Overslaan en naar de inhoud gaan

Geen bewijs van discriminatie bij behandeling van klachten over beweerde discriminerende uitspraken door medecursist

info

Samenvatting oordeel

Situatie

De indiener van de klacht volgde een taalcursus bij het Centrum voor Volwassenenonderwijs Groeipunt in Gent (het CVO). In de periode van oktober 2024 tot begin december 2024 werd hij naar eigen zeggen tijdens de lessen het slachtoffer van islamofobe en racistische uitlatingen en discriminatie door een medecursist.  

De ombudsdienst van CVO Groeipunt stelde een interne onderzoeksprocedure in. Hierbij kwamen geen meldingen van ongepast gedrag of verstoringen door de medecursist naar voren. Het CVO besliste dat de lessen in januari opnieuw konden doorgaan, met nadruk op respect en naleving van het reglement. 

De indiener van de klacht bezorgde ook een klacht aan de directie Onderwijsinstellingen van de provincie Oost-Vlaanderen. Ook de klachtencoördinator van de provincie Oost-Vlaanderen besloot dat er geen objectieve bewijzen waren die de klacht van de indiener ondersteunen. 

Beoordeling door de Geschillenkamer

De Geschillenkamer komt tot de vaststelling dat, voor wat het aanbieden van de lessen betreft, het CVO niet kennelijk onredelijk heeft gehandeld. Het CVO heeft de positieve verplichting om een respectvolle klascontext te verzekeren voldoende ter harte genomen. De Geschillenkamer stelt vast dat het CVO zijn verplichtingen naar behoren heeft vervuld. Het heeft de indiener van de klacht gehoord, het principe van wederwoord gerespecteerd door ook de medecursist te horen en een onderzoek gevoerd bij andere cursisten. De klachtencoördinator van de provincie heeft op gelijkaardige wijze het woord gegeven aan de indiener van de klacht, en ook het CVO de kans gegeven zijn standpunt toe te lichten. Beide klachten werden binnen een redelijke termijn afgehandeld.

Oordeel

De Geschillenkamer kon in deze zaak geen discriminatie overeenkomstig het Gelijkekansendecreet vaststellen.

Volledig oordeel

De Geschillenkamer, samengesteld uit voorzitter Koen Lemmens, bijzitter Line Hellemans, en bijzitter Jonas Riemslagh en bijgestaan door griffier Dorien Geeroms, spreekt het volgende oordeel uit:

Procedure

De Geschillenkamer heeft de klacht ontvangen op 12 maart 2025.

De fase van het uitwisselen van standpunten en overtuigingsstukken werd afgerond op 26 september 2025.

De Geschillenkamer ontving volgende stukken:

  • het standpunt van de verweerder van 23 mei 2025
  • het antwoord van de indiener van de klacht van 27 juni 2025
  • het antwoord van verweerder van 26 september 2025.

De Geschillenkamer behandelde de zaak tijdens een hoorzitting op 5 november 2025. Beide partijen waren aanwezig. De indiener van de klacht was zelf aanwezig. De verweerder werd vertegenwoordigd door enkele personeelsleden. 

Feiten

De indiener van de klacht volgde een taalcursus bij het Centrum voor Volwassenenonderwijs Groeipunt in Gent (hierna: CVO Groeipunt of het CVO). In de periode van oktober 2024 tot begin december 2024 werd hij naar eigen zeggen tijdens de lessen het slachtoffer van islamofobe en racistische uitlatingen en discriminatie door een medecursist. 

De indiener van de klacht heeft deze incidenten zowel mondeling als schriftelijk gemeld aan zijn lesgever en later ook aan de ombudsdienst van CVO Groeipunt en de klachtencoördinator van de provincie Oost-Vlaanderen. 

De ombudsdienst van CVO Groeipunt stelde een interne onderzoeksprocedure in. Hierbij kwamen geen meldingen van ongepast gedrag of verstoringen door de medecursist naar voren. Het CVO besliste dat de lessen in januari opnieuw konden doorgaan, met nadruk op respect en naleving van het reglement. Het CVO gaf die boodschap ook mee aan de indiener van de klacht en de medecursist, in een brief van 20 december 2024. Het CVO nam geen verdere maatregelen tegen de medecursist. 

Op 21 december 2024 bezorgde de indiener van de klacht een klacht aan de directie Onderwijsinstellingen van de provincie Oost-Vlaanderen. Zowel hij als het CVO kregen de kans om hun standpunt toe te lichten en stukken in te dienen. Ook de klachtencoördinator van de provincie Oost-Vlaanderen besloot dat er geen objectieve bewijzen waren die de klacht van de indiener ondersteunen. Deze beslissing werd op 16 januari 2025 meegedeeld aan de indiener van de klacht. Hierbij stelde de klachtencoördinator van de provincie voor om een bemiddelingsgesprek tussen beide cursisten te organiseren, zodat het verdere verloop van de cursus in een aangenamere sfeer kon plaatsvinden. De indiener van de klacht is hier niet op ingegaan.

De Geschillenkamer heeft de klacht ontvangen op 12 maart 2025.

Standpunten partijen

Standpunt indiener klacht

De indiener van de klacht stelt dat hij het slachtoffer is van racisme, discriminatie en intimidatie op grond van zijn geloof en politieke overtuiging door een medecursist, die hem aanhoudend vernederd en gepest heeft tijdens een taalcursus. De medecursist spotte volgens hem ook met zijn politieke overtuiging en maatschappelijk engagement. Concreet heeft de indiener het over volgende incidenten:

  • de beltoon van een gsm spottend vergelijken met de oproep tot het islamitische gebed;
  • herhaaldelijk moslima’s die de hoofddoek dragen als onderdrukt beschrijven;
  • over het maatschappelijk engagement van de indiener van de klacht voor mensen zonder onderdak stellen dat “elke vorm van altruïsme eigenlijk een versluierde vorm van egoïsme is”;
  • ontkennen dat de indiener van de klacht regelmatig te maken kreeg met racisme in Gent;
  • voortdurend in twijfel trekken van de antwoorden van de indiener van de klacht tijdens een groepsquiz;
  • aandringen dat God niet bestaat tijdens een klassikale bespreking van een toneelstuk, waarover een katholieke medecursiste aangaf dat het stuk kon worden geïnterpreteerd als spottend met God en de indiener van de klacht stelde dat hij het met haar eens was en dat alle religies respect verdienen;
  • de indiener van de klacht in het algemeen onbeleefd behandelen.

De indiener van de klacht diende hierover een klacht in bij zowel de ombudsdienst van het CVO als de klachtencoördinator van de provincie Oost-Vlaanderen. 

Hij vindt dat zijn klacht niet correct behandeld werd door zowel de ombudsdienst van het CVO als de klachtencoördinator van de provincie Oost-Vlaanderen. Hij voert aan dat deze incorrecte klachtenbehandeling een discriminatie uitmaakt op zich, omdat zijn klacht niet serieus werd genomen omwille van zijn levensbeschouwing, politieke voorkeur, zogenaamd ras, afkomst, en nationale of etnische afstamming. Hij stelt dat hij geen zicht kreeg op het beslissingsproces en onvoldoende betrokken werd in het onderzoek. De vragen die aan zijn medecursisten werden gesteld, waren bovendien suggestief zodat de indiener van de klacht in een slecht daglicht werd gesteld, in het bijzonder wat zijn politiek activisme betreft. De lessen werden ook stopgezet naar aanleiding van zijn klacht. Verder kreeg zijn lesgever een spreekverbod opgelegd door de ombudsdiensten, hoewel zijn lesgever een bevoorrechte getuige is. Deze censuur draagt bij aan het algemene gevoel van intimidatie dat de indiener van de klacht ondergaat.

Ook de communicatie van het CVO na de behandeling van de klacht laat te wensen over volgens de indiener. Het CVO draait op subtiele wijze de rollen om door te zeggen dat het erop vertrouwt dat de indiener van de klacht samen met zijn medecursisten het lesverloop zal respecteren en door daarbij te verwijzen naar het orde- en tuchtreglement. De indiener van de klacht, die het slachtoffer is, krijgt een waarschuwing en wordt zo zelf afgedaan als de ordeverstoorder. Opnieuw ondervindt de indiener van de klacht hierdoor een gevoel van intimidatie en dat hem de mond wordt gesnoerd.

De indiener van de klacht had enkele oplossingen aangereikt: een waarschuwing voor de medecursist, overplaatsing van de medecursist naar een andere groep of definitieve uitsluiting van de medecursist, waarbij de indiener zijn lesgeld zelfs zou willen terugbetalen. Hij stelt dat al zijn diplomatische voorstellen en oplossingen geweigerd werden door de directie van het CVO, waardoor de cursus gewoon doorging na de kerstperiode en de medecursist de cursus mocht blijven bijwonen zonder enige sanctie. 

Het uitblijven van enige oplossing of verdere uitleg toont voor hem aan dat het CVO en de provincie Oost-Vlaanderen islamofobie, racisme en systematische discriminatie gewoon dulden en wegwuiven. Het gevolg voor de indiener is dat hij gedwongen wordt om verdere vernederingen en discriminaties te ondergaan. Hij lijdt bovendien aan gezondheids- en psychische klachten die verergerd werden door deze situatie, in die mate dat hij de lessenreeks niet meer kon bijwonen. Hij werd dus de facto uitgesloten van de lessenreeks, hoewel hij het volledige cursusgeld heeft betaald.

Ten slotte haalt de indiener van de klacht aan dat hij niet het eerste slachtoffer is van het beleid van CVO Groeipunt of de provincie Oost-Vlaanderen. Hij stelt dat meldingen van systematische discriminatie en racisme er niet serieus genomen worden of dat slachtoffers zo uitgeput worden door administratieve rompslomp of zo geïntimideerd worden dat ze afzien van hun klacht. Hij vermoedt dat de politieke kleur van hogerop in het apparaat van de provincie hier iets mee te maken heeft, aangezien de partijen waartoe de bekleders van hoge functies (zoals de gedeputeerde en de gouverneur) behoren, volgens hem bekend staan als onvriendelijk voor moslims en mensen met buitenlandse origine.

Standpunt indiener klacht

Eerst en vooral stelt de verweerder dat de klacht tergend en roekeloos is. Dit blijkt uit het feit dat de indiener van de klacht geen bewijs aanlevert van de incidenten die hij aanklaagt, en daarmee ook geen vermoeden van discriminatie aanvoert. Hij baseert zijn beschuldigingen van onpartijdigheid ook op de politieke partij waarbij de bestuurders van het CVO en de directie Onderwijsinstellingen zijn aangesloten. Zijn laatste standpunt bevat enkel lege beschuldigingen, waardoor de procedure onnodig lang duurt. De Geschillenkamer kan zich dus niet over deze klacht uitspreken.

De verweerder wijst er ook op dat de medecursist die van discriminerende en racistische gedragingen wordt beschuldigd, het CVO Groeipunt niet vertegenwoordigt. De indiener van de klacht maakt het niet aannemelijk dat er intimidatie vanwege de medecursist plaatsvond, aangezien de aangereikte stukken slechts eenzijdige verklaringen zijn. Bovendien vallen de uitspraken van de medecursist binnen het toepassingsgebied van de vrijheid van meningsuiting en zijn er geen bewijzen dat deze uitspraken aanzetten tot haat of discriminatie.

Over de beweerde intimidatie en ongelijke behandeling door de verweerder, stelt hij dat ook hier de indiener van de klacht onvoldoende objectieve elementen of bewijs aanhaalt om zijn aantijgingen te onderbouwen. De verweerder haalt aan dat de indiener van de klacht steeds de mogelijkheid had om problemen aan te kaarten (waarvan de indiener gebruik heeft gemaakt) en dat alle betrokkenen tijdens de behandeling van de klacht gelijk werden behandeld, door middel van een onderzoek op tegenspraak. De indiener van de klacht maakt het dan ook niet aannemelijk dat hij nadeliger behandeld werd in vergelijking met een andere cursist in een vergelijkbare situatie. Bovendien werd de klacht behandeld volgens de geldende klachtenprocedures van het CVO en de provincie.

De verweerder wijst erop dat er wel werd geprobeerd om tot een oplossing te komen. De ombudsdienst van het CVO besloot om beide cursisten terug naar de les te laten gaan, waarbij beiden werden gewezen op de waarden van het CVO en op de verwachting van respect voor de lesgevers, andere cursisten en het lesverloop. Uit het onderzoek kwam namelijk naar voren dat de indiener van de klacht de neiging had de les over te nemen, zich ongepast gedroeg, snel provoceerde en het kader rond connectie-deconnectie ten aanzien van de lesgever niet respecteerde door buiten de schooluren zeer veel en lange mails te sturen. De verweerder merkt ook op dat er aan de indiener van de klacht was voorgesteld om een herstelgesprek met de medecursist te organiseren, waarop hij niet is ingegaan hoewel de medecursist hier wel voor openstond.

De oplossingen die de indiener van de klacht voorstelde, waren bovendien niet wenselijk of haalbaar. Tijdens het schooljaar 2024-2025 was er namelijk maar één lesgroep van deze taalcursus van het niveau waarvoor de indiener van de klacht en de medecursist waren ingeschreven. Hierdoor was een overplaatsing van de medecursist naar een andere groep niet mogelijk. Maar zelfs als er wel een andere groep was geweest, waren er geen gegronde redenen voor een verandering van lesgroep voor de medecursist. Het tuchtreglement laat ook niet toe om een cursist definitief uit te sluiten, aangezien deze tuchtmaatregel alleen genomen kan worden als de cursist zich schuldig maakt aan opzettelijke beschadigingen of diefstal, of als zijn gedrag aanstootgevend is en de faam van het centrum schaadt. Dit was hier niet het geval. 

Wat de stopzetting van de lessen betreft, verduidelijkt de verweerder dat enkele lessen niet doorgingen door ziekte van de lesgever. Na de kerstvakantie heeft het CVO echter in vervanging voorzien waardoor de lessen opnieuw konden doorgaan. Er is ook geen sprake van een “spreekverbod”. Tijdens de klachtenbehandeling vraagt de ombudsdienst aan alle betrokkenen om onderling niet meer te communiceren, om de onafhankelijkheid van het onderzoek te waarborgen en verwarring te voorkomen. 

De verweerder betwist dat de klacht niet correct werd behandeld. De feiten werden objectief en onafhankelijk onderzocht binnen een redelijke termijn. Zo werden beide cursisten gehoord en werden onafhankelijke getuigen gecontacteerd, zijnde de medecursisten en een oud-lesgever van de medecursist. De verweerder verklaart daarbij dat de vertrouwelijkheid van de klacht niet in het gedrang kwam. De medecursisten werden immers bevraagd over hun ervaringen tijdens de les, zonder dat daarbij bekend werd gemaakt wie de klacht had ingediend en op wie de klacht betrekking had. Tijdens de gesprekken werd, ondanks de beweringen van de indiener van de klacht, ook niet ingegaan op wat hij beschouwt als sturende elementen, zoals zijn kledij, zijn Palestijnse keffiyeh, zijn gevoel voor humor of zijn afkeer van technologie.

De indiener van de klacht werd meermaals geïnformeerd over de behandeling van zijn klacht. De beslissingen zijn ook afdoende gemotiveerd, waardoor de indiener van de klacht kon afleiden hoe de ombudsdiensten tot hun beslissing zijn gekomen.

De verweerder concludeert dat hij zijn verplichtingen is nagekomen en correct heeft gehandeld. De uitkomst van de klacht staat los van de behandeling van de klacht zelf. Het feit dat de conclusie van de verweerder niet die is waarop de indiener van de klacht had gehoopt, betekent niet dat de klacht niet correct is behandeld.

De verweerder benadrukt ook nog dat binnen het centrum geen plaats is voor discriminerend of grensoverschrijdend gedrag. De verweerder verwacht van alle betrokkenen een respectvolle houding tegenover personeelsleden en cursisten van elke levensbeschouwelijke overtuiging.

Beoordeling door de Geschillenkamer

De Geschillenkamer moest in deze zaak: beoordelen of er sprake is van een tergende en roekeloze klacht (I), oordelen over het weren van stukken (II), en beoordelen of er sprake is van directe discriminatie op grond van politieke overtuiging, geloof of levensbeschouwing, en zogenaamd ras, afkomst, of nationale of etnische afstamming (III).

I. Tergende en roekeloze klacht

De verweerder voert aan dat de klacht tergend en roekeloos is. Op grond van artikel 13, § 3, 3° VMRI-decreet zou dat leiden tot de onontvankelijkheid van de klacht. De verweerder steunt hiervoor op het feit dat de indiener van de klacht geen bewijs aanlevert van de incidenten die hij aanklaagt, en daarmee ook geen vermoeden van discriminatie aanvoert. De indiener van de klacht zou zijn beschuldigingen van onpartijdigheid ook stoelen op de politieke partij waarbij de bestuurders van het CVO en de directie Onderwijsinstellingen zijn aangesloten. Het laatste standpunt van de indiener van de klacht bevat volgens de verweerder enkel lege beschuldigingen, waardoor de procedure onnodig lang duurt.

De Geschillenkamer kan dit verweer niet volgen. Of de indiener van de klacht de incidenten voldoende bewijst om een vermoeden van discriminatie te doen ontstaan, is een vraag die alleen beantwoord kan worden tijdens het onderzoek van de grond van de zaak. 

Bovendien gaat de klacht ook over de manier waarop de verweerder met zijn klachten is omgesprongen. Over die procedurele afhandeling hebben de partijen standpunt ingenomen en er zijn stukken voorgelegd.

De Geschillenkamer acht de klacht dan ook ontvankelijk.

II. Weren van de stukken uit de bemiddeling 

De Geschillenkamer ontvangt een klacht pas nadat een poging tot bemiddeling is doorlopen bij de afdeling Eerstelijnsdienst en Bemiddeling van het Vlaams Mensenrechteninstituut. [1] Vanwege de vertrouwelijkheid van de bemiddeling mag de Geschillenkamer niet geïnformeerd worden over wat er zich tijdens de bemiddeling heeft afgespeeld. [2]

De Geschillenkamer beslist om de stukken uit het dossier die inhoudelijk over de bemiddelingspoging gaan te weren. Dit wil zeggen dat de Geschillenkamer met stuk 18 van de Provincie (“Verslag gesprek met het Vlaams Mensenrechteninstituut”) geen rekening houdt bij haar beoordeling.  

III. Directe discriminatie op grond van politieke overtuiging, geloof of levensbeschouwing, en zogenaamd ras, afkomst, of nationale of etnische afstamming

A. Algemene beginselen

Een directe discriminatie op grond van politieke overtuiging, geloof of levensbeschouwing, en zogenaamd ras, afkomst, of nationale of etnische afstamming vindt plaats wanneer:  

  • iemand minder gunstig wordt behandeld dan iemand anders in een vergelijkbare situatie;
  • op grond van politieke overtuiging, geloof of levensbeschouwing, en zogenaamd ras, afkomst, of nationale of etnische afstamming (oorzakelijk verband);

tenzij die ongunstige behandeling objectief wordt gerechtvaardigd. Dit is het geval wanneer de ongunstige behandeling een legitiem doel nastreeft en de middelen om dit doel te bereiken passend en noodzakelijk zijn. [3] Als aan die voorwaarden is voldaan, moet ten slotte een afweging worden gemaakt tussen het nadeel voor personen met een of meer beschermde kenmerken en het belang van het nagestreefde doel. Een direct onderscheid op grond van zogenaamd ras, afkomst of etnische of nationale afstamming in het onderwijs, is niet te rechtvaardigen.

De Geschillenkamer onderzoekt bovenstaande elementen in twee stappen. De eerste stap is vervuld als de indiener van de klacht feiten kan aanvoeren die het bestaan van een discriminatie kunnen doen vermoeden. Als de indiener van de klacht een vermoeden van discriminatie kan aanvoeren, moet de verweerder vervolgens kunnen bewijzen dat er geen sprake is van een discriminatie. De verweerder kan dit bewijs leveren door het vermoeden van de indiener van de klacht te weerleggen of door de ongunstige behandeling te rechtvaardigen. [4]

Het discriminatieverbod wordt dus niet geschonden als er een rechtvaardiging is voor de ongunstige behandeling. Dat is het geval wanneer hiermee een legitiem doel wordt nagestreefd en de middelen om dit doel te bereiken passend en noodzakelijk zijn. Een direct onderscheid op grond van zogenaamd ras, afkomst of etnische of nationale afstamming in het onderwijs, is niet te rechtvaardigen. [5]

Voor de vaststelling van een discriminatie is een bewijs van opzet of enige andere specifieke drijfveer van de verweerder niet vereist. [6]

B. Toepassing

In deze zaak moet de indiener van de klacht aannemelijk maken dat er een oorzakelijk verband is tussen zijn politieke overtuiging, geloof of levensbeschouwing, en zogenaamd ras afkomst, of nationale of etnische afstamming, enerzijds, en de klachtenbehandeling en genomen maatregelen door de verweerder, anderzijds.

Die indiener van de klacht voert aan dat:

  • zijn klacht over zijn medecursist niet serieus werd genomen door het CVO en de provincie, dat zijn klacht incorrect werd behandeld en dat hij de lessen daardoor moest stopzetten;
  • dat de oorzaak hiervan zijn politieke overtuiging, geloof of levensbeschouwing, en zogenaamd ras, afkomst, en nationale of etnische afstamming is.

Er is geen schending van het discriminatieverbod als er een rechtvaardiging voor de ongunstige behandeling is. De ongunstige manier waarop het CVO en de provincie de indiener zouden behandeld hebben, kan mogelijk gerechtvaardigd zijn als er een redelijke en objectieve verantwoording voor bestaat. Dat is het geval wanneer hiermee een legitiem doel wordt nagestreefd en de middelen om dit doel te bereiken passend en noodzakelijk zijn. Ongelijke behandeling op grond van zogenaamd ras, afkomst, en nationale of etnische afstamming in het onderwijs kan niet worden gerechtvaardigd.

De Geschillenkamer merkt op dat de bron van de verklaringen en het gedrag dat de indiener van de klacht als discriminatoir en racistisch ervaart, een medecursist is. Deze cursist is geen partij in deze procedure en de indiener van de klacht heeft ook geen juridische stappen ondernomen tegen de medecursist.

De klacht waarover de Geschillenkamer zich moet uitspreken gaat dan ook over twee overlappende vragen: 

  • Heeft de verweerder voldoende gedaan om een discriminatievrije leercontext te creëren?
  • Sprong de verweerder zorgvuldig om met de klachten van de indiener van de klacht?

Het discriminatieverbod legt immers niet enkel op om af te zien van behandelingen die een discriminatie inhouden, maar brengt ook positieve verplichtingen met zich mee. Dat betekent dat voor wie goederen en diensten aanbiedt, er ook plichten bestaan om discriminatie te voorkomen, aan te pakken en, als er melding van wordt gemaakt, deze meldingen zorgvuldig te behandelen. Dat vereist een kwalitatief en objectief onderzoek van de klacht. 

In deze zaak stelt de Geschillenkamer vast dat het conflict tussen twee medecursisten in eerste instantie een zaak van klasmanagement is. Daarbij moet worden opgemerkt dat alle deelnemers volwassenen zijn en dat het vak in kwestie een conversatievak is, waarin actualiteitsonderwerpen worden besproken. Deelnemers aan de lessen kunnen dan (erg) uitgesproken meningen uiten en het zal in de eerste plaats aan de leerkracht, en vervolgens aan de instelling zijn, om het evenwicht te bewaken tussen de vrijheid van meningsuiting van de deelnemers en de verplichting om een discriminatievrije lesomgeving aan te bieden.

De Geschillenkamer is er zich van bewust dat het vinden en bewaken van dat evenwicht niet altijd eenvoudig zal zijn, zeker niet wanneer cursisten uitgesproken en sterke overtuigingen hebben.

In deze zaak heeft de indiener van de klacht aan CVO Groeipunt aangegeven zich bijzonder onprettig te voelen bij de verklaringen van een medecursist. Op 7 december 2024 diende hij daarover een klacht in bij de ombudsdienst van het CVO.

Twee dagen later, op 9 december 2024, heeft de ombudsdienst een interne procedure opgestart. In het kader van deze procedure kon de indiener van de klacht zijn stukken bezorgen. Op 17 december 2024 werd met de twee cursisten een afzonderlijk gesprek gevoerd.

De lesgever kon vanwege ziekte niet bevraagd worden. Maar alle medecursisten werden telefonisch bevraagd op 18 december 2024. Drie van hen bleken onbereikbaar en met de overige tien werd een vooraf opgestelde vragenlijst overlopen.

Aan de leraar, de indiener van de klacht en de medecursist werd gevraagd om elkaar niet meer te contacteren om de neutraliteit en de sereniteit van het onderzoek niet in het gedrang te brengen.

Op basis van de gesprekken met de indiener van de klacht, de medecursist waartegen zijn klacht gericht was en de overige beschikbare deelnemers aan de lessen, kreeg het CVO een vollediger beeld van de situatie.

Het CVO was van oordeel dat, voordat zij verdere disciplinaire stappen zou nemen, het op dat moment vlak voor de kerstvakantie kon volstaan om de cursisten te herinneren aan het belang van het naleven van het reglement van de opleiding, en om de nadruk te leggen op het wederzijds respect. Na de kerstvakantie zouden de lessen dan normaal kunnen hervatten.

Die beslissing werd op 20 december 2024 aan de indiener van de klacht meegedeeld.

Aan de suggestie van de indiener van de klacht om de beide cursisten in verschillende lesgroepen in te delen, kon geen gevolg worden gegeven omdat er kennelijk voor dit specifiek onderwijsniveau (conversatievak) maar één groep was op de campus in Gent.

Een dag later diende de indiener van de klacht ook een klacht in bij de provincie Oost-Vlaanderen. Die hoorde zowel de indiener van de klacht als het CVO. De provincie kwam daarbij tot de conclusie dat er geen objectieve bewijzen waren die de klacht ondersteunden. Deze beslissing werd aan de indiener van de klacht gecommuniceerd op 16 januari 2025. Er werd ook een bemiddelingsgesprek aangeboden aan beide cursisten met het oog op het verdere, vlotte verloop van de lessen.

De Geschillenkamer oordeelt dat het CVO en de provincie op die manier, elk voor wat hen betreft, voldoende zorgvuldig hebben gehandeld. Op het ogenblik dat het CVO kennis kreeg van de klacht, heeft het deze ernstig genomen en meteen geprobeerd een correct beeld te krijgen van de spanningen in de lesgroep, aan de hand van de getuigenissen van de direct betrokkenen en van de medecursisten. Op basis van de informatie waarover de Geschillenkamer beschikt en die vooral de beleving van de feiten door de indiener van de klacht weergeeft, was het niet onredelijk om op dat moment niet te kiezen voor escalatie van de spanningen door meteen gebruik te maken van disciplinaire sanctiemechanismen. Het CVO koos juist voor de-escalatie door het belang van respect voor elkaar en voor de schoolregels te benadrukken én door de kerstvakantie te gebruiken als een periode van relatieve rust.

In dat verband stelt de Geschillenkamer ook vast dat de provincie, die zich in een latere fase over het dossier boog, eveneens tot de vaststelling kwam dat er geen reden was om sancties te nemen. Ook op het niveau van de provincie is benadrukt dat de cursisten met elkaar in gesprek zouden kunnen gaan om de sfeer te verbeteren. De provinciale klachtencoördinator stelde een bemiddelingsgesprek voor. De beslissingen van de provincie werd op 16 januari 2025 aan de indiener van de klacht meegedeeld.

De Geschillenkamer komt dan ook tot de vaststelling dat, voor wat het aanbieden van de lessen betreft, de verweerder niet kennelijk onredelijk heeft gehandeld. Het CVO heeft de positieve verplichtingen om een respectvolle klascontext te verzekeren voldoende ter harte genomen. Meer bepaald stelt de Geschillenkamer vast dat het CVO zijn verplichtingen naar behoren heeft vervuld. Hij heeft de indiener van de klacht gehoord, het principe van wederwoord gerespecteerd door ook de medecursist te horen, en een onderzoek gevoerd bij andere cursisten. De klachtencoördinator van de provincie heeft op een analoge wijze het woord gegeven aan de indiener van de klacht, en ook het CVO de kans gegeven diens standpunt toe te lichten. Beide klachten werden binnen een redelijke termijn afgehandeld.

Bijgevolg is de Geschillenkamer van oordeel dat, aangezien de verweerder correct is omgesprongen met de klachten, er geen vermoeden van directe discriminatie kan ontstaan. De indiener van de klacht heeft niet voldoende kunnen aantonen dat er sprake zou zijn van een ongunstige behandeling door de verweerder. Er kan dan ook geen discriminatie worden vastgesteld.

Oordeel van de Geschillenkamer

Om die redenen oordeelt de Geschillenkamer: 

  • dat de klacht ontvankelijk is;
  • dat er geen discriminatie overeenkomstig het Gelijkekansendecreet kan worden vastgesteld. De klacht is ongegrond.
Voetnoten
  1. Art. 13, § 5 VMRI-decreet.
  2. Art. 13, § 4 VMRI-decreet
  3. Artikel 16, §1 Gelijkekansendecreet.
  4. Artikel 36, §1 Gelijkekansendecreet.  
  5. Artikel 24, §1 juncto artikel 20, eerste lid, 5° Gelijkekansendecreet.
  6. Artikel 36, §4, Gelijkekansendecreet.

Download het oordeel

Ook interessant