt het volgende oordeel uit:
Procedure
De Geschillenkamer heeft de klacht ontvangen op 26 maart 2025.
De fase van het uitwisselen van standpunten en overtuigingsstukken werd afgerond op 15 september 2025.
De Geschillenkamer ontving volgende stukken:
- het standpunt van de verweerster van 12 mei 2025
- het antwoord van de indienster van de klacht van 11 juni 2025
- het antwoord van de verweerster van 15 september 2025.
De Geschillenkamer behandelde de zaak tijdens een hoorzitting op 17 oktober 2025. Op deze hoorzitting waren beide partijen aanwezig. De indienster van de klacht nam online deel aan de hoorzitting en werd bijgestaan door een vertrouwenspersoon. De Universiteit Gent werd vertegenwoordigd door twee personeelsleden.
Feiten
De indienster van de klacht heeft een autismespectrumstoornis en kampt daarnaast met een psychiatrische problematiek, met onder andere depressieve episodes, algemene angst, agorafobie en traumaverwerking.
Aan de Universiteit Gent volgt zij een masteropleiding sociologie, waarbij zij zich heeft ingeschreven voor een keuzevak.
Voor dit vak worden normaal gezien gedeeltelijk punten gegeven op basis van permanente evaluatie, met name op de interactie en participatie van studenten tijdens de lessen. Studenten moeten ook een groepswerk maken en een examen afleggen.
De indienster van de klacht vraagt voor het academiejaar 2024-2025 aan de Universiteit Gent of zij lesopnames van het vak kan krijgen, als redelijke aanpassing voor een persoon met een handicap.
De Universiteit Gent weigert dit.
Van de Universiteit Gent mag zij wel informeel een “buddy” (een persoonlijke begeleider) meenemen naar de lessen. Het aanspreekpunt functiebeperking is ook tussengekomen om lesnotities van andere studenten te (doen) bezorgen aan de indienster van de klacht. Het groepswerk en de permanente evaluatie tijdens de lessen worden voor de indienster van de klacht vervangen door een individuele taak, waarbij zij ook individuele begeleiding krijgt. Ze heeft voor het overige een mondeling examen afgelegd.
De indienster van de klacht is in de tweede zittijd van het academiejaar 2024-2025 geslaagd voor het opleidingsonderdeel.
De indienster van de klacht heeft ook een specifieke interactie met de lesgever als een conflict ervaren.
Ten slotte kaart de indienster van de klacht aan dat er binnen de Universiteit Gent geen interne beroepsmogelijkheden zijn voor studenten die worden geconfronteerd met de weigering van een gevraagde aanpassing. Zij heeft daarom een beroep moeten doen op het VMRI.
Tijdens de zitting van de Geschillenkamer van 17 oktober 2025 bevestigt de Universiteit Gent dit laatste punt en meldt zij dat hierin verandering is gebracht. Er is nu wel een intern beroep mogelijk tegen een weigering van een vraag tot redelijke aanpassingen voor een persoon met een handicap.
Standpunten partijen
Standpunt indienster klacht
De Geschillenkamer vat hierna de argumenten van de indienster van de klacht samen, in de volgorde waarin de Geschillenkamer die zal onderzoeken.
De indienster van de klacht heeft een verminderde zelfredzaamheid van 7 punten, die ook is erkend. Zij kampt met een autismespectrumstoornis en met psychiatrische moeilijkheden, waaronder depressieve periodes, suïcidale gedachten, automutilatie, een algemene angststoornis, agorafobie en traumaverwerking.
De indienster van de klacht stelt dat zij aan de Universiteit Gent redelijke aanpassingen heeft gevraagd die geen onevenredige belastingen vormen en dat de Universiteit Gent deze aanpassingen heeft geweigerd.
Zij heeft voor een keuzevak in de masteropleiding sociologie gevraagd om in lesopnames te voorzien. Daarbij gaf zij aan dat zij ook open stond voor alternatieven, zoals het beschikbaar stellen van voorbereidende lesnotities of aanvullend lesmateriaal door de docent. Het lesmateriaal dat bij het vak wordt aangeboden was voor haar onvoldoende om de leerstof zelfstandig te verwerken. Door lesopnames zou zij op voet van gelijkheid met andere studenten kunnen deelnemen aan de lessen.
De Universiteit Gent heeft deze aanpassing geweigerd. Een gevraagde redelijke aanpassing kan volgens de indienster van de klacht alleen worden geweigerd als ze een onevenredige belasting zou betekenen voor degene die de aanpassing zou moeten doen. Dat is volgens de indienster van de klacht hier niet het geval.
De Universiteit Gent beschikt immers over de vereiste infrastructuur, zoals mobiele opnamesets, diekunnen worden opgezet met ondersteuning van een gespecialiseerde dienst van de UGent. De indienster van de klacht vraagt niet dat een gemonteerde video met verschillende camera-invalshoeken zou worden aangeleverd. Een opname met audio en één camerastandpunt zou voor haar volstaan om de vier uur klassiek hoorcollege op te nemen. De campus waar de lessen doorgaan, heeft acht auditoria waarin vaste opstellingen voor lesopnames beschikbaar zijn, met mogelijkheden tot zowel live-streaming als opnames. Eén van deze auditoria was vrij tijdens de voorziene lesuren van het betrokken opleidingsonderdeel. Er was dus nauwelijks een organisatorische impact.
Uit de ECTS-fiche (studiefiche) van het vak blijkt verder dat het opleidingsonderdeel bestaat uit hoorcolleges, zelfstandig werk en groepswerk (meer bepaald zogenaamd “peer teaching”, dat de Geschillenkamer begrijpt als een lesvorm waarbij studenten elkaar ook opleiden). Er is in de ECTS-fiche geen sprake van werkcolleges. Binnen het opleidingsonderdeel kunnen studenten alleen worden geëvalueerd op basis van wat is vermeld in de ECTS-fiche. De informatie in de ECTS-fiche is bindend voor zowel docent als student en de inhoud van de ECTS-fiche kan niet meer gewijzigd worden na de start van het academiejaar, tenzij bij een overmachtssituatie. De interactieve lesvorm houdt ook geen verband met een eindcompetentie van het opleidingsonderdeel of de opleiding.
Uit de ECTS-fiche blijkt ook dat participatie geen essentieel onderdeel is om de eindcompetenties van het opleidingsonderdeel te behalen, aangezien deze participatie bij de evaluatie in de tweede zittijd vervangen wordt door het schrijven van een individuele taak. De punten op participatie worden ook gegeven op basis van de presentaties over de groepswerken. Het groepswerk is voor de indienster van de klacht, in samenspraak met de lesgever, vervangen door een individuele taak.
Tot slot heeft de indienster van de klacht wel lesopnames ontvangen voor een ander opleidingsonderdeel in haar opleiding sociologie tijdens het academiejaar 2022-2023. Uit de ECTS-fiche voor dit vak blijkt duidelijk dat daarbij participatieve lesvormen (“microteaching”) worden gebruikt, zodat lesopnames wel degelijk verzoenbaar zijn met interactieve lesvormen. De dienst informatica van de Universiteit Gent geeft hierover zelf het volgende aan: “De mobiele sets bieden een goede geluidskwaliteit, zorgen voor een optimale bewegingsvrijheid en laten zowel interactie met de klasgroep on campus als de studentengroep op afstand toe.” De mobiele sets zijn dus voorzien op het opnemen van interactieve lesvormen, en belemmeren de docent niet in zijn of haar mobiliteit.
De Universiteit Gent geeft geen goede reden om aan te nemen dat lesopnames een negatieve impact zouden hebben op de leerprocessen van andere studenten. Ook buiten het onderwijs worden hybride vergaderingen en online presentaties of seminaries immers meer en meer de norm.
De indienster van de klacht klaagt ook aan dat de Universiteit Gent haar indirect zou discrimineren.
Zij stelt dat er sprake is van een discriminatie wanneer personen die zich in een gelijke situatie bevinden, ongelijk worden behandeld of wanneer personen die zich in een ongelijke situatie bevinden, gelijk worden behandeld. De indienster van de klacht verwijt aan de Universiteit Gent dat de Universiteit ongelijke situaties toch gelijk behandelt.
De functiebeperking van de indienster van de klacht is van een zeer complexe en ingrijpende aard, en wordt niet goed gevat door de Universiteit Gent. De onderwijsfaciliteiten die de Universiteit heeft toegekend vereisen immers fysieke aanwezigheid op de campus. Maar als gevolg van haar functiebeperking vraagt fysiek aanwezig zijn op de campus een disproportionele inspanning van de indienster van de klacht. Bij momenten is het zelfs onmogelijk.
De Universiteit Gent voert een beleid, aldus de indienster van de klacht, waarbij zij pas lesopnames toekent wanneer een student voor minstens vier weken niet in staat is om hoorcolleges in persoon bij te wonen, omwille van bijvoorbeeld een opname in een ziekenhuis of postoperatief herstel. Een vraag om redelijke aanpassing wordt dus niet beoordeeld in het licht van de individuele noden van de student, maar in het licht van vooraf bepaalde criteria.
Het beleid van de Universiteit Gent wekt zo de indruk dat lesopnames beperkt zijn tot studenten met een motorische beperking of chronische ziekte die zich niet naar de les kunnen verplaatsen. Het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en de Codex Hoger Onderwijs stellen evenwel een ruime invulling van functiebeperking voorop. Het beleid van de Universiteit Gent benadeelt dan ook systematisch studenten met een functiebeperking omwille van complexe psychiatrische aandoeningen, eerder dan puur lichamelijke aandoeningen.
Hoewel de indienster van de klacht over een medisch attest beschikte waaruit blijkt dat ze niet in staat was de lessen bij te wonen voor een periode van minstens vier weken, heeft de Universiteit Gent haar alsnog lesopnames geweigerd. De indienster van de klacht verwijst hierbij naar een ziekteattest van vier weken voor de periode november en december. Zij haalde uitdrukkelijk aan een enorme opstoot van haar handicap te ervaren en stelde een bijkomende vraag aan de Universiteit Gent voor ondersteunende onderwijsmaatregelen. Ondanks het attest van een arts dat zij niet in staat was om fysiek lessen mee te volgen, wilde de Universiteit Gent geen lesopnames beschikbaar maken.
Op het verweer van de Universiteit Gent dat de aanpassing waardoor de indienster van de klacht een individuele taak mocht uitvoeren in plaats van een groepswerk, antwoordt de indienster van de klacht dat dit tegemoetkomt aan haar autismespectrumstoornis, maar niet aan haar psychiatrische problematiek. Het doet voor haar ook niet ter zake dat zij maar één vak opneemt. Het gaat om lange lesblokken die bijzonder belastend zijn. Zo voorziet de lesgever in de praktijk maar één pauzemoment in een lesblok van zes uur.
De zware belasting vloeit ook niet alleen voort uit het lange lesblok. De studenten moeten zich ook naar de locatie begeven en terugkeren. Ook deze belasting moet mee in rekening gebracht worden.
Ruimer gezien heeft iedere persoon met een handicap recht op participatie in de samenleving. Participatie in de samenleving is meer dan alleen onderwijs. Het kan niet de bedoeling zijn dat een persoon met een handicap verplicht wordt alle beschikbare energie enkel en alleen aan te wenden voor onderwijs om vervolgens de overige dagen volledig uitgeput te zijn. Uitputting die bovendien op korte termijn bijdraagt tot ernstige terugvallen in de gezondheidstoestand.
Volgens de indienster van de klacht kan de Universiteit Gent niet zelf beoordelen wat de fysieke en mentale mogelijkheden zijn van een student. Deze taak behoort tot de exclusieve bevoegdheden van de gezondheidszorgbeoefenaars. De indienster van de klacht ervaart de weigering ook als eerder willekeurig. Voor zeer gelijkaardige opleidingsonderdelen, heeft de Universiteit Gent haar wel lesopnames bezorgd. De indienster van de klacht heeft ook weet van een student die zich in een zeer gelijkaardige situatie bevindt, en aan wie de Universiteit Gent wel lesopnames heeft bezorgd. Nochtans was ook in dat geval niet voldaan aan het criterium van vier weken niet in staat zijn om hoorcolleges in persoon bij te wonen.
Een andere universiteit in Vlaanderen heeft ook een ander beleid over het opnemen en beschikbaar maken van lessen, terwijl beide universiteiten moeten voldoen aan dezelfde wetgeving.
De indienster van de klacht vermeldt tot slot een conflict met de lesgever van het betrokken vak. Zij begrijpt dat een conflictsituatie op zich geen beschermd kenmerk is. Zij wil ook verduidelijken dat het feit dat één van beide partijen een situatie niet ervaart als een conflict, niet betekent dat er geen sprake zou kunnen zijn van een conflict. Dat is in het bijzonder zo wanneer één van de partijen in een machtspositie staat tegenover de andere partij. De indienster van de klacht heeft de situatie als een conflict ervaren doordat de lesgever laattijdig communiceerde over een vervangende opdracht en aangaf geen tijd te kunnen vrijmaken om tegemoet te komen aan de specifieke noden van de indienster van de klacht, ondanks haar functiebeperking en bijhorende toegekende onderwijsfaciliteiten.
Daarbij moet ook rekening gehouden worden met haar autisme, wat gepaard gaat met aanhoudende moeilijkheden bij het sociaal gebruik van verbale en non-verbale communicatie. Dit wordt ook geïllustreerd door de erkenning van haar handicap door de Directie-generaal Personen met een Handicap, waarbij twee punten werden toegekend omwille van verminderde zelfredzaamheid in communicatie en sociale contacten.
Tijdens de zitting van 17 oktober 2025 heeft de indienster van de klacht ook nog opgemerkt dat een deel van de moeilijkheden voor haar was dat de lessen voor haar erg ongestructureerd en moeilijk te volgen waren. De leerstof was voor haar niet behapbaar en er was geen omvattende syllabus. Ook de aanwezigheid van een persoonlijke begeleider, die een diploma sociologie en een diploma criminologie heeft en dus de lessen zou moeten kunnen volgen, hielp haar niet. Uiteindelijk heeft het wel geholpen dat zij door lesnotities van twee studenten twee verschillende perspectieven op de hoorcolleges heeft kunnen verwerven en zich zo de leerstof heeft kunnen eigen maken.
Standpunt verweerster
De Geschillenkamer bespreekt hierna de argumenten van de Universiteit Gent, in dezelfde volgorde waarin zij de klacht zal onderzoeken.
Over het weigeren van lesopnames stelt de Universiteit Gent het volgende.
Een attest erkenning handicap bewijst niet dat de indienster van de klacht onmogelijk naar de les kan gaan. Het bevestigt wel dat er een vermindering is van het verdienvermogen of studievermogen tot één derde of minder van een persoon zonder handicap. Het bevestigt ook dat er punten zijn toegekend bij verschillende relevante deelgebieden zoals verplaatsing en communicatie. Het betrokken attest geeft dus aan dat de indienster van de klacht drempels kan ervaren om zich naar de les te begeven of daar fysiek aanwezig te zijn, maar sluit haar aanwezigheid niet uit.
De Universiteit heeft daarom op verschillende momenten bekeken wat dit concreet betekent voor de indienster van de klacht en welke redelijke aanpassingen zinvol zijn. De Universiteit deed dit door een “needs-based assessment”, dat de Geschillenkamer begrijpt als een individuele beoordeling van de noden van de indienster van de klacht.
Een redelijke aanpassing is een concrete maatregel die de negatieve impact van een onaangepaste omgeving neutraliseert zodat een persoon met een handicap alsnog kan participeren.
De drempels die de indienster van de klacht ervaart bij het gaan over de manier waarop het keuzevak wordt ingericht, zoals de lesgeverstijl die de indienster van de klacht als chaotisch ervaart en de hoge graad van actieve participatie tijdens de lessen.
Lesopnames beschikbaar maken zou in deze omstandigheden die negatieve impact niet wegnemen en zou ook geen participatie aan de interactieve lessen mogelijk maken. Daarom heeft de Universiteit Gent andere aanpassingen voorgesteld, die volgens het team student en functiebeperking wel tegemoet kunnen komen aan de individuele drempels. Deze aanpassingen kunnen de indienster van de klacht in staat stellen de vooropgestelde competenties te behalen. De Universiteit heeft bijvoorbeeld goedkeuring gegeven om een “buddy” mee te brengen naar de les en heeft lesnotities van medestudenten ter beschikking gesteld.
De Universiteit Gent spreekt tegen dat zij ongelijke situaties gelijk zou behandelen.
Uit de feiten blijkt dat er wel degelijk oog is voor de complexiteit van de individuele situatie en de noden van de indienster van de klacht. Er zijn heel wat redelijke aanpassingen (‘faciliteiten’) gemaakt en er was ook altijd de mogelijkheid om te herbekijken en bij te sturen op basis van de noden en vragen van de indienster van de klacht. De Universiteit heeft de complexiteit en ingrijpende aard van haar individuele situatie dus wel degelijk gezien en er ook rekening mee gehouden.
Dat de Universiteit in het verleden lesopnames heeft bezorgd aan de indienster van de klacht, toont aan dat faciliteiten niet altijd gefocust zijn op maximale aanwezigheid op de campus, maar wel zo optimaal als kan binnen de mogelijkheden van de student.
De Universiteit Gent merkt verder op dat zij zelf niet oordeelt over de fysieke en mentale mogelijkheden van studenten. Het team student en functiebeperking baseert zich op een beoordeling van de noden van en met de student en op relevante attestering door een (para-)geneeskundige om dit te staven, eventueel aangevuld met extra informatie die relevant is voor de medische situatie van de student.
De brief van de psycholoog die tijdens de procedure voor de Geschillenkamer wordt bijgebracht door de indienster van de klacht, is nooit gedeeld met het team student en functiebeperking ter staving van bepaalde noden.
Daarnaast verwacht de Universiteit Gent van een student die is ingeschreven via diplomacontract dat die zelf de prioriteit afweegt van studies ten opzichte van andere engagementen. De Universiteit doet geen uitspraken over wat dit voor elke student concreet betekent.
De indienster van de klacht kan in overleg met de opleiding en het Aanspreekpunt Functiebeperking een aangepast curriculum opnemen, dat past bij haar individuele situatie. Zij is niet gedwongen om een specifiek pakket op te nemen. Ze is eigenaar van het eigen leerproces, maar kan wel ondersteund worden in de zelfgemaakte keuzes binnen het kader van redelijke aanpassingen.
De indienster van de klacht legt een (anonieme) getuigenis voor, om aan te tonen dat een andere student bij de Universiteit Gent wel voldoende ondersteuning en lesopnames kreeg. Het is moeilijk om uitspraken te doen over deze getuigenis of om in te gaan op wat wel en niet gelijklopend en verschillend is tussen beide situaties. De Universiteit Gent kijkt steeds naar de individuele context en noden van elke student (bijvoorbeeld aangeleverde attesten, lesrooster, aard van de functiebeperking, aard van het vak/lesvorm). Wel blijkt uit de getuigenis dat de andere student de faciliteit toegekend kreeg voor één vak, om te kunnen participeren aan de lessen van andere vakken. Dit lijkt dus in lijn te liggen met de faciliteit lesopnames die de indienster van de klacht eerder kreeg voor een ander vak met andere lesvormen.
De Universiteit Gent stelt in haar beleid dat specifieke groepen studenten meer voordelen kunnen halen uit lesopnames, zoals studenten die tijdelijk de les niet kunnen meevolgen (bijvoorbeeld door overlappende lesroosters, tijdelijke omstandigheden of een verblijf in het buitenland), werkstudenten, studenten met een functiebeperking of studenten die een andere moedertaal spreken. De Universiteit bekijkt dit altijd in de individuele context en in het licht van andere relevante redelijke aanpassingen. De feiten tonen dat ook aan. Aan de indienster van de klacht zijn immers vroeger wel degelijk lesopnames bezorgd, voor een ander vak en op een ander tijdstip.
De indienster van de klacht verwijst naar “de ECTS-fiche, die zowel bindend is voor docent als student.” De Universiteit Gent begrijpt dat het begrip “werkcollege” voor verwarring kan zorgen, wanneer het niet letterlijk in de fiche terug te vinden is. In de ECTS-fiche van het betrokken vak wordt echter duidelijk melding gemaakt van de interactieve lesvorm en evaluatie. Er wordt uitdrukkelijk een dynamische benadering vooropgesteld, met aandacht voor de praktijk; er is sprake van actieve participatie via onder meer kleine tussentijdse opdrachten; er wordt verwacht en aangemoedigd om probleemgericht, actief deel te nemen aan het stellen van vragen en het formuleren van antwoorden en oplossingen; en studenten leren om het individuele en collectieve leerproces bij te sturen. Daarbij zijn goed voorbereide beleidsgerichte presentaties door studenten en actieve interventies van studenten een essentieel onderdeel van het vak. Er gebeurt ook een periodegebonden mondelinge evaluatie en een niet-periodegebonden (permanente) evaluatie van participatie en van een werkstuk.
Verder trekt de Universiteit Gent niet in twijfel dat de communicatie met de lesgever door de indienster van de klacht is ervaren als een conflict en dat autisme gepaard kan gaan met aanhoudende moeilijkheden bij het sociaal gebruik van verbale en non-verbale communicatie. Een redelijke aanpassing moet er echter voor zorgen dat de student volwaardig kan participeren aan de vakken en de vooropgestelde competenties kan verwerven. Het toekennen van lesopnames is daarbij geen redelijke aanpassing om de sociale en communicatieve drempels als gevolg van een autismespectrumstoornis weg te nemen. De Universiteit heeft de indienster van de klacht ook andere ondersteuning geboden, zoals hulp bij communicatie met lesgevers.
De indienster van de klacht stelt dat “de lesgever liet verstaan geen tijd te kunnen vrijmaken om tegemoet te komen aan de specifieke noden, ondanks haar functiebeperking en bijhorende toegekende onderwijsfaciliteiten.” De Universiteit Gent ziet de betrokken communicatie van de lesgever als een aanduiding dat uitwisseling via e-mail en het zoeken naar oplossingen mogelijk langer kan duren. De Universiteit ziet het niet als een weigering om tegemoet te komen aan de vraag naar redelijke aanpassingen. De lesgever heeft ook aangegeven indien nodig een collega te willen inschakelen.
Tijdens de zitting van 17 oktober 2025 zet de Universiteit Gent nog uiteen dat er inderdaad een min of meer formele, administratieve procedure bestaat om redelijke aanpassingen of “faciliteiten” aan te vragen voor studenten met een functiebeperking of handicap.
Daarnaast is er zowel tijdens als buiten die procedure altijd mogelijkheid tot geïndividualiseerd overleg, en tot het bespreken en bekomen van aanpassingen op maat.
De Universiteit heeft aan de indienster van de klacht uiteindelijk de volgende aanpassingen en faciliteiten geboden:
- zij mocht een informele “buddy” (of persoonlijke begeleider) meenemen naar de les, maar dat bracht geen soelaas;
- het Aanspreekpunt Functiebeperking heeft mee gezorgd voor lesnotities van andere studenten;
- in plaats van een groepswerk heeft de indienster van de klacht een individuele taak gemaakt en daarbij ook begeleiding gekregen; en
- ze heeft een mondeling examen afgelegd en is uiteindelijk ook geslaagd voor het opleidingsonderdeel.
Tijdens de zitting heeft de Universiteit Gent ook nog verduidelijkt dat de lessen een interactief karakter hadden en dat de begeleiding door een persoonlijke “buddy” of begeleider geen oplossing heeft geboden. In die omstandigheden zouden lesopnames niet nuttig zijn geweest voor de student. De persoonlijke en individuele begeleiding die de Universiteit haar heeft geboden, was dat wel.
Beoordeling door de Geschillenkamer
Volgens artikel 14 van het VMRI-decreet is de Geschillenkamer bevoegd om op niet-bindende wijze te beoordelen of er sprake is van een discriminatie als vermeld in het decreet van 10 juli 2008 (het Gelijkekansendecreet) of het decreet van 8 mei 2002 (het decreet houdende evenredige participatie op de arbeidsmarkt), met uitzondering van een discriminatie op grond van taal.
De Geschillenkamer onderzoekt of er in deze zaak sprake is (I) van een weigering van redelijke aanpassingen in de zin van artikel 19 van het Gelijkekansendecreet, (II) van indirecte discriminatie in de zin van artikel 16 §2 van het Gelijkekansendecreet, en (III) van intimidatie in de zin van artikel 17 van het Gelijkekansendecreet.
I. Weigering van redelijke aanpassingen
A. Algemene beginselen
Artikel 19 van het Gelijkekansendecreet bepaalt dat er sprake is van het weigeren van redelijke aanpassingen voor een persoon met een handicap als aanpassingen worden geweigerd die geen onevenredige belasting betekenen, of waarvan de belasting in voldoende mate wordt gecompenseerd door bestaande maatregelen. Als aanpassing wordt beschouwd, elke concrete maatregel, van materiële of immateriële aard, die de beperkende invloed van een onaangepaste omgeving op de participatie van een persoon met een handicap neutraliseert.
De redelijkheid van de aanpassing, wordt beoordeeld op basis van onder meer de volgende indicatoren:
1° de financiële impact van de aanpassing, waarbij rekening wordt gehouden met eventuele ondersteunende financiële tegemoetkomingen en de financiële draagkracht van degene op wie de aanpassingsplicht rust;
2° de organisatorische impact van de aanpassing;
3° de te verwachten frequentie en duur van het gebruik van de aanpassing door personen met een handicap;
4° de impact van de aanpassing op de levenskwaliteit van een daadwerkelijke of potentiële gebruiker met een handicap of daadwerkelijke of potentiële gebruikers met een handicap;
5°de impact van de aanpassing op de omgeving en op andere gebruikers;
6° het ontbreken van gelijkwaardige alternatieven;
7° het verzuim van voor de hand liggende of wettelijk verplichte normen.
De indienster van de klacht moet aantonen dat de aanpassingen die zij vraagt, redelijk zijn. De gevraagde aanpassingen moeten daarbij verband houden met de handicap en de obstakels kunnen wegnemen of verminderen die de indienster van de klacht als gevolg van die handicap ervaart bij haar participatie in haar academische opleiding.
Daarbij geldt ook dat de verweerder die een aanpassing weigert, moet aantonen dat gelijkwaardige alternatieven zijn aangeboden geweest, of nog, dat de gevraagde aanpassingen een onevenredige belasting zouden vormen. Die beoordeling is echter pas nodig als eerst zou blijken dat de gevraagde aanpassingen redelijk zijn en de obstakels die worden ervaren kunnen verhelpen.
B. Toepassing
Artikel 19, 4° van het Gelijkekansendecreet bepaalt dat de redelijkheid van gevraagde aanpassingen onder meer wordt beoordeeld op basis van de impact van de gevraagde aanpassing op de levenskwaliteit van de gebruiker met een handicap. In dit geval gaat het om de studiekwaliteit of de kwaliteit van deelname aan het academische leven.
De Geschillenkamer oordeelt dat de indienster van de klacht in deze zaak niet aantoont dat de aanpassing die zij vroeg, namelijk lesopnames krijgen van de hoorcolleges van een keuzevak in de masteropleiding sociologie, de obstakels zouden hebben weggenomen die zij ervaart in haar participatie in de lessen.
De Geschillenkamer neemt aan dat bij het betrokken vak een groot belang wordt gehecht aan interactie tijdens de lessen, en dat studenten ook worden geëvalueerd op die interactie. Dit strookt met de ECTS-fiche van het vak. De Geschillenkamer neemt ook aan dat er geen omvattende syllabus bestaat waarin het lesmateriaal op een bevattelijke en volledige manier is opgenomen, zodat de indienster van de klacht het lesmateriaal op eigen tempo en zelfstandig zou kunnen verwerken.
Zoals de indienster van de klacht zelf heeft aangegeven, vond zij het ook met persoonlijke begeleiding moeilijk om de lessen te volgen toen ze die op de campus volgde. Dat impliceert noodzakelijkerwijs dat het voor haar nog moeilijker, niet gemakkelijker, zou zijn geweest om vanop afstand en via een internetverbinding te volgen. Als de Universiteit Gent een lesopname zou bezorgen die de indienster van de klacht achteraf zou bekijken, dan zou er van interactie met haar en tijdens de les geen sprake zijn geweest.
Artikel 19, 6° van het Gelijkekansendecreet bepaalt dat de redelijkheid van een gevraagde aanpassing ook wordt beoordeeld op basis van gelijkwaardige alternatieven die zijn besproken of aangeboden.
Het is voor de Geschillenkamer ook doorslaggevend dat de Universiteit Gent aantoont dat zij wel degelijk en op geïndividualiseerde manier met de indienster van de klacht in gesprek is gegaan, en dat daarbij alternatieve maatregelen zijn besproken en aangeboden. De indienster van de klacht heeft deze alternatieve maatregelen aanvaard en benut. Deze maatregelen zijn ook vruchtbaar gebleken.
De indienster van de klacht is geslaagd voor het vak nadat het Aanspreekpunt Functiebeperking initiatieven heeft genomen om lesnotities te bezorgen. De indienster van de klacht heeft in plaats van een groepswerk ook een individuele taak gemaakt, waarbij individuele begeleiding is aangeboden. Uiteindelijk is de indienster van de klacht geslaagd voor het vak, na een mondeling examen.
Het klopt dat de indienster van de klacht op deze manier mee is geëxamineerd met de studenten in de tweede zittijd, en niet in de eerste zittijd.
De Geschillenkamer merkt verder op dat de verantwoordelijkheid voor mogelijke vertragingen of andere moeilijkheden in de communicatie niet op het eerste gezicht of voornamelijk bij de Universiteit Gent kan worden gelegd. Tijdens de zitting van 17 oktober 2025 heeft de indienster van de klacht bevestigd dat zij er soms niet aan toekwam e-mails te lezen. Het is ook geen uitgemaakte zaak, maar blijft hypothetisch, dat de indienster van een klacht een examenkans zou hebben verloren. Zij is geslaagd voor het vak, en de vraag naar een eventuele herkansing is niet gerezen.
Wel is het zo dat de Universiteit Gent, als grote onderwijsinstelling, niet in een interne beroepsprocedure had voorzien voor studenten die worden geconfronteerd met een weigering van een redelijke aanpassing. Dat is een tekortkoming aan de verplichting om op een behoorlijke manier redelijke aanpassingen toe te staan. Die verplichting impliceert immers noodzakelijkerwijs de verplichting om een vraag naar redelijke aanpassingen op een behoorlijke manier in overweging te nemen en, indien nodig, het antwoord op de vraag te herzien.
Tijdens de zitting van 17 oktober 2025 heeft de Universiteit Gent evenwel aangegeven dat het die tekortkoming inmiddels heeft rechtgezet door een beroepsprocedure in te voeren. De indienster van de klacht heeft door die tekortkoming geen nadeel ondervonden, zodat de Geschillenkamer ook op dit punt geen discriminatie kan vaststellen of aanbevelingen moet doen.
In die omstandigheden en gelet op wat voorafgaat oordeelt de Geschillenkamer dat de Universiteit Gent niet heeft geweigerd om redelijke aanpassingen te maken voor een persoon met een handicap.
II. Indirecte discriminatie op grond van handicap en gezondheidstoestand
A. Algemene beginselen
Artikel 16, § 2 van het Gelijkekansendecreet bepaalt dat er sprake is van een indirecte discriminatie als een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelswijze, personen met beschermde kenmerken in vergelijk met andere personen kan benadelen, tenzij:
- die bepaling, maatstaf of handelswijze objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn, en
- in het geval van indirect onderscheid op grond van een handicap aangetoond wordt dat geen redelijke aanpassingen kunnen worden getroffen.
B. Toepassing
De indienster van de klacht stelt dat de Universiteit Gent een beleid heeft waarbij lesopnames worden bezorgd aan studenten die minstens vier weken afwezig zijn omwille van bijvoorbeeld een ziekenhuisopname of revalidatie. Ook aan studenten met psychiatrische problematieken zou de Universiteit Gent pas lesopnames bezorgen bij opname van de student in een psychiatrisch ziekenhuis.
De indienster van de klacht beschikt over documentatie van professionele zorgverleners waaruit blijkt dat het voor haar omwille van haar gezondheidstoestand een disproportionele belasting zou vormen om zich naar de lessen te verplaatsen. Zij stelt dat het beleid van de Universiteit Gent tot gevolg heeft dat aan studenten met een motorische beperking of een hospitalisatie omwille van een heelkundige ingreep wel lesopnames worden bezorgd, terwijl dat niet wordt gedaan voor studenten die kampen met complexe psychiatrische aandoeningen en ambulant worden behandeld.
Tijdens de zitting van 17 oktober 2025 is gebleken dat de Universiteit Gent in gesprekken met de indienster van de klacht inderdaad, maar alleen illustratief en hypothetisch, voorbeelden heeft gegeven waarin lesopnames een redelijke aanpassing vormen. Daarbij zijn inderdaad, als voorbeeld, gevallen vermeld waarin iemand een heelkundige ingreep moet ondergaan en hierdoor in zijn mobiliteit is beperkt.
Het is evenwel zo dat de Universiteit Gent in alle gevallen de mogelijkheid biedt om geïndividualiseerde maatregelen te bespreken, in functie van de specifieke noden van een student met een handicap of een student die om andere redenen maatregelen of aanpassingen vraagt. De Universiteit Gent heeft verduidelijkt dat er ook studenten zijn met een topsportstatuut of met moeilijkheden in de persoonlijke of familiale sfeer, waaraan de universiteit op basis van een inschatting van de noden aanpassingen aanbiedt.
Bij lesopnames worden niet enkel de noden van de student die lesopnames vraagt in rekening gebracht. De universiteit onderzoekt ook of lesopnames nuttig zijn, rekening houdend met het vak en de onderwijsvorm.
Het is dus niet zo dat de Universiteit Gent een beleid heeft ontwikkeld waarbij lesopnames zijn voorbehouden voor studenten die kampen met een somatische aandoening of zijn gehospitaliseerd; en lesopnames worden ontzegd aan studenten die kampen met een psychiatrische aandoening en ambulant worden behandeld.
Dat blijkt ook uit het feit dat de indienster van de klacht voor andere vakken wel lesopnames heeft gekregen.
Er is dus geen sprake van een indirecte discriminatie die zou bestaan in een beleid waarbij een ogenschijnlijk neutrale maatregel studenten met een psychiatrische problematiek benadeelt in vergelijking met studenten die kampen met een somatische functiebeperking.
III. Intimidatie
A. Algemene beginselen
Volgens artikel 17 van het Gelijkekansendecreet is er sprake van intimidatie als zich ongewenst gedrag voordoet dat verband houdt met een beschermd kenmerk en dat tot doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast en een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd.
B. Toepassing
De indienster van de klacht voert aan dat zij tijdens het academiejaar 2023-2024 een conflict heeft ervaren met de lesgever van een keuzevak in de masteropleiding sociologie. De lesgever zou laat hebben gereageerd op haar verzoek om faciliteiten te bekomen. Hij zou ook hebben gemeld dat hij omwille van zijn agenda geen tijd kon vrijmaken voor de indienster van de klacht. Daarbij moet volgens de indienster van de klacht ook rekening worden gehouden met haar autismespectrumstoornis, haar psychiatrische problematiek en de machtspositie waarin de lesgever zich bevindt.
Het is niet betwist, en ook de indienster van de klacht neemt dit aan, dat de betrokken lesgever niet de intentie had om te intimideren.
De Geschillenkamer merkt op dat om te beoordelen of er sprake is van intimidatie, niet is vereist dat ook wordt aangetoond dat er een specifieke intentie was om te intimideren. Artikel 17 van het Gelijkekansendecreet verbiedt gedrag dat tot doel of gevolg heeft de waardigheid aan te tasten of een vijandige omgeving te creëren. Het is wel vanzelfsprekend dat een algemeen opzet is vereist om het ongewenst gedrag op zichzelf te stellen.
Het is ook niet betwist dat de indienster van de klacht de interactie met de lesgever als conflictueus heeft ervaren.
Net zoals een subjectieve intentie om bepaalde gevolgen teweeg te brengen niet is vereist voor wie het beweerde intimiderend gedrag stelt, volstaat de subjectieve beleving van wie met dat gedrag wordt geconfronteerd niet opdat er sprake zou zijn van intimidatie in de zin van het Gelijkekansendecreet.
De Geschillenkamer neemt aan dat de indienster van de klacht de interactie met de lesgever zo heeft ervaren dat zij het gevoel en de indruk heeft dat voor haar een vijandige of bedreigende omgeving is gecreëerd.
Er zijn echter geen objectieve elementen waaruit dit blijkt. Vanuit het perspectief van een neutrale buitenstaander is de interactie tussen de lesgever en de indienster van de klacht normaal verlopen. Ook als de Geschillenkamer rekening houdt met elementen die eigen zijn aan de indienster van de klacht, zoals haar psychiatrische problematiek of autisme, of de gezagsverhouding, blijft dit zo.
De Universiteit Gent heeft de indienster van de klacht niet geïntimideerd.
Oordeel van de Geschillenkamer
Om die redenen oordeelt de Geschillenkamer:
- dat er geen weigering van redelijke aanpassingen kan worden vastgesteld in de zin van het Gelijkekansendecreet;
- dat er geen indirecte discriminatie op grond van handicap kan worden vastgesteld in de zin van het Gelijkekansendecreet; en
- dat er geen intimidatie kan worden vastgesteld in de zin van het Gelijkekansendecreet.