Overslaan en naar de inhoud gaan

Verbod op levensbeschouwelijke kentekens voor leerlingen in GO!-school Atheneum Dendermonde is discriminerend

info

Samenvatting oordeel

Situatie 

De indienster van de klacht draagt een hoofddoek. Als leerlinge in het Atheneum Dendermonde kreeg zij te maken met een verbod op het dragen van zichtbare levensbeschouwelijke kentekens dat door de school werd ingevoerd vanaf het schooljaar 2024-2025 (hierna: kentekenverbod). 

Op 11 september 2009 heeft de Raad van het Gemeenschapsonderwijs beslist dat het voor leerlingen, cursisten en personeelsleden in instellingen van het Gemeenschapsonderwijs niet meer toegelaten is om zichtbare levensbeschouwelijke kentekens te dragen. Uit de beslissing blijkt dat het kentekenverbod geldt voor alle zichtbare levensbeschouwelijke kentekens en van toepassing is tijdens alle onderwijsactiviteiten, zowel binnen als buiten de schoolmuren. In de beslissing wordt enkel een uitzondering opgenomen voor de levensbeschouwelijke vakken. Uit de beslissing blijkt ook dat scholen aanvankelijk de tijd kregen tot 31 augustus 2010 om het kentekenverbod in te voeren.

Op 1 februari 2013 heeft de Raad van het Gemeenschapsonderwijs vervolgens een omzendbrief uitgevaardigd. De omzendbrief bevestigt dat het kentekenverbod van toepassing is op alle leerlingen en personeelsleden in het basisonderwijs en secundair onderwijs, in alle instellingen van het Gemeenschapsonderwijs. De omzendbrief bevestigt ook de uitzondering voor leerkrachten en leerlingen tijdens levensbeschouwelijke vakken. 

Over de implementatie van het kentekenverbod voor leerlingen vermeldt de omzendbrief het volgende:

5. Hoe dient het verbod geïmplementeerd te worden? 

De onderwijsinstellingen nemen de bepalingen van het ‘verbod’ op in het schoolreglement. Hierbij geven de instellingen aan op welke wijze de overtreding van het ‘verbod’ op het dragen van levensbeschouwelijke kentekens wordt gesanctioneerd. De instelling voert een doeltreffend beleid om het ‘verbod’ te handhaven. Ze controleert de naleving van het verbod en treedt op tegen overtreders conform het eigen sanctiebeleid zoals vermeld in het schoolreglement. De instelling kan het ‘verbod’ desgewenst aanvullen met extra maatregelen. Die aanvullingen kunnen enkel een meer restrictieve uitwerking hebben ten aanzien van het verbod.”

De school Atheneum Dendermonde heeft uiteindelijk haar schoolreglement in lijn gebracht met de beslissing van 2009 en de omzendbrief van 2013, door vanaf het schooljaar 2024-2025 een kentekenverbod in te voeren.

Beoordeling door de Geschillenkamer

De Geschillenkamer oordeelde dat de klacht ontvankelijk is. Vervolgens oordeelde de Geschillenkamer dat er sprake is van indirecte intersectionele discriminatie op grond van geslacht, geloof en zogenaamd ras en nationale of etnische afstamming. 

De redenering van de Geschillenkamer is de volgende:

De Geschillenkamer stelt vast dat leerlingen die, zoals de indienster van de klacht, een islamitische hoofddoek dragen, in de praktijk benadeeld worden door het kentekenverbod. De Geschillenkamer is van oordeel dat de benadeling in deze zaak zich situeert op het kruispunt van de beschermde kenmerken geslacht, geloof en zogenaamd ras en nationale of etnische afstamming.

De maatregel die deze benadeling veroorzaakt, maakt niet automatisch discriminatie uit. Dit is slechts het geval als hij niet passend en noodzakelijk is voor een legitiem doel. Als die voorwaarden vervuld zijn, moet een afweging worden gemaakt tussen het nadeel voor hoofddoekdraagsters zoals de indienster van de klacht en de nagestreefde doelstellingen.

Legitieme doelstelling

De Geschillenkamer oordeelt dat het kentekenverbod wel degelijk legitieme doelstellingen nastreeft, met name het realiseren van de neutraliteit van het openbaar onderwijs, het vermijden van druk op leerlingen om levensbeschouwelijke kentekens te dragen, het vermijden van segregatie, en het beschermen van gendergelijkheid.

De Geschillenkamer is van oordeel dat het kentekenverbod niet kan worden beschouwd als een passende maatregel om gendergelijkheid te beschermen, in een context waarin het precies de hoofddoekdraagsters zelf zijn die het recht opeisen om een hoofddoek te dragen.

Voor de andere legitieme doelstellingen kan het kentekenverbod daarentegen wel worden beschouwd als passend in de zin van de discriminatietoets: de maatregel kan bijdragen aan het bereiken van deze doelstellingen. 

Noodzakelijk karakter 

Een maatregel is noodzakelijk in de zin van de discriminatietoets als het doel niet bereikt kan worden op een even doeltreffende manier die minder nadelig is voor de benadeelde groep. 

Wat betreft het vermijden van druk op leerlingen stelt de Geschillenkamer vast dat het Gemeenschapsonderwijs geen bewijs aanbrengt dat het dragen van een hoofddoek of een ander levensbeschouwelijk symbool door leerlingen druk creëert op medeleerlingen, of dat er geen minder benadelende alternatieven waren om een eventuele druk te vermijden. De Geschillenkamer kan in die omstandigheden niet besluiten dat het kentekenverbod noodzakelijk is om druk te vermijden op leerlingen. In ieder geval moet het verbod, ook als het noodzakelijk zou zijn, nog de evenredigheidstoets doorstaan (zie hieronder).

Wat betreft het vermijden van segregatie tussen scholen, stelt de Geschillenkamer vast dat in hoofde van de Raad van het Gemeenschapsonderwijs het invoeren van een kentekenverbod niet als noodzakelijk kan worden beschouwd voor dit doel. In hoofde van het Atheneum Dendermonde is dit wel het geval, aangezien deze school het verbod invoerde op een ogenblik dat alle andere scholen van het Gemeenschapsonderwijs in de regio en de meeste scholen van andere netten in de regio al een verbod hanteerden.

Wat betreft het vermijden van segregatie tussen leerlingen, beschouwt de Geschillenkamer het kentekenverbod niet als een noodzakelijke maatregel. Een school heeft heel wat middelen ter beschikking om cohesie en interactie tussen (groepen van) leerlingen te bevorderen.

De neutraliteitsvisie die het Gemeenschapsonderwijs nastreeft, en die berust op ‘exclusieve’ neutraliteit, kan alleen bereikt worden door een algemeen kentekenverbod. De maatregel is dan ook noodzakelijk in de zin van de discriminatietoets voor deze doelstelling.

Evenredigheid

De Geschillenkamer onderzocht ten slotte de evenredigheid ‘in de strikte zin’ van het verbod, door de verschillende belangen tegen elkaar af te wegen.

Ze besluit dat zonder bewijs van het bestaan van een ernstige problematiek van druk op leerlingen niet kan worden aangenomen dat een algemeen verbod op levensbeschouwelijke kentekens een evenredige maatregel zou zijn om deze problematiek aan te pakken. Dit is te meer zo, nu de ernstige impact van het verbod op de indienster van de klacht en andere leerlingen die voordien een hoofddoek droegen op school, vaststaat.

Een ander element dat de evenredigheidsafweging beïnvloedt in het nadeel van de verweerders, is de manier waarop het kentekenverbod in het Atheneum Dendermonde is ingevoerd. Er was geen voorafgaand overleg met leerlingen die een hoofddoek dragen en/of hun ouders, en er waren geen overgangsmaatregelen voorzien. Er was ook geen begeleidingstraject voor de nochtans voorzienbare impact op het welzijn van deze leerlingen. De timing bemoeilijkte bovendien de zoektocht naar een andere school voor de leerlingen die niet bereid waren hun hoofddoek af te leggen.

Wat het doel van voorkomen van segregatie betreft, stelt de Geschillenkamer ook onevenredigheid vast. De stelling van de verweerders is dat het Atheneum Dendermonde een verbod moest invoeren omdat de meeste andere scholen het ook doen, want anders ontstaat segregatie. Het zou echter onverenigbaar zijn met het opzet van mensenrechtenbescherming en van bescherming tegen discriminatie als een potentiële discriminatie gerechtvaardigd zou kunnen worden door het feit dat anderen zich in groten getale ook schuldig maken aan het gedrag dat potentieel een discriminatie uitmaakt. 

De Geschillenkamer onderzocht ten slotte de evenredigheid van het verbod ten aanzien van de doelstelling van de neutraliteit van het gemeenschapsonderwijs.

De Geschillenkamer meent dat de neutraliteit van het onderwijs in de eerste plaats betrekking heeft op de inhoud van het onderwijs, evenals op de houding en het discours van de school, en de uitspraken en gedragingen van het schoolpersoneel. Er worden door het Gemeenschapsonderwijs geen elementen aangebracht die aantonen dat het verbieden van levensbeschouwelijke kentekens van leerlingen een essentieel onderdeel zou zijn van de onderwijsneutraliteit. Bij de invoering van het kentekenverbod in het Atheneum Dendermonde werd ook niet geargumenteerd dat de onderwijsneutraliteit in deze school voordien onvoldoende verzekerd was.

De Geschillenkamer is dan ook van oordeel dat de verweerders niet hebben aangetoond dat de door hen opgeworpen belangen opwegen tegen de aanzienlijke impact van het verbod op de indienster van de klacht.

Opdracht tot discrimineren 

Aangezien de school het verbod invoerde in opdracht van de centrale organen van het Gemeenschapsonderwijs, maakt het in hoofde van het Gemeenschapsonderwijs ook een verboden opdracht tot discrimineren uit.

Oordeel

Om die redenen oordeelt de Geschillenkamer dat er overeenkomstig het Gelijkekansendecreet: 

  • sprake is, in hoofde van beide verweerders, van een indirecte discriminatie op grond van geslacht, geloof en zogenaamd ras en nationale of etnische afstamming;
  • sprake is, in hoofde van het Gemeenschapsonderwijs, van opdracht tot discrimineren op grond van geslacht, geloof en zogenaamd ras en nationale of etnische afstamming.

Aanbevelingen van de Geschillenkamer 

Om de vastgestelde discriminaties te beëindigen, beveelt de Geschillenkamer de volgende maatregelen aan:

  • aan het Atheneum Dendermonde, om het verbod op het dragen van levensbeschouwelijke kentekens in de school in te trekken.
  • aan het Gemeenschapsonderwijs, om niet langer aan scholen opdracht te geven levensbeschouwelijke kentekens te verbieden.

Volledig oordeel

De Geschillenkamer, samengesteld uit voorzitter Eva Brems, bijzitter Koen Lemmens en bijzitter Line Hellemans, en bijgestaan door griffier Dorien Geeroms, spreekt het volgende oordeel uit:

Procedure

De Geschillenkamer heeft de klacht ontvangen op 3 februari 2025.

De fase van het uitwisselen van standpunten en overtuigingsstukken werd afgerond op 9 mei 2025.

De Geschillenkamer ontving volgende stukken:

  • het standpunt van de verweerder van 12 maart 2025
  • het antwoord van de indiener van de klacht van 7 april 2025
  • het antwoord van de verweerder van 7 mei 2025.

De Geschillenkamer behandelde de zaak tijdens een hoorzitting op 14 januari 2026. 

De indienster werd vertegenwoordigd door een aantal vertrouwenspersonen. Verweerders werden vertegenwoordigd door twee personeelsleden en advocaten B. Martel en K. Caluwaert.

Feiten

De indienster van de klacht draagt een hoofddoek. Als leerlinge in het Atheneum Dendermonde kreeg zij te maken met een verbod op het dragen van zichtbare levensbeschouwelijke kentekens dat door de school werd ingevoerd vanaf het schooljaar 2024-2025 (hierna: kentekenverbod). Hierdoor mochten de indienster van de klacht en andere leerlingen hun hoofddoek niet meer dragen op school. 

De verweerders zijn het Atheneum Dendermonde en het Gemeenschapsonderwijs (GO!). Het Atheneum Dendermonde maakt deel uit van de rechtspersoon Gemeenschapsonderwijs.

Op 11 september 2009 heeft de Raad van het Gemeenschapsonderwijs beslist dat het voor leerlingen, cursisten en personeelsleden in instellingen van het Gemeenschapsonderwijs niet meer toegelaten is om zichtbare levensbeschouwelijke kentekens te dragen. Uit de beslissing blijkt dat het kentekenverbod geldt voor alle zichtbare levensbeschouwelijke kentekens en van toepassing is tijdens alle onderwijsactiviteiten, zowel binnen als buiten de schoolmuren. In de beslissing wordt enkel een uitzondering opgenomen voor de levensbeschouwelijke vakken. Tijdens deze vakken mogen de leerkracht en de leerlingen wel zichtbare levensbeschouwelijke kentekens dragen. Uit de beslissing blijkt ook dat scholen aanvankelijk de tijd kregen tot 31 augustus 2010 om het kentekenverbod in te voeren.

Tegen de beslissing van 11 september 2009 werden door leerlingen en hun ouders procedures opgestart bij de Raad van State. In het kader van deze procedures werden ook prejudiciële vragen gesteld aan het Grondwettelijk Hof.

Op 3 februari 2012 heeft de Raad van het Gemeenschapsonderwijs beslist om de invoering van het kentekenverbod uit te stellen, gelet op de lopende procedures bij de Raad van State.

Op 1 februari 2013 heeft de Raad van het Gemeenschapsonderwijs vervolgens een omzendbrief uitgevaardigd. In die omzendbrief staan antwoorden op vragen over hoe het kentekenverbod uit de beslissing van 11 september 2009 geïnterpreteerd moet worden. 

De omzendbrief bevestigt dat het kentekenverbod van toepassing is op alle leerlingen en personeelsleden in het basisonderwijs en secundair onderwijs, in alle instellingen van het Gemeenschapsonderwijs. De omzendbrief bevestigt ook de uitzondering voor leerkrachten en leerlingen tijdens levensbeschouwelijke vakken. 

De omzendbrief verduidelijkt verder waar en wanneer het kentekenverbod van toepassing is: 

  • tijdens de tijdstippen waarop leerlingen en personeelsleden onder de verantwoordelijkheid en onder het gezag van de instellingen vallen; en
  • wanneer zij zich bevinden op of binnen de infrastructuur van de instelling; of
  • wanneer zij deelnemen aan de extra-murosactiviteiten van deze instelling.

Over de implementatie van het kentekenverbod voor leerlingen vermeldt de omzendbrief het volgende:

5. Hoe dient het verbod geïmplementeerd te worden?

De onderwijsinstellingen nemen de bepalingen van het ‘verbod’ op in het schoolreglement. Hierbij geven de instellingen aan op welke wijze de overtreding van het ‘verbod’ op het dragen van levensbeschouwelijke kentekens wordt gesanctioneerd. De instelling voert een doeltreffend beleid om het ‘verbod’ te handhaven. Ze controleert de naleving van het verbod en treedt op tegen overtreders conform het eigen sanctiebeleid zoals vermeld in het schoolreglement. De instelling kan het ‘verbod’ desgewenst aanvullen met extra maatregelen. Die aanvullingen kunnen enkel een meer restrictieve uitwerking hebben ten aanzien van het verbod.”

Het Gemeenschapsonderwijs heeft de omzendbrief bezorgd aan de raden van bestuur van alle scholengroepen, voor opname van het verbod in de schoolreglementen en het personeelsbeleid van hun scholen. 

De school Atheneum Dendermonde heeft uiteindelijk haar schoolreglement in lijn gebracht met de beslissing van 2009 en de omzendbrief van 2013, door vanaf het schooljaar 2024-2025 een kentekenverbod in te voeren. 

De Geschillenkamer heeft de klacht ontvangen op 3 februari 2025.

Standpunten partijen

Standpunt indienster klacht

De indienster van de klacht wijst erop dat de beslissing van de school een groot aantal moslimleerlingen treft en heel onverwacht werd aangekondigd in juli 2024. Leerlingen zijn toen in gesprek gegaan met de directeur over het kentekenverbod, maar dat heeft niets opgeleverd. 

De indienster van de klacht stelt dat de hoofddoek een belangrijk onderdeel is van haar identiteit en die van haar medeleerlingen die ook een hoofddoek dragen. Ze stelt dat de school geen begrip heeft getoond voor de gevolgen van het verbod op haar en op andere leerlingen. Ze voelt zich geviseerd omwille van haar zichtbaarheid als moslima en werd verplicht om een moeilijke keuze te maken: op school blijven en in september de hoofddoek uitdoen, een andere school zoeken waarin ze dezelfde richting kon studeren, of voor de examencommissie haar diploma proberen te behalen. Bij elk van die keuzes moesten zij en de andere leerlingen veel opgeven.

Ze benadrukt ook dat het Atheneum Dendermonde decennialang net bekend stond als een school die toegankelijk was voor meisjes met een hoofddoek. Leerlingen kwamen van ver om er naar school te kunnen gaan. Het kentekenverbod treft dan ook vooral moslimmeisjes onevenredig hard. Dit blijkt onder meer uit het feit dat het grootste verzet vanuit deze minderheidsgroep komt. Ook hebben alleen leerlingen met een hoofddoek de school verlaten als gevolg van de invoering van het kentekenverbod.

De indienster van de klacht is niet op de hoogte van grote problemen in de school die de ingrijpende maatregel van het kentekenverbod zouden kunnen rechtvaardigen. Ze kan zich dan ook niet vinden in de motivering van het verbod. Die motivering is in haar ogen niet eenduidig: soms gaat het over neutraliteit, dan weer over onderdrukking van moslima’s en sociale druk, en soms ook over uniformiteit in de toepassing van de schoolreglementen.   

Volgens de indienster van de klacht past de school het kentekenverbod ook niet consequent toe, met name wanneer het gaat om leerlingen die een christelijk kruisje dragen. 

Standpunt verweerders

Het Gemeenschapsonderwijs wijst erop dat haar onderwijsproject inhoudt dat onderwijs wordt verstrekt in een volledig neutrale onderwijsomgeving, dat wil zeggen een omgeving die vrij is van zichtbare levensbeschouwelijke kentekens. Het benadrukt dat het verbod in de school in Dendermonde volledig in overeenstemming is met de invulling die de Raad van het Gemeenschapsonderwijs in diens beslissing en omzendbrief heeft gegeven aan het grondwettelijk beginsel van de neutraliteit. De invoering van het kentekenverbod in de school moet dan ook binnen de algemene beleidscontext in het Gemeenschapsonderwijs worden gesitueerd.

Het Gemeenschapsonderwijs stelt dat de klacht niet ontvankelijk is, omwille van twee redenen:

  • de Geschillenkamer is niet bevoegd om zich uit te spreken over de invulling van de neutraliteit in het Gemeenschapsonderwijs;
  • de indienster van de klacht heeft niet het nodige belang.

Volgens het Gemeenschapsonderwijs is de Geschillenkamer niet bevoegd om de invulling van de neutraliteit in het Gemeenschapsonderwijs te toetsen aan het Gelijkekansendecreet. 

Uit artikel 21 van het Gelijkekansendecreet blijkt namelijk dat een minder gunstige behandeling die rechtstreeks voortvloeit uit een decreet, of voortvloeit uit de toepassing ervan, niet kan leiden tot de vaststelling van een discriminatie in de zin van het Gelijkekansendecreet. Het Gemeenschapsonderwijs stelt dat artikel 21 van het Gelijkekansendecreet van toepassing is in deze zaak. De Vlaamse decreetgever heeft de inrichting van het door de Vlaamse Gemeenschap verstrekte onderwijs immers overgelaten aan het Gemeenschapsonderwijs. Het is dus niet de Vlaamse Regering die dit onderwijs vormgeeft, maar het Gemeenschapsonderwijs zelf. Zij doet dit op basis van de in het Bijzonder Decreet opgenomen machtigingen. 

Die machtigingen omvatten de invulling in het Gemeenschapsonderwijs van het grondwettelijk neutraliteitsbeginsel uit artikel 24 van de Grondwet. De Vlaamse decreetgever heeft de Raad van het Gemeenschapsonderwijs immers exclusief bevoegd gemaakt om een neutraliteitsverklaring voor het Gemeenschapsonderwijs op te stellen. Dit blijkt uit artikels 33 en 34 van het Bijzonder Decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs.

Aangezien de Raad van het Gemeenschapsonderwijs met diens beslissing van 11 september 2009 en omzendbrief van 1 februari 2013 uitvoering heeft gegeven aan het Bijzonder Decreet, gaat het volgens het Gemeenschapsonderwijs om handelingen “voorzien door of krachtens een decreet, of [die] voortvloei[en] uit de toepassing ervan” in de zin van artikel 21 van het Gelijkekansendecreet. De Geschillenkamer kan zich dus niet uitspreken over de beweerde discriminatie, aangezien deze een decretale grondslag heeft.

Het Gemeenschapsonderwijs stelt verder dat het volgens de Grondwet niet aan de rechter toekomt, zelfs niet aan het Grondwettelijk Hof, om het neutraliteitsbegrip in het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap in te vullen. De Geschillenkamer kan dus niet in de plaats van het Gemeenschapsonderwijs bepalen hoe de neutraliteit van het Vlaamse Gemeenschapsonderwijs moet worden ingevuld.

Ten slotte benadrukt het Gemeenschapsonderwijs dat haar invulling van de neutraliteit herhaaldelijk werd getoetst door rechtscolleges en telkens wettig of grondwettig werd bevonden. Het verwijst hiervoor naar arresten van het Grondwettelijk Hof, van de Hoven van Beroep van Antwerpen en van Brussel, en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Uit deze arresten blijkt volgens het Gemeenschapsonderwijs dat het verbod volledig in overeenstemming is met de hogere rechtsnormen, waaronder het verbod op directe en indirecte discriminatie.

Over het gebrek aan belang stelt het Gemeenschapsonderwijs dat de klacht de impact van het kentekenverbod op islamitische leerlingen aan de kaak wil stellen en daarom geldt als een klacht in het algemeen belang (actio popularis), die de decreetgever heeft willen uitsluiten. 

Als de Geschillenkamer de klacht toch ontvankelijk zou verklaren, stelt de Raad van het Gemeenschapsonderwijs dat er in ieder geval geen sprake is van discriminatie.

Er kan geen sprake zijn van directe discriminatie omdat het kentekenverbod een neutrale maatregel is die geen onderscheid maakt tussen religies of levensbeschouwingen. Het verbod is zonder onderscheid van toepassing op alle leerlingen, ongeacht hun geloof of levensbeschouwing. Het verbod is ook van toepassing op alle zichtbare levensbeschouwelijke kentekens, niet alleen op hoofddoeken.

Er is ook geen sprake van indirecte discriminatie, aangezien het kentekenverbod personen van een bepaalde religieuze gemeenschap niet bijzonder benadeelt ten opzichte van personen die een andere religieuze gemeenschap aanhangen. Alle levensbeschouwelijke kentekens worden immers in dezelfde mate door het kentekenverbod gevat. 

Het Gemeenschapsonderwijs stelt dat het Grondwettelijk Hof in diens arrest nr. 81/2020 van 4 juni 2020 ook al oordeelde dat:

  • een kentekenverbod geen onderscheid maakt op basis van de religieuze, politieke of filosofische overtuiging van leerlingen of studenten; en
  • geen verschil in behandeling invoert tussen de overtuigingen van een meerderheid en die van een minderheid, ook al ervaren sommigen het verbod als een verdergaande beperking.

Het Gemeenschapsonderwijs benadrukt verder dat, zelfs als het kentekenverbod een indirect onderscheid op grond van geloof of levensbeschouwing zou maken, het verbod in elk geval gerechtvaardigd is door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.

Verder verwijst het Gemeenschapsonderwijs naar rechtspraak die in de stukken werd aangebracht en die het kentekenverbod niet strijdig acht met hoger recht. Die zienswijze wordt door het Gemeenschapsonderwijs integraal bijgetreden. Er is volgens haar geen reden om er in deze zaak anders over te oordelen.

Beoordeling door de Geschillenkamer 

De Geschillenkamer moet in deze zaak eerst de ontvankelijkheid van de klacht beoordelen (I). Vervolgens moet ze nagaan of er sprake is van discriminatie. Ze zal eerst onderzoeken of er indirecte discriminatie is (II), en vervolgens nagaan of de feiten een opdracht tot discrimineren inhouden (III).

I. Ontvankelijkheid van de klacht

A. Het belang van de indienster van de klacht

Over het belang bepaalt artikel 13, §1, van het decreet van 28 oktober 2022 tot oprichting van een Vlaams Mensenrechteninstituut (hierna: VMRI-decreet) dat een discriminatieklacht bij het Vlaams Mensenrechteninstituut onder meer kan worden ingediend door “de persoon die meent dat hij wordt gediscrimineerd, of zijn wettelijke vertegenwoordiger”.  De indienster van de klacht stelt dat zij zelf, als hoofddoekdragende leerling van het Atheneum Dendermonde, getroffen werd door de invoering van het kentekenverbod. De indienster van de klacht beschikt dan ook over het vereiste belang.

B. Artikel 21 Gelijkekansendecreet

Het Gemeenschapsonderwijs betwist de ontvankelijkheid van de klacht ook op grond van artikel 21 van het Gelijkekansendecreet.

De Geschillenkamer is enkel bevoegd om op niet-bindende wijze te beoordelen of er sprake is van een discriminatie in de zin van het Gelijkekansendecreet en het Decreet evenredige arbeidsparticipatie.[1] Een klacht die niet gaat over een discriminatie zoals bedoeld in één van deze decreten is niet ontvankelijk.[2] 

Een minder gunstige behandeling of een benadeling die rechtstreeks voortvloeit uit een decreet of krachtens een decreet, kan niet leiden tot de vaststelling van een discriminatie in de zin van het Gelijkekansendecreet.  

Artikel 21 van het Gelijkekansendecreet stelt hierover:  

“§ 1. Een situatie waarbij iemand op grond van een of meer, werkelijke of vermeende, eigen of bij associatie toegekende, beschermde kenmerken, minder gunstig wordt behandeld dan iemand anders in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld, geeft nooit aanleiding tot de vaststelling van enige vorm van discriminatie die door dit decreet verboden wordt als die situatie wordt voorzien door of krachtens een decreet, of voortvloeit uit de toepassing ervan.

§ 2. Een situatie waarbij een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelswijze iemand met een beschermd kenmerk kan benadelen, geeft nooit aanleiding tot de vaststelling van enige vorm van discriminatie die door dit decreet verboden wordt als die situatie wordt voorzien door of krachtens een decreet, of voortvloeit uit de toepassing ervan.”

De Geschillenkamer is dus niet bevoegd om zich uit te spreken over een mogelijke discriminatie die rechtstreeks voortvloeit uit een decreet of krachtens een decreet. De bewoording ‘krachtens een decreet’ verwijst naar besluiten opgesteld in uitvoering van een decreet.[3] De Geschillenkamer kan zich wel uitspreken over een mogelijke discriminatie die geen wettelijke of decretale grondslag heeft (voor zover het gaat over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het Vlaamse gewest of de Vlaamse gemeenschap behoren). 

Het Gemeenschapsonderwijs stelt dat artikel 21 Gelijkekansendecreet van toepassing is omdat de Vlaamse decreetgever de Raad van het Gemeenschapsonderwijs exclusief bevoegd heeft gemaakt om een neutraliteitsverklaring voor het Gemeenschapsonderwijs op te stellen. Er wordt echter niet beweerd of aangetoond dat deze decretale machtiging het Gemeenschapsonderwijs zou verplichten tot het invoeren van een kentekenverbod. Met andere woorden, het Gemeenschapsonderwijs had ook de mogelijkheid om de maatregel waarover de klacht gaat, niet te nemen.

Artikel 21 Gelijkekansendecreet is bijgevolg niet van toepassing op deze klacht.

De Geschillenkamer oordeelt dat de klacht ontvankelijk is.

II. Indirecte discriminatie op grond van geslacht, geloof, zogenaamd ras en nationale of etnische afstamming

A. Algemene beginselen 

De Geschillenkamer moet beoordelen of het kentekenverbod in het Atheneum Dendermonde een indirecte discriminatie uitmaakt van de indienster van de klacht en andere leerlingen die omwille van hun geloof een hoofddoek dragen.

De beweerde indirecte discriminatie is intersectioneel: zij situeert zich op het kruispunt van meerdere beschermde kenmerken waarbij de combinatie van die kenmerken leidt tot een nadeel dat zich niet op dezelfde manier zou stellen op grond van één van die kenmerken alleen. Centraal in deze zaak staat de impact van het kentekenverbod op leerlingen die een islamitische hoofddoek dragen. Deze groep wordt gekenmerkt door geslacht en geloofsovertuiging. Bovendien geldt voor de indienster van de klacht, en voor (voormalige) hoofddoekdraagsters in het Atheneum Dendermonde, dat zij voor wat betreft hun zogenaamd ras en hun nationale of etnische afstamming verschillen van de meerderheid van de bevolking. Om die reden betreft de aangevoerde discriminatie het kruispunt van geloofsovertuiging, geslacht, zogenaamd ras en nationale of etnische afstamming.

Een indirecte discriminatie op grond van geslacht, geloof, zogenaamd ras en nationale of etnische afstamming vindt plaats wanneer: 

  • een op het eerste gezicht neutrale praktijk;
  • personen met de beschermd kenmerken geslacht, geloof, zogenaamd ras en nationale of etnische afstamming kan benadelen in vergelijking met andere personen;
  • tenzij die praktijk objectief wordt gerechtvaardigd. Dit is het geval wanneer de praktijk een legitiem doel nastreeft en de middelen om dit doel te bereiken passend en noodzakelijk zijn.[4] Als aan die voorwaarden is voldaan, moet ten slotte een afweging worden gemaakt tussen het nadeel voor personen met een of meer beschermde kenmerken en het belang van het nagestreefde doel (evenredigheid in de strikte zin).

Een op het eerste gezicht neutrale praktijk kan personen met meerdere beschermde kenmerken benadelen in vergelijking met anderen, en hen bijzonder treffen op het raakvlak van deze kenmerken (indirecte intersectionele discriminatie).[5] Bij de rechtvaardigingstoets houdt de Geschillenkamer rekening met de omstandigheid dat meerdere beschermde kenmerken aan de orde zijn, en met de bijzondere kwetsbaarheid van de benadeelde persoon die daaruit kan voortvloeien.[6] In het bijzonder kan de Geschillenkamer de toetsingsintensiteit verhogen en dus een strikter toezicht uitoefenen op de verantwoording van de ongunstige behandeling.[7]   

De indienster van de klacht voert aan dat:

  • het Atheneum Dendermonde een verbod heeft ingevoerd op het zichtbaar dragen van godsdienstige en levensbeschouwelijke kentekens op school (op het eerste gezicht neutrale praktijk);
  • waardoor zij en andere leerlingen die een islamitische hoofddoek dragen onevenredig hard worden getroffen en met name gedwongen worden om moeilijke keuzes te maken zoals het afleggen van wat zij als een deel van hun identiteit beschouwen, of de school verlaten en hun diploma secundair onderwijs te proberen behalen voor de examencommissie (benadeling van personen met de beschermde kenmerken in vergelijking met andere personen).

De Geschillenkamer onderzoekt in twee stappen of een discriminatie bewezen is. De eerste stap is vervuld als de indiener van de klacht feiten aanvoert die het bestaan van een discriminatie kunnen doen vermoeden. Als de indiener van de klacht een vermoeden van discriminatie aanvoert, moet de verweerder vervolgens (in de tweede stap) bewijzen dat er geen sprake is van een discriminatie. De verweerder kan dit doen door het vermoeden van discriminatie te weerleggen of door de benadelende praktijk te rechtvaardigen.[8]

B. Benadeling

Het kentekenverbod dat het Atheneum Dendermonde invoerde, in uitvoering van een beslissing van de Raad van het Gemeenschapsonderwijs, gaat over kentekens van alle religies en levensbeschouwingen. Als er in deze school leerlingen waren geweest die een Sikh tulband of een joods keppeltje droegen, zouden zij die niet meer kunnen dragen op school. Hoewel er discussie is over de al dan niet systematische toepassing van het verbod op leerlingen die een christelijk kruisje dragen, geldt het verbod in principe ook voor hen. 

Er wordt echter niet betwist dat de toepassing van het kentekenverbod in het Atheneum Dendermonde hoofdzakelijk een impact heeft op leerlingen die een islamitische hoofddoek dragen. De Geschillenkamer stelt vast dat leerlingen die, zoals de indienster van de klacht, een islamitische hoofddoek dragen, in de praktijk benadeeld worden door de maatregel. De Geschillenkamer is van oordeel dat de benadeling in deze zaak zich situeert op het kruispunt van de beschermde kenmerken geslacht, geloof en zogenaamd ras en nationale of etnische afstamming.

C. Rechtvaardiging 

De maatregel die deze benadeling veroorzaakt, maakt niet automatisch discriminatie uit. Dit is slechts het geval als hij niet passend en noodzakelijk is voor een legitiem doel. Als die voorwaarden vervuld zijn, moet een afweging worden gemaakt tussen het nadeel voor hoofddoekdraagsters zoals de indienster van de klacht en de nagestreefde doelstellingen.

  1. Passende maatregel voor een legitiem doel

Met het kentekenverbod streeft het Gemeenschapsonderwijs verschillende doelstellingen na, zoals blijkt uit de tekst van de beslissing van de Raad van het Gemeenschapsonderwijs van 11 september 2009, die het verbod invoerde. Deze beslissing vermeldt met name een aantal situaties die het Gemeenschapsonderwijs met dit verbod wil beëindigen of vermijden: het bestaan van morele druk op leerlingen om levensbeschouwelijke kentekens te dragen, het laten bepalen van de schoolkeuze door het al dan niet bestaan van een kentekenverbod, en de politisering van bepaalde levensbeschouwelijke kentekens. Ze stelt ook dat het de bedoeling is om segregatie op basis van uiterlijke levensbeschouwelijke kentekens tegen te gaan, zowel tussen scholen onderling, als tussen leerlingen van dezelfde instelling. Verder argumenteert de beslissing dat “het dragen van religieuze symbolen soms alleen wordt opgelegd aan leden van één geslacht, wat niet te verzoenen is met de gelijkheid tussen man en vrouw”.

Tijdens de zitting benadrukte het Gemeenschapsonderwijs het realiseren van de neutraliteit van het openbaar onderwijs als een zeer belangrijke doelstelling van het kentekenverbod. 

Het vermijden dat schoolkeuzes gemaakt worden op basis van het al dan niet bestaan van een kentekenverbod, kan de Geschillenkamer niet als een legitiem doel aanvaarden. Het gaat hierbij immers om het uitoefenen van fundamentele vrijheden door leerlingen en hun ouders. 

De Geschillenkamer spreekt zich er niet over uit of de verwijzing naar de politisering van bepaalde symbolen een legitiem doel uitmaakt. Deze verwijzing lijkt te moeten gesitueerd worden in een bepaalde context, die mogelijk niet meer actueel is. 

De Geschillenkamer oordeelt dat het kentekenverbod wel degelijk legitieme doelstellingen nastreeft, met name het realiseren van de neutraliteit van het openbaar onderwijs, het vermijden van druk op leerlingen om levensbeschouwelijke kentekens te dragen, het vermijden van segregatie, en het beschermen van gendergelijkheid.

De Geschillenkamer is van oordeel dat het kentekenverbod niet kan worden beschouwd als een passende maatregel om gendergelijkheid te beschermen, in een context waarin het precies de hoofddoekdraagsters zelf zijn die het recht opeisen om een hoofddoek te dragen.[9]

Voor de andere legitieme doelstellingen kan het kentekenverbod daarentegen wel worden beschouwd als passend in de zin van de discriminatietoets: de maatregel kan bijdragen aan het bereiken van deze doelstellingen. Hierbij is van belang dat niet is gebleken dat de school het verbod niet coherent en systematisch nastreeft. 

  1. Noodzakelijkheid 

Een maatregel is noodzakelijk in de zin van de discriminatietoets als het doel niet bereikt kan worden op een even doeltreffende manier die minder nadelig is voor de benadeelde groep. 

Wat betreft het vermijden van druk op leerlingen stelt de Geschillenkamer vast dat het Gemeenschapsonderwijs geen bewijs aanbrengt dat het dragen van een hoofddoek of een ander levensbeschouwelijk symbool door leerlingen druk creëert op medeleerlingen, of dat er geen minder benadelende alternatieven waren om een eventuele druk te vermijden. De Geschillenkamer kan in die omstandigheden niet besluiten dat het kentekenverbod noodzakelijk is om druk te vermijden op leerlingen. In ieder geval moet het verbod, ook als het noodzakelijk zou zijn, nog de evenredigheidstoets doorstaan (zie hieronder).

Wat betreft het vermijden van segregatie tussen scholen, stelt de Geschillenkamer vast dat in hoofde van de Raad van het Gemeenschapsonderwijs (eerste verweerder) het invoeren van een kentekenverbod niet als noodzakelijk kan worden beschouwd voor dit doel. In hoofde van het Atheneum Dendermonde (tweede verweerder) is dit wel het geval, aangezien deze school het verbod invoerde op een ogenblik dat alle andere scholen van het Gemeenschapsonderwijs in de regio en de meeste scholen van andere netten in de regio al een verbod hanteerden.

Wat betreft het vermijden van segregatie tussen leerlingen, beschouwt de Geschillenkamer het kentekenverbod niet als een noodzakelijke maatregel. Een school heeft heel wat middelen ter beschikking om cohesie en interactie tussen (groepen van) leerlingen te bevorderen.

De neutraliteitsvisie die het Gemeenschapsonderwijs nastreeft, en die berust op ‘exclusieve’ neutraliteit, kan alleen bereikt worden door een algemeen kentekenverbod.[10] De maatregel is dan ook noodzakelijk in de zin van de discriminatietoets voor deze doelstelling. 

  1. Evenredigheid

De Geschillenkamer moet ten slotte de evenredigheid ‘in de strikte zin’ van het verbod onderzoeken, door de verschillende belangen tegen elkaar af te wegen.

a) Europees kader

Het Gemeenschapsonderwijs verwijst in haar verweer naar een beslissing van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). In deze beslissing oordeelt het EHRM dat een klacht waarin wordt aangevoerd dat het kentekenverbod van het Gemeenschapsonderwijs strijdig is met de vrijheid van godsdienst (artikel 9 EVRM), kennelijk ongegrond is.[11] In haar motivering steunt het EHRM in belangrijke mate op het principe van een ruime appreciatiemarge voor de nationale instanties. 

De ’nationale appreciatiemarge’ die het EHRM hanteert, slaat op de taakverdeling tussen het nationale en het supranationale niveau, waarbij dit Europese Hof van oordeel is dat het zich in sommige omstandigheden terughoudend moet opstellen. Dit betekent dat het EHRM ruimte laat aan de nationale instanties om in de eigen context zorgvuldig de afweging te maken tussen de doelstellingen die de betwiste maatregel nastreeft en de impact van de maatregel op mensenrechten.[12] Een terughoudende opstelling van het EHRM legt de nadruk op de eerstelijnsverantwoordelijkheid van nationale rechtscolleges en quasi-gerechtelijke organen zoals de Geschillenkamer, om een zorgvuldige toetsing aan mensenrechten, zoals het discriminatieverbod, uit te voeren. 

De Geschillenkamer stelt vast dat de Europese rechtspraak haar de ruimte en de verantwoordelijkheid geeft om in de concrete context van de zaak de evenredigheid van het kentekenverbod zoals dat geldt ten aanzien van de indienster van de klacht, te beoordelen.

b) Druk op leerlingen voorkomen

Het Gemeenschapsonderwijs stelt dat een algemeen kentekenverbod op school noodzakelijk is om te vermijden dat leerlingen onder druk worden gezet door medeleerlingen om levensbeschouwelijke kentekens te dragen. De Geschillenkamer wil aannemen dat er situaties kunnen zijn waarin een dergelijke druk ontstaat, die op zichzelf een inbreuk kan betekenen op de vrijheid van godsdienstbeleving van deze leerlingen. Het louter dragen van een hoofddoek of een ander levensbeschouwelijk symbool kan echter niet op zichzelf worden beschouwd als een daad van proselitisme (bekeringsdrang).[13]  

De Geschillenkamer wil dan ook niet zonder meer aanvaarden dat een situatie van druk op leerlingen bestond in de scholen van het Gemeenschapsonderwijs in het algemeen. Dat een dergelijke situatie zou bestaan hebben in het Atheneum Dendermonde wordt door de verweerders niet beweerd, laat staan aangetoond. Zonder bewijs van het bestaan van een ernstige problematiek van een dergelijke druk op leerlingen kan niet worden aangenomen dat een algemeen verbod op levensbeschouwelijke kentekens een evenredige maatregel zou zijn om deze problematiek aan te pakken. 

Dit is te meer zo nu de ernstige impact van het verbod op de indienster van de klacht en andere leerlingen die voordien een hoofddoek droegen op school, vaststaat. In deze concrete zaak werd die impact op de zitting zeer tastbaar. De indienster van de klacht, die nog steeds leerlinge is in het Atheneum Dendermonde, getuigde met een brief die op de zitting werd voorgelezen over hoe zij het verbod ervaart als een zeer pijnlijke vorm van uitsluiting. Twee andere  leerlingen, die op de zitting aanwezig waren als vertegenwoordigsters van de indienster van de klacht, getuigden op de zitting dat ze de school hebben verlaten en nu - soms heel moeizaam - verder studeren met zelfstudie om via de Examencommissie hun diploma te behalen. Het verbod raakt deze jonge vrouwen in hun godsdienstige identiteit, in hun waardigheid, en in hun onderwijskansen.

Een ander element dat de evenredigheidsafweging beïnvloedt in het nadeel van de verweerders, is de manier waarop het kentekenverbod in het Atheneum Dendermonde is ingevoerd. Omwille van een arrest van de Raad van State van 2014[14] was deze school gedurende lange tijd een van de weinige scholen van het Gemeenschapsonderwijs waar geen kentekenverbod gold. De invoering van het verbod kwam voor de indienster van de klacht als een verrassing. De mededeling dat een verbod zou ingaan vanaf 1 september 2024 gebeurde in een mail die in de laatste dagen van juni werd verstuurd. Er was geen voorafgaand overleg met leerlingen die een hoofddoek dragen en/of hun ouders, en er waren geen overgangsmaatregelen voorzien. Er was ook geen begeleidingstraject voor de nochtans voorzienbare impact op het welzijn van deze leerlingen. De timing bemoeilijkte bovendien de zoektocht naar een andere school voor de leerlingen die niet bereid waren hun hoofddoek af te leggen.

c) Segregatie tussen scholen voorkomen

Zoals eerder gesteld, beschouwt de Geschillenkamer het als een legitiem doel om te vermijden dat leerlingen die levensbeschouwelijke kentekens willen dragen, geconcentreerd zouden worden in een klein aantal scholen, waardoor een vorm van segregatie zou ontstaan. Een cruciale factor in dit scenario is echter het feit dat de concentratie ontstaat doordat zeer veel scholen al eerder een kentekenverbod invoerden. Leerlingen die bijvoorbeeld een islamitische hoofddoek willen dragen, kunnen op de duur nog in heel weinig scholen terecht. 

De stelling van de verweerders is dus eigenlijk dat het Atheneum Dendermonde een verbod moest invoeren omdat de meeste andere scholen het ook doen, want anders ontstaat segregatie. Het zou echter onverenigbaar zijn met het opzet van mensenrechtenbescherming en van bescherming tegen discriminatie als een potentiële discriminatie gerechtvaardigd zou kunnen worden door het feit dat anderen zich in groten getale ook schuldig maken aan het gedrag dat potentieel een discriminatie uitmaakt. In deze concrete zaak weegt het doel om segregatie tussen scholen op grond van het dragen van levensbeschouwelijke kentekens te voorkomen, dan ook niet op tegen de impact van het kentekenverbod.

d) Onderwijsneutraliteit

De Geschillenkamer onderzoekt ten slotte de evenredigheid van het verbod ten aanzien van de doelstelling van de neutraliteit van het gemeenschapsonderwijs. Hierbij moet de impact van het verbod op leerlingen die een hoofddoek dragen en dus op de indienster van de klacht, afgewogen worden tegen de impact op de onderwijsneutraliteit wanneer leerlingen een hoofddoek kunnen dragen. 

Zoals eerder uiteengezet, is de Geschillenkamer van oordeel dat de impact van de invoering van het kentekenverbod op de indienster van de klacht aanzienlijk is.

Daar staat tegenover dat niet is aangetoond dat de kleding of andere levensbeschouwelijke kentekens van leerlingen een centrale rol spelen bij het bewaren van de neutraliteit van het openbaar onderwijs. In geen enkele andere overheidssector wordt het nodig geacht om de neutraliteit na te streven door aan de gebruikers van de overheidsdienst dergelijke beperkingen op te leggen. 

De Geschillenkamer meent dat de neutraliteit van het onderwijs in de eerste plaats betrekking heeft op de inhoud van het onderwijs, evenals op de houding en het discours van de school, en de uitspraken en gedragingen van het schoolpersoneel. Er worden door het Gemeenschapsonderwijs geen elementen aangebracht die aantonen dat het verbieden van levensbeschouwelijke kentekens van leerlingen een essentieel onderdeel zou zijn van de onderwijsneutraliteit. Bij het invoeren van het kentekenverbod door de Raad van het Gemeenschapsonderwijs werd de invulling ervan in verband gebracht met een aantal elementen zoals druk op leerlingen, segregatie en gendergelijkheid, die de Geschillenkamer elk afzonderlijk zorgvuldig heeft afgewogen. Bij de invoering van het kentekenverbod in het Atheneum Dendermonde werd gestreefd naar het in lijn brengen van het schoolreglement van deze school met een uniforme visie op neutraliteit, maar werd niet geargumenteerd dat de onderwijsneutraliteit in deze school voordien onvoldoende verzekerd was.

De Geschillenkamer is dan ook van oordeel dat de verweerders niet hebben aangetoond dat de door hen opgeworpen belangen opwegen tegen de aanzienlijke impact van het verbod op de indienster van de klacht.

e) Besluit

De Geschillenkamer oordeelt dat de toepassing op de indienster van de klacht van het algemeen verbod in het Atheneum Dendermonde op het dragen van godsdienstige of levensbeschouwelijke symbolen niet voldoet aan de vereiste van evenredigheid.

Er is dan ook sprake van indirecte discriminatie. Dit is intersectionele discriminatie op grond van geslacht, geloof en zogenaamd ras en nationale of etnische afstamming.

I. Opdracht tot discrimineren

Een van de verboden vormen van discriminatie in het Gelijkekansendecreet, is opdracht geven tot discrimineren. Artikel 18 Gelijkekansendecreet[15] stelt:

“Er is sprake van een opdracht tot discrimineren bij elke handelswijze die erin bestaat wie ook opdracht te geven om een persoon, een groep, een gemeenschap of een van hun leden te discrimineren op grond van een of meer van de kenmerken, vermeld in artikel 15bis.”

Het Gemeenschapsonderwijs betwist niet dat het de opdracht heeft gegeven aan het Atheneum Dendermonde om zich in lijn te stellen met het algemene beleid van het Gemeenschapsonderwijs inzake levensbeschouwelijke kentekens, door een verbod in te voeren voor leerlingen om op school levensbeschouwelijke kentekens te dragen.

De Geschillenkamer heeft vastgesteld dat het kentekenverbod in het Atheneum Dendermonde een indirecte discriminatie uitmaakt. Aangezien de school dit verbod invoerde in opdracht van de centrale organen van het Gemeenschapsonderwijs, maakt het in hoofde van het Gemeenschapsonderwijs ook een verboden opdracht tot discrimineren uit.

Oordeel van de Geschillenkamer

Om die redenen oordeelt de Geschillenkamer dat er overeenkomstig het Gelijkekansendecreet: 

  • sprake is, in hoofde van beide verweerders, van een indirecte discriminatie op grond van geslacht, geloof en zogenaamd ras en nationale of etnische afstamming;
  • sprake is, in hoofde van het Gemeenschapsonderwijs, van opdracht tot discrimineren op grond van geslacht, geloof en zogenaamd ras en nationale of etnische afstamming.

Aanbevelingen van de Geschillenkamer

Om de vastgestelde discriminaties te beëindigen, beveelt de Geschillenkamer de volgende maatregelen aan:

  • aan het Atheneum Dendermonde, om het verbod op het dragen van levensbeschouwelijke kentekens in de school in te trekken.
  • aan het Gemeenschapsonderwijs, om niet langer aan scholen opdracht te geven levensbeschouwelijke kentekens te verbieden.
Voetnoten
  1. Artikel 13, §1 en 3 en artikel 14 VMRI-decreet.
  2. Artikel 13, §1 en 3 VMRI-decreet.
  3. A. ALEN en K. MUYLLE, Compendium van het Belgisch staatsrecht, deel I, 4de ed., Mechelen, Kluwer, 2014, p. 13-14.
  4. Artikel 16, § 2, Gelijkekansendecreet.
  5. Parl.St. Vlaams Parlement, 2023-24, nr. 1937/1, 64.
  6. Art. 27bis Gelijkekansendecreet.
  7. Parl.St. Vlaams Parlement, 2023-24, nr. 1937/1, 73-74.
  8. Artikel 36, §1 Gelijkekansendecreet
  9. EHRM(Grote Kamer) 1 juli 2014, SAS t. Frankrijk, § 119.
  10. Hof van Justitie 28 november 2023, C-148/22, OP t. gemeente Ans, § 39.
  11. EHRM 9 april 2024, Mikyas e.a. t België.
  12. Dean Spielman, “Whither the Margin of Appreciation?”, UCL Current Legal Problems (CLP) Lecture, 20 maart 2014.
  13. Mensenrechtencomité Verenigde Naties 18 juni 2015, F.A. t. Frankrijk,  § 8.9.
  14. Raad van State (afdeling bestuursrechtspraak) 14 oktober 2014, nr 228.752. De Raad vernietigde het kentekenverbod dat in deze school was ingevoerd in navolging van de beslissing van de Raad van het Gemeenschapsonderwijs.
  15. Zie in dezelfde zin bijvoorbeeld Hof van Justitie 15 juli 2021, C-795/19, XX t. Tartu Vangla, §44; Hof van Justitie 14 maart 2017, C-157/15, Samira Achbita, Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding t. G4S Secure Solutions NV, §40.

Download het oordeel

Ook interessant