Overslaan en naar de inhoud gaan

Geen discriminatie, intimidatie of represailles vastgesteld in de jeugdwerking van Voetbalclub Beerschot

info

Samenvatting oordeel

Situatie 

De indieners van de klacht treden op als vertegenwoordiger van hun minderjarige zoon. Die speelde op het moment van hun klacht in het provinciaal niveau van de jeugdwerking van voetbalclub Beerschot, de verweerder in deze zaak. De jeugdacademie van Beerschot heeft een provinciaal en een elite-niveau. Het elite-niveau is het hoogste niveau voor jeugdspelers van profclubs en staat enkel open voor de spelers die tijdens testtrainingen het meest getalenteerd bleken. Het provinciaal niveau staat op een lager niveau in de competitie en stelt minder hoge eisen aan de spelers. 

De zoon van de indieners van de klacht werd, na testtrainingen voor het elite-niveau, niet geselecteerd. Volgens de indieners van de klacht werd hun zoon daarbij gediscrimineerd omwille van zijn Marokkaanse afkomst en zijn gezondheidstoestand. Zij menen ook dat sprake is van discriminatie op grond van zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, of nationale of etnische afstamming en van discriminatie op grond van vermogen en sociale positie binnen de jeugdwerking van Beerschot. Ten slotte is de jeugdwerking volgens hen niet inclusief en zou de club represailles nemen tegen (kinderen van) kritische ouders. Beerschot betwist dat er sprake is van discriminatie of represailles. 

Beoordeling door de Geschillenkamer

De Geschillenkamer onderzocht in deze zaak of er sprake was van een discriminatie op grond van zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, of nationale of etnische afstamming, op grond van vermogen en sociale positie of op grond van gezondheidstoestand. Ze onderzocht daarnaast of er sprake is van intimidatie of represailles in de zin van het Gelijkekansendecreet. 

Discriminatie bij de doorstroming van het provinciaal niveau naar het elite-niveau

De Geschillenkamer heeft vastgesteld dat de indieners van de klacht geen discriminatie op grond van zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, of nationale of etnische afstamming aannemelijk hebben gemaakt. De indieners brengen geen elementen aan die hun verklaring over een dergelijke discriminatie door opdeling in groepjes in het provinciaal niveau onderbouwen. Zij maken ook niet aannemelijk dat hun zoon bij de selectiemomenten gediscrimineerd werd op grond van zijn Marokkaanse afkomst. Uit de cijfers die Beerschot heeft aangeleverd over de samenstelling van de ploegen op elite-niveau en uit de doorstroming van het provinciaal niveau naar het elite-niveau blijkt ook geen patroon van benadeling van spelers met een Marokkaanse afkomst. In de verschillende ploegen op het elite-niveau hebben 25% tot 50% van de spelers een Marokkaanse afkomst. Van de vierentwintig spelers die tussen 2020 en 2025 doorstroomden van het provinciaal niveau naar het elite-niveau hebben er negen een Marokkaanse afkomst. De Geschillenkamer oordeelt daarom dat er geen directe discriminatie op grond van zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, of nationale of etnische afstamming kan worden vastgesteld. 

De indieners van de klacht stelden ook dat er een discriminatie op grond van vermogen of sociale positie is omdat Beerschot een situatie zou creëren waarbij ouders van spelers op het provinciaal niveau vaak meer investeren in bijkomende opleiding en ondersteuning buiten de club. Aangezien de indieners van de klacht hun verklaring hierover niet verder onderbouwd hebben, kan geen discriminatie op grond van vermogen of sociale positie worden vastgesteld. 

Volgens de indieners van de klacht was er ten slotte sprake van een indirecte discriminatie op grond van gezondheidstoestand doordat Beerschot bij de selectiemomenten geen rekening had gehouden met de ziekte van Sever waar hun zoon op dat moment last van had. De Geschillenkamer kan op basis van het dossier niet vaststellen welke impact de fysieke klachten van de jongen had tijdens het evaluatiemoment in 2024. De indieners van de klacht maken verder niet aannemelijk dat er een discriminatie op grond van gezondheidstoestand plaatsvond. 

Intimidatie en represailles

Volgens de indieners van de klacht bleek uit verschillende incidenten en uit tekortkomingen op vlak van de aanspreekpunten integriteit van Beerschot dat de clubcultuur van Beerschot niet inclusief en veilig is. De Geschillenkamer heeft elk van de voorgelegde elementen onderzocht en vastgesteld dat het geheel van de aangevoerde elementen geen intimidatie op grond van beschermde kenmerken in de jeugdwerking van Beerschot overeenkomstig het Gelijkekansendecreet aannemelijk maakt.

Het Gelijkekansendecreet verbiedt nadelige maatregelen of (zogenaamde represailles) tegen wie een discriminatie meldt of een discriminatieklacht indient. Van represailles in de zin van het Gelijkekansendecreet kan enkel sprake zijn nadat een klacht over discriminatie is ingediend. Uit het dossier blijkt niet dat Beerschot nadelige maatregelen heeft getroffen na een discriminatieklacht. 

Oordeel

De Geschillenkamer oordeelt dat er geen discriminatie op grond van zogenaamd ras huidskleur, afkomst, of nationale of etnische afstamming, op grond van vermogen of op grond van gezondheidstoestand en geen intimidatie en represailles in de zin van het Gelijkekansendecreet kan worden vastgesteld. 

Volledig oordeel

De Geschillenkamer, samengesteld uit voorzitter Eva Brems, bijzitter Jelle Flo en bijzitter Marie Spinoy, en bijgestaan door griffier Dorien Geeroms, spreekt het volgende oordeel uit:

Procedure

De Geschillenkamer heeft de klacht ontvangen op 6 februari 2025. 

De fase van het uitwisselen van standpunten en overtuigingsstukken werd afgerond op 7 november 2026. De Geschillenkamer ontving volgende stukken:   

  • het standpunt van de verweerder van 28 maart 2025
  • het antwoord van de indiener van de klacht van 29 april 2025
  • het antwoord van de verweerder van 3 juni 2025. 

De Geschillenkamer behandelde de zaak tijdens een hoorzitting op 25 juni 2025. De indieners waren beiden aanwezig. De verweerder werd vertegenwoordigd door een personeelslid en door advocaat C. Vanhoof. 

Tijdens de hoorzitting legden de indieners van de klacht nieuwe stukken neer. De Geschillenkamer heeft deze stukken aanvaard en, om het recht op tegenspraak te garanderen, aanvullende termijnen vastgelegd om de verweerder hierop te laten reageren. Daarnaast heeft de Geschillenkamer over een aantal aspecten bijkomende informatie opgevraagd bij beide partijen overeenkomstig artikel 19 van het Procedurebesluit. 

De volgende aanvullende stukken werden bezorgd: 

  • het standpunt van de verweerder van 17 september 2025
  • het antwoord van de indieners van de klacht van 2 oktober 2025
  • het antwoord van de verweerder van 7 november 2025.

Een klacht wordt pas doorgestuurd naar de Geschillenkamer nadat een (poging tot) bemiddeling is doorlopen bij de afdeling Eerstelijnsdienst en Bemiddeling van het Vlaams Mensenrechteninstituut.[1] Omwille van de vertrouwelijkheid van de bemiddeling mag de Geschillenkamer niet geïnformeerd worden over wat er zich tijdens de bemiddeling heeft afgespeeld.[2] 

De Geschillenkamer beslist om een passage uit het tweede en derde standpunt van de indieners van de klacht (op pagina’s 2 en 3) te weren omdat deze passage inhoudelijk over de bemiddelingspoging gaat. Dit wil zeggen dat de Geschillenkamer met deze passage geen rekening houdt bij haar beoordeling. 

Beerschot vraagt zeven stukken te weren uit het dossier om verschillende redenen. Beerschot stelt, vooreerst, dat deze stukken laattijdig ingediend zijn en om die reden geweerd moeten worden. Daarnaast stelt Beerschot dat het voor hem niet mogelijk was de vertrouwelijke stukken te komen inkijken op het Secretariaat van de Geschillenkamer. Tot slot stelt Beerschot dat de Geschillenkamer geen rekening mag houden met deze stukken aangezien het gaat over irrelevant en onbetrouwbaar bewijs.

Na afloop van de hoorzitting heeft de Geschillenkamer aan beide partijen gevraagd om bijkomende informatie en overtuigingsstukken te bezorgen en daarvoor termijnen vastgesteld, met toepassing van artikel 19 van haar Procedurebesluit. Beide partijen hebben de gelegenheid gekregen om standpunt in te nemen en tegenspraak te voeren over de stukken van de andere partij. Beerschot - dat in deze procedure werd bijgestaan en vertegenwoordigd door een advocaat - heeft daarbij twee maanden en twee weken de gelegenheid gekregen om de vertrouwelijke stukken te komen inkijken. Op 21 oktober 2026 is een medewerker van Beerschot deze stukken komen inkijken. In die omstandigheden dienen de stukken niet uit de debatten worden geweerd omdat de rechten van verdediging zouden zijn geschonden, of omdat de stukken laattijdig zouden zijn neergelegd geweest. De relevantie en betrouwbaarheid van de stukken komen aan bod bij de beoordeling ten gronde. 

Feiten

De indieners van de klacht treden op als vertegenwoordiger van hun minderjarige zoon. Die speelde op het moment van hun klacht in het provinciaal niveau (U9) van de jeugdwerking van voetbalclub Beerschot, de verweerder in deze zaak. De jongen speelde daar al sinds voetbalseizoen 2020-2021 (van U6 tot U9). De jeugdacademie van Beerschot heeft een provinciaal en een elite-niveau. Het elite-niveau is het hoogste niveau voor jeugdspelers van profclubs en staat enkel open voor de spelers die tijdens testtrainingen het meest getalenteerd bleken. Het provinciaal niveau staat op een lager niveau in de competitie en stelt minder hoge eisen aan de spelers. Tussen elite-niveau en provinciaal niveau zit nog een niveau, namelijk het interprovinciaal niveau. 

De zoon van de indieners van de klacht werd in maart 2024 uitgenodigd om deel te nemen aan drie testtrainingen voor het elite-niveau. Na deze trainingen besloot de evaluatiecommissie van Beerschot dat de jongen niet kon doorstromen naar het elite-niveau. Volgens de indieners van de klacht was er bij die beslissing sprake van discriminatie van hun zoon omwille van zijn Marokkaanse afkomst. Zij menen ook dat er structurele discriminatie is binnen de jeugdwerking van de club.

De Geschillenkamer heeft de klacht ontvangen op 6 februari 2025.

Standpunten partijen

Standpunt indieners klacht

Volgens de indieners van de klacht is er ten eerste sprake van discriminatie bij de doorstroom van het provinciaal niveau naar het elite-niveau op grond van zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, of nationale of etnische afstamming (hierna: ‘raciale en etnische kenmerken’). Ze stellen dat het gaat om een structurele discriminatie, die ook hun zoon getroffen heeft. 

De indieners van de klacht stellen dat hun zoon en andere kinderen omwille van hun raciale en etnische kenmerken minder kansen kregen om hun potentieel te ontwikkelen in de jeugdwerking op provinciaal niveau dan witte kinderen. Toen hun zoon begon te voetballen in de jeugdwerking (in U6) van Beerschot stak hij volgens hen duidelijk uit boven de andere spelers. Al in het tweede jaar dat hij er voetbalde (in U7) werden de spelers opgedeeld in twee groepjes. De kleinere groep werd volgens hen duidelijk voorbereid op het elite-niveau en bestond duidelijk uit meer witte kinderen. Deze groep kreeg meer en betere training. Hun zoon en andere kinderen met een migratieachtergrond zaten in de andere groep terwijl hun zoon een betere speler was dan sommige kinderen in de kleinere groep. Op dit moment werd volgens de indieners al een onderscheid gemaakt op basis van raciale en etnische kenmerken. In diezelfde periode (januari 2021-mei 2021) werd hun zoon uitgenodigd op bijkomende elite-trainingen, wat na mei 2021 weer ophield. Volgens de indieners van de klacht was er een opzettelijk gebrek aan (correcte) communicatie over het belang van de opdeling in groepjes en de bijkomende trainingen. 

De uitnodiging voor de testtrainingen voor het elite-niveau voor hun zoon en een andere jongen met een vergelijkbare achtergrond kwam laattijdig en leek enkel voor de schijn. Volgens de indieners had Beerschot toen al haar selectie voor het elite-niveau gemaakt. De evaluatie van hun zoon en de andere jongen leek ook niet correct, zeker omdat de ouders positieve signalen kregen tijdens de testtrainingen. Uit het evaluatieverslag blijkt geen unaniem oordeel. Verschillende van de evaluatoren zouden erom bekendstaan geen interesse te hebben in spelers van het provinciaal niveau of met migratieachtergrond. Niet alle aanwezige trainers komen aan bod in het evaluatieverslag. De kritiek op hun zoon komt ten slotte niet overeen met zijn eerdere evaluaties. Ook stellen de indieners dat er vriendjespolitiek is bij de beoordeling. 

Volgens de indieners van de klacht komen er naar verhouding veel minder kinderen met een migratie-achtergrond voor in het elite-niveau dan in het provinciaal niveau en is er bijna geen doorstroom vanuit het provinciaal niveau naar elite-niveau. Vanuit intersectioneel perspectief valt volgens hen op dat vooral jongens met een Marokkaanse achtergrond disproportioneel gemarginaliseerd worden in verhouding tot hun aanwezigheid in de buurt en in voetbalclub Beerschot. Ze zien hierin een beleid van maximaal twee spelers met Marokkaanse roots per ploeg op elite-niveau. 

De cijfers over spelers met een migratieachtergrond op elite-niveau zeggen niets over de reële kansen die spelers uit het provinciaal niveau binnen de eigen jeugdwerking van Beerschot krijgen om door te stromen naar het elite-niveau. De paar jongens met een migratie-achtergrond in het elite-niveau zijn “Messi’s” die Beerschot nodig heeft om te winnen en vormen “window dressing” tegen een schijn van discriminatie. De meeste van deze spelers werden extern aangetrokken en vertrekken na korte tijd. Volgens de indieners van de klacht zijn ook veel van de trainers met Marokkaanse roots ontevreden over Beerschot. Ze benadrukken daarnaast dat structurele discriminatie kan blijven bestaan in organisaties met diverse medewerkers. Ze verwijzen ten slotte naar een gesprek dat ze hadden met één van de coördinatoren met Marokkaanse roots. De man heeft bevestigd dat Beerschot de werking op het provinciaal niveau niet ernstig neemt en dat er een beperking geldt op het aantal spelers met Marokkaanse roots.

Beerschot verwijst naar eigen spelers die een kans zouden hebben gekregen bij het elite-niveau maar volgens de indieners is geen van hen uiteindelijk doorgestroomd naar dat elite-niveau. Veel van deze spelers stromen wel door naar het elite-niveau van andere clubs. Volgens de indieners is er sprake van een patroon waarbij deze jongens vooral een Marokkaanse of moslimachtergrond hebben. Uit de cijfers van Beerschot blijkt dat in de afgelopen vijf jaar slechts vierentwintig spelers met een migratieachtergrond doorgestroomd zijn van het provinciaal niveau naar het elite-niveau, wat volgens de indieners van de klacht erg weinig is aangezien er op het provinciaal niveau honderden spelers zijn. Van die vierentwintig spelers zijn er slechts negen van Marokkaanse afkomst. Vier van deze negen spelers zijn intussen niet meer actief bij Beerschot.   

De indieners erkennen dat er zeker sinds de aanstelling van de huidige academy manager in 2020 inspanningen gedaan worden om spelers met een migratieachtergrond kansen te bieden binnen Beerschot. Deze verandering verloopt echter moeizaam. De indieners wijzen ten slotte op recent academisch onderzoek naar racisme en structurele discriminatie in het jeugdvoetbal dat herhaaldelijk aantoont dat etnisch-raciale discriminatie zich niet enkel manifesteert in openlijke discriminatie, maar ook in subtiele, systemische patronen. Bij een bevraging uit 2021 bleek dat 37% van de bevraagde jeugdspelers discriminatie ervoer. 

De indieners van de klacht voeren twee verdere discriminaties bij de doorstroom aan. De indieners van de klacht stellen ten eerste dat er een ongelijkheid is doordat het lidgeld voor het provinciaal niveau en het elite-niveau bijna hetzelfde is maar de opleiding en ondersteuning in het elite-niveau beter en uitgebreider zijn. Er is volgens hen ook sprake van een sociale ongelijkheid. Beerschot creëert immers een situatie waarin ouders van spelers in het provinciaal niveau vaak meer uitgeven aan privéacademies en externe begeleiding om de minder goede werking te compenseren. De toegang tot ondersteuning buiten de werking van Beerschot is veel moeilijker voor kinderen uit minder kapitaalkrachtige gezinnen. De kinderen in het elite-niveau komen ten slotte duidelijk uit veel vermogender gezinnen. 

Ten tweede heeft de club er volgens hen bij de evaluatie van hun zoon ten onrechte geen rekening mee gehouden dat hun zoon op dat ogenblik kampte met de ziekte van Sever, een aandoening met pijnklachten ter hoogte van de hiel, vaak als gevolg van een overbelasting. De ouders hadden Beerschot daarvan nochtans op de hoogte gebracht. Beerschot stelde dat hij wat raar liep, zonder er rekening mee te houden dat dat aan zijn fysieke klachten lag. Een trainer heeft volgens hen bevestigd dat daarmee geen rekening was gehouden. 

Volgens de indieners van de klacht is er verder binnen Beerschot een duidelijke cultuur waarin betrokken of kritische ouders als lastig worden ervaren en past Beerschot represailles toe in die situaties. De kinderen van mondige of kritische ouders krijgen minder gunstige beoordelingen. Beerschot communiceert naar die ouders op een dreigende manier en geeft geen gevolg aan voorstellen van ouders om de doorstroom te faciliteren. Ze spreekt de ouders aan met ‘allochtonen’, bijvoorbeeld in een dreigende mail over een wafelverkoop voor Beerschot, ook al is er al meermaals op gewezen dat dit woord onjuist is en stigmatiserend werkt. In juni 2023 wilde Beerschot hun zoon en een andere jongen om een akkefietje uit de club zetten. Ze hebben zich daar toen tegen verzet. Bij de start van het daaropvolgende seizoen was hun zoon in de B-ploeg geplaatst terwijl hij daarvoor altijd in de A-ploeg zat. Volgens de indieners van de klacht ging het dan ook om een strafmaatregel. Ze vermoeden daarnaast dat Beerschot hen als lastige ouders heeft afgeschilderd bij andere clubs waardoor hun zoon daar ook wordt uitgesloten. 

Ze stellen ook dat Beerschot onvoldoende doet voor een inclusieve en veilige jeugdwerking. Zo heeft Beerschot pas laattijdig een aanspreekpunt integriteit (API) aangesteld, dat eerst enkel op het algemeen mailadres van de club te bereiken was. Het blijft volgens hen moeilijk de contactgegevens van de API’s van Beerschot te vinden. Bovendien stellen ze dat de API’s niet neutraal en bekwaam zijn. Er is sprake van belangenconflicten en bij één van hen van discriminerende uitspraken. De indieners van de klacht stellen ook dat de academy manager volgens hen niet op de hoogte zou zijn van het bestaan van de kinderrechten en het Kinderrechtencommissariaat. 

De indieners van de klacht willen nog wijzen op de bredere context: Beerschot heeft volgens hen nauwe banden met politieke figuren en stromingen die bekend staan om een raciaal polariserend discours. De institutionele banden blijken ook uit vier artikels van een onderzoeksjournalist. Een trainer heeft flyers van een dergelijke partij uitgedeeld aan de spelers en de dozen met propagandamateriaal daarvoor stonden in de lokalen van Beerschot. Beerschot treedt daar niet tegen op en normaliseert een klimaat waarin racisme wordt gebanaliseerd en geïnstitutionaliseerde uitsluiting versterkt. De Iftar die Beerschot had georganiseerd, lijkt geen oprechte stap richting inclusie. 

De indieners van de klacht brengen ter ondersteuning van hun klacht verschillende getuigenverklaringen aan van ouders en grootouders van spelers en verwijzen naar verdere verklaringen in een niet-gepubliceerd artikel. Die verklaringen zijn anoniem omdat er volgens hen sprake is van een reëel risico op represailles. 

Standpunt verweerder

Beerschot benadrukt ten eerste dat de Geschillenkamer enkel bevoegd is zich uit te spreken over discriminatie op basis van een beschermd kenmerk. De aangevoerde financiële druk op ouders en de zogenaamde dreiging en intimidatie bij transfers naar andere clubs staan los van discriminatie. Ook de aspecten van de klacht over een mogelijke schending van kinderrechten en aangevoerde “medische en verzekeringstechnische inbreuken” gaan niet over een mogelijke discriminatie. De vermeende represailles worden evenmin gelinkt aan een beschermd criterium. De indieners proberen volgens Beerschot de klacht te misbruiken om het algemeen beleid en de clubcultuur aan te klagen. De Geschillenkamer is daarvoor niet bevoegd.

Beerschot stelt dat er geen sprake is van structurele discriminatie binnen de werking. Alle spelers, ongeacht hun achtergrond, kunnen deelnemen aan de jeugdwerking van Beerschot, op verschillende niveaus in functie van hun talent en ontwikkeling. De criteria voor doorstroming zijn gebaseerd op de individuele kwaliteiten van de spelers. Beerschot betwist dat daarbij sprake zou zijn van (systematische) discriminatie op grond van de nationale of etnische afstamming, huidskleur en/of zogenaamd ras. De aangevoerde discriminatie wordt niet gestaafd door objectieve bewijzen. 

Beerschot wijst erop dat het provinciaal niveau en het elite-niveau een zeer verschillend niveau hebben. Er bestaat ook een interprovinciaal niveau dat qua niveau tussen deze categorieën ligt, maar dat profclubs zoals Beerschot niet mogen aanbieden. Om die reden is de overstap van het provinciaal niveau naar het elite-niveau zeer uitdagend, niet omdat een discriminerend beleid zou worden gevoerd. Een verschil in doorstroming is een logisch gevolg van het competitieve karakter van de sport. Het klopt niet dat spelers uit het provinciaal niveau systematisch geen kans krijgen om door te stromen. Elk seizoen zijn er spelers die doorstromen van het provinciaal niveau naar het elite-niveau bij Beerschot. In vijf jaar tijd (2020-2025) zijn vierentwintig spelers doorgestroomd, een representatief cijfer voor de verhouding tussen beide niveaus. Dat percentage ligt in lijn met het provinciale gemiddelde en is zelfs iets hoger dan bij gelijkaardige clubs. Verschillende ex-provinciale spelers komen daarnaast later opnieuw in beeld via andere kanalen (privé-academies, externe stages), wat volgens Beerschot aantoont dat het potentieel talent blijvend monitort. Dat sommige spelers later bij andere clubs terechtkomen, bevestigt niet dat er discriminatie is. In jeugdvoetbal is mobiliteit de norm. In de meeste aangehaalde voorbeelden gaat het bovendien om ploegen met een aanzienlijk lager sportief en pedagogisch niveau.  De indieners van de klacht proberen de klacht te verschuiven naar de hypothetische vraag ‘wie misschien talent had maar geen kans kreeg’. De club kan echter enkel beoordelen op basis van wat feitelijk en controleerbaar is. In de enige concrete situatie in het dossier, die van de zoon van de indieners van de klacht, is geen enkele aanwijzing van discriminatie. 

Er worden daarnaast wel degelijk spelers uit het provinciaal niveau uitgenodigd op testmomenten voor de doorstroom. Niet elke kandidaat stroomt daarna door, maar deze selectie gebeurt op basis van objectieve factoren zoals technische vaardigheden, motorische ontwikkeling, spelinzicht, inzet en fysieke paraatheid. Elke uitgenodigde speler, ook de zoon van de indieners van de klacht, krijgt een eerlijke kans om zich te tonen. Beerschot betwist dat bij deze selectie sprake zou zijn van vriendjespolitiek of financiële beïnvloeding. Elke speler krijgt een evaluatie door minstens vijf verschillende trainers om een zo objectief mogelijk totaalbeeld van de speler te vormen. Ook de zoon van de indieners van de klacht was in maart 2024 uitgenodigd voor een reeks testtrainingen. De verschillende trainers vonden de jongen toen, op basis van de objectieve evaluatiecriteria, niet voldoende sterk om hem te laten doorstromen naar het elite-niveau bij Beerschot. Niet elke trainer woonde elke sessie bij, maar de uiteindelijke beslissing is genomen op basis van consensus onder de trainers. Dat bepaalde trainers “positief” waren in feedback aan de ouders, betekent niet dat het totaalbeeld voldoende was voor selectie. 

Ook uit de cijfers over de samenstelling van teams op het elite-niveau die Beerschot heeft aangeleverd, blijkt dat er geen structurele discriminatie op grond van afkomst of huidskleur is. In de teams vanaf U7 heeft 59% van de spelers een migratieachtergrond. Dit percentage ligt in lijn met het demografisch profiel van de stad Antwerpen en weerspiegelt dus de stedelijke diversiteit. Omdat de indieners van de klacht het ook over uitsluiting van specifiek spelers met Marokkaanse roots hebben, heeft de club bijkomend gekeken hoeveel spelers in het elite-niveau een Marokkaanse achtergrond hebben. Deze groep is in meerdere leeftijdscategorieën sterk vertegenwoordigd, vaak tussen 30 en 50% van het aantal spelers. Zo telt de U8-ploeg 6 op 12 spelers met Marokkaanse roots (50%), de U9 6 op 15 (40%), de U11 7 op 20 (35%) en de U13 zelfs 9 op 21 (43%). In geen enkele ploeg ligt het aandeel lager dan 25%. Het gaat om objectieve, controleerbare data uit het officiële spelersregister. Deze cijfers weerleggen duidelijk het gerucht dat Beerschot het aantal spelers met Marokkaanse roots per ploeg zou beperken. Wanneer men naar de bredere groep spelers met een Noord-Afrikaanse of andere migratieachtergrond kijkt, ligt het aantal spelers bovendien aanzienlijk hoger. De indieners van de klacht hebben het over “Messi’s” in het elite-niveau die tegelijk “window dressing” van Beerschot zouden vormen om discriminatie te verdoezelen, wat tegenstrijdig is. Bovendien gaat het steeds om de selectie van jongens met wel degelijk grote kwaliteiten op basis van objectieve criteria. 

Daarnaast heeft meer dan de helft van de trainers een migratieachtergrond. Deze mensen hebben vaak dezelfde maatschappelijke barrières ervaren en zetten zich met overtuiging in voor gelijke kansen binnen het jeugdvoetbal. Deze trainers vormen mee het gezicht van de jeugdwerking en zijn dagelijks betrokken bij de sportieve beslissingen die hier betwist worden. De verwijzing van de indieners van de klacht naar “ontevreden trainers met Marokkaanse roots” is niet verifieerbaar. Beerschot voegt zelf getuigenverklaringen bij van trainers met Marokkaanse roots die hun ervaringen delen. 

Beerschot betwist de waarde van academisch onderzoek over discriminatie in het Belgische jeugdvoetbal niet. Het onderzoek waarnaar de indieners van de klacht verwijzen, wijst echter geen individuele clubs aan en kan dan ook niet de plaats innemen van concreet bewijs dat één specifieke club structureel discrimineert. Hetzelfde geldt voor algemene beschouwingen over structureel racisme en incidenten in het Antwerpse jeugdvoetbal bij andere clubs. Het is ook misleidend in deze context te verwijzen naar politieke figuren of gebeurtenissen buiten de jeugdwerking. Beerschot heeft de voorbije jaren juist intensief geïnvesteerd in inclusie, buurtwerking en diversiteit. 

Beerschot benadrukt daarnaast dat hij één van de weinige Belgische profclubs is die nog voetbal op provinciaal niveau aanbiedt. Beerschot doet dat net zodat jongens uit de buurt de kans krijgen om op dat niveau te kunnen meespelen. Het percentage van spelers met een andere afkomst ligt bij het provinciaal niveau inderdaad veel hoger dan bij het elite-niveau. De werking van het provinciaal niveau richt zich vooral op spelers uit de directe omgeving van het Kiel, een heel diverse buurt. De werking van het elite-niveau rekruteert over een veel groter geografisch gebied, inclusief minder diverse regio’s. 

Beerschot stelt verder dat hij geen onderscheid maakt op basis van sociaaleconomische achtergrond en dat er geen bewijs is van een dergelijk onderscheid. Verschillen in kostprijs tussen het elite-niveau en het provinciaal niveau zijn functioneel, transparant en gebaseerd op sportieve structuurverschillen. Zoals de indieners van de klacht zelf aangeven, is het verschil in inschrijvingsgeld tussen het elite-niveau en het provinciaal niveau beperkt. Als ouders daarnaast extra kosten maken voor externe voetbalacademies, is dat hun eigen keuze. 

Beerschot stelt dat intern inderdaad was doorgegeven dat de zoon van de indieners van de klacht tijdens zijn evaluatie last had van de ziekte van Sever. Het sportieve team maakte echter de inschatting dat de impact daarvan slechts een beperkte impact had op zijn prestaties. Ook bij tijdelijke klachten blijft de beoordeling van bewegingspatronen (zoals “loopstijl” of “lichaamsgebruik”) relevant, tenzij deze klachten het functioneren ernstig belemmeren. Beerschot benadrukt daarnaast dat er geen sprake is van een structurele ongelijkheid in de toegang tot medische zorg bij de jeugdwerking. Er is een medische cel die toegankelijk is voor elke speler, afgestemd op belasting en noodzaak. Beerschot heeft de medische situatie van de jongen opgevolgd zoals vereist.   

Beerschot erkent dat er in het verleden soms communicatieproblemen met ouders geweest zijn, maar wijst erop dat deze proactief zijn opgelost. De verantwoordelijke voor de mail over de wafelverkoop is daarop aangesproken en werkt intussen niet meer bij Beerschot. Het ging om een eenvoudig misverstand dat toen onmiddellijk verduidelijkt is in een whatsapp-groep met de betrokken ouders. Beerschot erkent ook dat het begrip ‘allochtoon’ vandaag niet meer wordt gebruikt en engageert zich ertoe in toekomstige communicatie alleen correcte, inclusieve en hedendaagse termen te hanteren. De indieners van de klacht geven geen enkel bewijs voor de beweerde represailles en verbinden dit aspect ook niet met een of meerdere beschermde kenmerken. Beerschot heeft geen enkele vorm van “strafmaatregel” toegepast maar enkel gehandeld op basis van louter sportieve overwegingen. Beerschot heeft bovendien geen enkel contact gehad met andere clubs over hun spelersselectie. Ook een aangehaalde podcastaflevering onderbouwt de stellingen van de indieners van de klacht niet. 

De club streeft een open en inclusieve omgeving na, zoals ook bleek uit de recent georganiseerde Iftar binnen Beerschot. De pogingen van de indieners van de klacht om personen binnen Beerschot te overtuigen zijn klacht te ondersteunen, zorgen net voor polarisatie binnen Beerschot en druk voor de personen die de indiener heeft aangesproken. Volgens Beerschot valt ook op dat de indieners van de klacht aan elke handeling van Beerschot systematisch de meest negatieve interpretatie toekennen en in elke daad van inclusie een kwade intentie zien. 

Beerschot erkent dat het beleid rond het Aanspreekpunt Integriteit (API) in het verleden onduidelijk was. Sinds 2023-2024 is er echter structureel werk gemaakt van een hernieuwd integriteitsbeleid, dat ook gepubliceerd is op de website van Beerschot. Beerschot heeft ingezet op een laagdrempelig en onafhankelijk aanspreekpunt. De API’s zijn makkelijk terug te vinden op de website. Alle ouders kregen bovendien een gerichte e-mail hierover en de contactgegevens zijn op verschillende manieren zichtbaar gemaakt in de lokalen van de jeugdwerking. De API’s zijn bekwaam, worden professioneel ondersteund en krijgen permanente vorming. De persoonlijke aanvallen van de indieners van de klacht op de API’s berusten niet op feiten. Over de API die volgens de indieners zou discrimineren, is nooit enig incident gemeld of enige klacht gekomen in de context van Beerschot.

Ten slotte benadrukt Beerschot dat het onmogelijk is om de anonieme getuigenverklaringen te verifiëren of te toetsen op betrouwbaarheid, eventuele manipulatie of persoonlijke motieven of vijandigheid van de getuigen. De verklaringen missen dan ook de transparantie die essentieel is voor het rechtsproces en schenden het recht op een eerlijke verdediging van Beerschot. De verklaringen kunnen dan ook niet als betrouwbaar bewijs worden beschouwd. Anonieme getuigenverklaringen mogen in de rechtspraktijk enkel uitzonderlijk als bewijs dienen, en dan enkel om andere verifieerbare bewijzen aan te vullen. Ook (de inhoud van) het gesprek dat de indieners van de klacht met een trainer zouden hebben gehad, is niet verifieerbaar en kan dus niet als bewijs dienen. Het niet-gepubliceerde interview waarnaar de indieners van de klacht verwijzen, heeft ook geen enkele bewijswaarde aangezien het gaat om een verzameling van niet-geverifieerde anonieme uitspraken. 

Beoordeling door de Geschillenkamer 

De Geschillenkamer moet in deze zaak onderzoeken of er sprake is van een discriminatie op grond van zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, of nationale of etnische afstamming (I.B), op grond van vermogen en sociale positie (I.C) of op grond van gezondheidstoestand (I.D). Ze onderzoekt daarnaast of er sprake is van intimidatie of represailles in de zin van het Gelijkekansendecreet (II). 

Voorafgaand wenst de Geschillenkamer eraan te herinneren dat zij enkel bevoegd is om op niet-bindende wijze te beoordelen of er sprake is van een discriminatie in de zin van het Gelijkekansendecreet en het Decreet evenredige arbeidsparticipatie.[3] De Geschillenkamer is niet bevoegd voor klachten over de schending van kinderrechten, van medische en verzekeringstechnische regels of van sportieve vereisten. Evenmin is de Geschillenkamer bevoegd om op algemene wijze de interne werking van de verweerder door te lichten. Zij onderzoekt die enkel in de mate ze informatie kan bijbrengen over een mogelijke schending van het Gelijkekansendecreet of het Decreet evenredige arbeidsparticipatie. 

I. Discriminatie bij doorstroming van het provinciaal niveau naar het elite-niveau

A. Algemene beginselen

Volgens de indieners van de klacht is er bij de doorstroom van het provinciaal niveau naar het elite-niveau in de jeugdwerking van Beerschot sprake van discriminatie op grond van zogenaamd ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming. Bijkomend is daar volgens hen sprake van discriminatie op grond van vermogen en sociale positie en ondervond hun zoon ook discriminatie op grond van gezondheidstoestand. 

Een directe discriminatie op grond van een beschermd kenmerk vindt plaats wanneer:  

  • iemand minder gunstig wordt behandeld dan iemand anders in een vergelijkbare situatie; 
  • op grond van het beschermd kenmerk (oorzakelijk verband);
  • tenzij het Gelijkekansendecreet voor die behandeling een objectieve rechtvaardiging toelaat en aangetoond is dat die objectieve rechtvaardiging van toepassing is.[4]

Een minder gunstige behandeling op grond van zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, of etnische of nationale afstamming bij het aanbieden van diensten, zoals sport, kan niet gerechtvaardigd worden.[5]

Een indirecte discriminatie op grond van een beschermd kenmerk vindt plaats wanneer: 

  • een op het eerste gezicht neutrale praktijk;
  • personen met een beschermd kenmerk in vergelijking met andere personen kan benadelen;
  • tenzij die praktijk objectief wordt gerechtvaardigd.[6]

De Geschillenkamer onderzoekt in twee stappen of een discriminatie bewezen is. De eerste stap is vervuld als de indiener van de klacht feiten aanvoert die het bestaan van een discriminatie kunnen doen vermoeden. Als de indiener van de klacht een vermoeden van discriminatie aanvoert, moet de verweerder vervolgens (in de tweede stap) bewijzen dat er geen sprake is van een discriminatie. De verweerder kan dit doen door het vermoeden van discriminatie te weerleggen of, waar een rechtvaardiging mogelijk is, door de minder gunstige behandeling te rechtvaardigen.[7]

Voor de vaststelling van een discriminatie is een bewijs van opzet of enige andere specifieke drijfveer van de verweerder niet vereist.[8]

B. Discriminatie op grond van zogenaamd ras, huidskleur of afkomst of nationale of etnische afstamming

Volgens de indieners van de klacht is er sprake van directe discriminatie op grond van zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, of nationale of etnische afstamming bij de doorstroom van het provinciaal niveau naar het elite-niveau van de jeugdwerking van Beerschot. Ze stellen in het bijzonder dat:

  • spelers van het provinciaal niveau op grond van hun Marokkaanse afkomst zoals hun zoon;
  • minder gunstig behandeld worden bij de selectie van spelers voor het elite-niveau;
  • op grond van hun Marokkaanse afkomst. 

Spelers van Marokkaanse afkomst zouden benadeeld worden bij de selectie en Beerschot beperkt volgens hen het aantal spelers van Marokkaanse afkomst per ploeg.

De Geschillenkamer stelt vast dat het provinciaal niveau en het elite-niveau een verschillende doelstelling met eigen sportieve vereisten en een andere doelgroep hebben. Het is daarbij niet zo dat een club spelers voor het elite-niveau (enkel) rekruteert uit de eigen spelers op het provinciaal niveau. De doorstroom naar het elite-niveau is evenmin wat vanzelfsprekend volgt op het spelen op het provinciaal niveau bij een bepaalde club. Als evenwel bijvoorbeeld zou blijken dat Beerschot spelers van Marokkaanse afkomst niet dezelfde kansen zou bieden als andere spelers om te worden geselecteerd voor het elite-niveau, of als het selectiebeleid spelers van Marokkaanse afkomst ongunstiger zou behandelen of uitsluiten van deelname, dan zou er sprake zijn van directe discriminatie.

De Geschillenkamer stelt vast dat de indieners van de klacht geen dergelijke discriminatie aannemelijk maken. 

De indieners van de klacht stellen ten eerste dat de groep waarin hun zoon voetbalde in het tweede jaar opgedeeld werd in twee groepjes waarvan één groepje voor het elite-niveau werd klaargestoomd, en dat daarbij onderscheid werd gemaakt op grond van huidskleur. Beerschot betwist dit. De loutere verklaring van de indieners van de klacht volstaat niet om aannemelijk te maken wat zij voorhouden. De indieners van de klacht brengen geen andere elementen bij die hun verklaring verder onderbouwen. 

Zij stellen daarnaast dat de uitnodiging voor hun zoon en een andere jongen met een migratieachtergrond voor de selectiemomenten voor het elite-niveau maar voor de schijn was en zij omwille van hun migratieachtergrond geen gelijke kans kregen op selectie. Uit het dossier blijkt dat hun zoon is uitgenodigd voor de selectiemomenten voor het elite-niveau en dat hij geëvalueerd werd door verschillende trainers van de club. Uit geen enkel stuk blijkt dat de migratieachtergrond van de indiener een relevante factor was bij zijn evaluatie. Dat de zoon van de indieners van de klacht eerder of van andere personen een andere evaluatie kreeg, maakt op zich niet aannemelijk dat zijn Marokkaanse afkomst een rol speelde bij de selectiebeslissing. 

De indieners van de klacht verwijzen verder naar een patroon van marginalisering van spelers van Marokkaanse afkomst in het elite-niveau en stellen dat Beerschot het aantal spelers van Marokkaanse afkomst per ploeg beperkt. Volgens hen heeft een trainer dat in een individueel gesprek bevestigd. Beerschot heeft een verklaring van deze trainer ingediend die dat ontkent. Er zijn geen andere stukken die de verklaring van de indieners van de klacht over (de inhoud van) het gesprek onderbouwen. Evenmin blijkt uit de stukken een patroon van ongunstigere behandeling of een uitsluitingsbeleid. Uit de voorgelegde cijfers over de samenstelling van de ploegen op elite-niveau en uit de doorstroming van het provinciaal niveau naar het elite-niveau blijkt geen patroon van benadeling van spelers met een Marokkaanse afkomst. In de verschillende ploegen op het elite-niveau hebben 25% tot 50% van de spelers een Marokkaanse afkomst. Van de vierentwintig spelers die tussen 2020 en 2025 doorstroomden van het provinciaal niveau naar het elite-niveau hebben er negen een Marokkaanse afkomst. Het academisch onderzoek waarnaar de indieners van de klacht verwijzen, biedt algemene informatie over racisme en structurele discriminatie in het jeugdvoetbal maar geeft geen concrete informatie over de jeugdwerking van Beerschot. 

De indieners van de klacht brengen een aantal anonieme verklaringen bij, waarin ook andere ouders het over de jeugdwerking zouden hebben. Omwille van die anonimiteit is het echter niet mogelijk om de authenticiteit, betrouwbaarheid of geloofwaardigheid van die verklaringen te beoordelen. Aan de hand van die anonieme verklaringen wordt geen discriminatie aannemelijk gemaakt. 

De Geschillenkamer oordeelt dat er geen directe discriminatie op grond van zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, of nationale of etnische afstamming kan worden vastgesteld. 

C. Discriminatie op grond van vermogen of sociale positie 

De indieners van de klacht stellen dat er ook ongelijkheden zijn doordat het lidgeld voor het provinciaal niveau en het elite-niveau bijna hetzelfde is terwijl er een groot verschil is tussen de twee niveaus op vlak van opleiding en ondersteuning. De Geschillenkamer stelt vast dat de indieners van de klacht deze aangevoerde ongelijkheden niet verder onderbouwen of verbinden aan een beschermd kenmerk. Ze kan hier dan ook geen discriminatie op grond van een beschermd kenmerk in de zin van het Gelijkekansendecreet vaststellen. 

De indieners van de klacht stellen daarnaast dat er een sociale ongelijkheid is omdat Beerschot een situatie zou creëren waarbij ouders van spelers op het provinciaal niveau vaak meer investeren in bijkomende opleiding en ondersteuning buiten de club. De toegang tot dergelijke ondersteuning is volgens hen ook veel moeilijker voor kinderen uit minder vermogende gezinnen. De kinderen op het elite-niveau zouden ook uit veel vermogender gezinnen komen. 

De Geschillenkamer stelt vast dat de indieners van de klacht voor dit onderdeel van de klacht enkel steunen op hun eigen verklaring. Beerschot betwist dat er een dergelijk onderscheid is in de werking. De loutere eigen verklaring van de indieners van de klacht volstaat niet om een discriminatie aannemelijk te maken. De bewijslast gaat dan ook niet over naar de verweerder. Er kan geen discriminatie op grond van vermogen of sociale positie worden vastgesteld. 

D. Discriminatie op grond van gezondheidstoestand 

Ten slotte stellen de indieners van de klacht dat er sprake is van een indirecte discriminatie op grond van gezondheidstoestand doordat:

  • Beerschot bij de toepassing van de evaluatiecriteria voor de selectie van het elite-niveau;
  • geen rekening heeft gehouden met de ziekte van Sever waar hun zoon op dat moment last van had. De gelijke toepassing van de evaluatiecriteria benadeelde hem dus op grond van zijn gezondheidstoestand in vergelijking met anderen.

Beerschot stelt dat de impact van de gezondheidsklachten van de jongen op zijn prestaties beperkt was en dat de evaluatie van bewegingspatronen nog steeds correct kon verlopen.

De indieners van de klacht stellen dat de fysieke klachten wel degelijk een impact op de loopstijl van hun zoon hadden. Volgens hen blijkt zijn fysieke lichaamscontrole duidelijk uit zijn sterke prestaties in judo. Zij brengen geen verdere elementen aan om hun stelling te onderbouwen. 

De Geschillenkamer kan op basis van het dossier niet vaststellen welke impact de fysieke klachten van de jongen had tijdens het evaluatiemoment in 2024. Uit de algemene verwijzing naar de prestaties van de jongen in een andere sport kan de Geschillenkamer niet afleiden hoe hij gepresteerd heeft tijdens specifieke evaluatiemomenten in 2024 en in welke mate fysieke klachten daar een impact op hadden. De indieners van de klacht verwijzen ook naar een gesprek met een trainer van Beerschot die hen zou hebben bevestigd dat de club geen rekening heeft gehouden met de fysieke klachten van hun zoon. De indieners van de klacht hebben geen andere elementen aangebracht die hun verklaring over (de inhoud van) het gesprek onderbouwen. Aangezien zij niet aannemelijk maken dat er een discriminatie plaatsvond op grond van gezondheidstoestand, gaat de bewijslast niet over naar de verweerder. Er kan geen discriminatie op grond van gezondheidstoestand worden vastgesteld. 

Volgens de indieners van de klacht is er ook sprake van discriminerende verschillen in de medische zorg tussen het elite-niveau en het provinciaal niveau bij de jeugdwerking van Beerschot en dus van een ongelijke behandeling binnen de jeugdrangen van dezelfde club. Aangezien het hier niet gaat over een beweerde discriminatie op grond van een beschermd kenmerk in de zin van het Gelijkekansendecreet onderzoekt de Geschillenkamer dit onderdeel van de klacht niet. 

II. Clubcultuur: aangevoerde intimidatie en represailles 

Volgens de indieners van de klacht is er binnen Beerschot een cultuur waarin betrokken of kritische ouders als lastig worden ervaren. Volgens hen banaliseert Beerschot racisme, versterkt Beerschot uitsluiting en doet Beerschot onvoldoende om een inclusieve en veilige cultuur binnen de jeugdwerking te verzekeren. Ze stellen ook dat Beerschot represailles toepast. 

A. Algemene beginselen

Intimidatie op grond van een beschermd kenmerk vindt plaats wanneer:  

  • zich ongewenst gedrag voordoet;
  • dat verband houdt met een beschermd kenmerk;
  • en dat tot doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast en een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd.[9]

De Geschillenkamer onderzoekt in twee stappen of een intimidatie bewezen is. In een eerste stap moet de indiener van de klacht feiten aanvoeren die het bestaan van een discriminatie kunnen doen vermoeden. Als de indiener van de klacht een vermoeden van discriminatie kan aanvoeren, staat het in de tweede stap aan de verweerder om te bewijzen dat er geen sprake is van een discriminatie, door het vermoeden van discriminatie te weerleggen.[10]

Het Gelijkekansendecreet verbiedt daarnaast ook nadelige maatregelen of (zogenaamde represailles) tegen wie een discriminatie meldt of een discriminatieklacht indient. Van represailles is sprake wanneer:  

  • door of in het voordeel van iemand een melding of klacht wordt gedaan over een beweerde discriminatie zoals verboden in het Gelijkekansendecreet; 
  • en degene waartegen de klacht is gericht (‘de verweerder’) nadelige maatregelen treft tegen die persoon:  
  • behalve als deze nadelige maatregelen vreemd zijn aan (de inhoud van) de klacht of de melding.[11]

De bescherming tegen represailles geldt voor interne en externe discriminatieklachten, dus zowel voor klachten bij de organisatie waar de beweerde discriminatie plaatsvond als voor een klacht bij het Vlaams Mensenrechteninstituut.[12] Om bescherming tegen represailles te genieten, moet de betrokken persoon aantonen dat er een discriminatieklacht werd ingediend.[13]

B. Intimidatie

De indieners van de klacht verwijzen naar een aantal verschillende elementen die zij als intimiderend hebben ervaren en die volgens hen illustreren dat de clubcultuur bij Beerschot niet inclusief en veilig is. Ze stellen dat de club racisme banaliseert en geïnstitutionaliseerde uitsluiting versterkt. Volgens hen:

  • is op een dreigende manier gecommuniceerd in een e-mail van 24 februari 2024;
  • gebruikt Beerschot het stigmatiserende woord ‘allochtoon’ in de communicatie naar de ouders;
  • werden hun zoon en een andere speler uit Beerschot gezet na een onbeduidend incident en hebben zij erop moeten aandringen om dit terug te draaien;
  • heeft een personeelslid flyers uitgedeeld van een politieke partij met racistische overtuigingen en is Beerschot ruimer verbonden met deze partij;
  • blijkt het onveilige klimaat ook uit tekortkomingen met de aanspreekpunten integriteit (API’s) en een gebrekkige kennis van de kinderrechten;
  • bevestigen de anonieme getuigenissen die zij hebben voorgelegd dit klimaat.

Opdat sprake kan zijn van intimidatie in de zin van het Gelijkekansendecreet, moet (onder meer) een verband met een beschermd kenmerk aannemelijk gemaakt worden. Wat betreft de e-mail van 24 februari 2024, stelt de Geschillenkamer vast dat daarin geen verband met een beschermd kenmerk blijkt. Ook wat betreft het incident met hun zoon en een andere speler blijkt uit de communicatie die de Geschillenkamer heeft ontvangen geen verband met een beschermd kenmerk. Tijdens de zitting verklaarden de indieners van de klacht dat de aanvankelijke strenge straf voor hun zoon en de andere speler volgens hen steunde op raciaal beladen aannames. Zij hebben dit echter niet verder aannemelijk gemaakt. Om dezelfde redenen die hierboven aangegeven worden, kan de Geschillenkamer geen vermoeden van intimidatie afleiden uit de anonieme getuigenissen. Deze elementen maken geen intimidatie aannemelijk. 

Wat betreft de beweerde tekortkomingen met de aanspreekpunten integriteit (API) en de vermeend gebrekkige kennis van kinderrechten, herhaalt de Geschillenkamer dat haar bevoegdheid zich beperkt tot discriminatieklachten. Het enige element dat de indieners van de klacht in dit verband aanhalen met een mogelijke link met discriminatie op grond van beschermde kenmerken, is de stelling dat één van de API’s in het verleden racistische en discriminerende berichten zou hebben gedeeld op zijn sociale media. De berichten waarnaar wordt verwezen, dateren van voor de opstart van de API-werking en zijn door deze persoon als privépersoon op zijn sociale media geplaatst. Daaruit kan de Geschillenkamer niet afleiden hoe deze persoon functioneert in de API-werking of ruimer in de jeugdwerking van Beerschot en welke impact dat zou kunnen hebben op die omgeving. Dit element kan dus niet bijdragen aan het aannemelijk maken van een intimidatie.

Ook de vermeende ruimere banden tussen politieke figuren en stromingen met een “raciaal polariserend discours” en Beerschot, geven geen informatie over de omgeving die Beerschot creëert voor de indieners van de klacht en hun zoon in de jeugdwerking. Het is niet aannemelijk gemaakt dat de meningen van personen die een band hebben met Beerschot (in welke hoedanigheid dan ook) of die voor Beerschot supporteren, representatief zijn voor de visie die Beerschot zelf uitdraagt of een weerslag hebben op de jeugdwerking. De indieners van de klacht stellen dat één van de trainers flyers vaneen politieke partij zou hebben uitgedeeld aan de spelers en dat dozen propagandamateriaal in een lokaal van Beerschot stonden. Ze reiken geen specifieke bewijselementen aan over deze vermeende incidenten. De Geschillenkamer beschikt niet over meer gedetailleerde informatie over de incidenten, zoals de exacte tijdstippen waarop deze incidenten zouden hebben plaatsgevonden, of over enig ander bewijs, zoals foto’s of videomateriaal, dat aannemelijk kan maken dat en hoe deze incidenten hebben plaatsgevonden en in welke mate deze aan Beerschot kunnen worden toegeschreven. 

Ten slotte blijkt uit het dossier dat een medewerker van de club in één e-mail naar de ouders betrokken bij de jeugdwerking stelde dat hij ‘ook heel hard [rekende] op onze allochtone gemeenschap’ om bij te dragen aan de wafel- en truffelverkoop. Zoals de club zelf ook erkent, kan het gebruik van het woord ‘allochtoon’ stigmatiserend zijn. De club verklaart dit woord in de toekomstige communicatie niet meer te gebruiken.

Opdat van intimidatie sprake kan zijn, moet ongewenst gedrag dat verband houdt met beschermde kenmerken (zoals zogenaamd ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming) tot doel of gevolg hebben dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast en een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd. Noch uit de voorgelegde e-mail noch uit het dossier als geheel blijkt een dergelijke doelstelling. Op basis van één e-mail waarin het woord ‘allochtoon’ wordt gebruikt in een zin die ook kan worden gelezen als een poging om iedereen te betrekken, kan de Geschillenkamer niet vaststellen dat het woordgebruik of de communicatie van medewerkers bij de jeugdwerking van Beerschot het gevolg had dat personen in hun waardigheid werden aangetast of dat een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving werd gecreëerd.

De Geschillenkamer oordeelt dan ook dat het geheel van de aangevoerde elementen geen intimidatie op grond van beschermde kenmerken overeenkomstig het Gelijkekansendecreet aannemelijk maakt.

C. Represailles

De indieners van de klacht verwijzen naar één specifieke situatie om te betogen dat Beerschot tegen hen represailles heeft genomen: volgens hen is hun zoon verplaatst naar de B-ploeg nadat zij zich in juni 2023 verzet hebben toen Beerschot hun zoon en een andere jongen uit de club wilde zetten.

Van represailles in de zin van het Gelijkekansendecreet kan enkel sprake zijn nadat intern of extern een klacht over discriminatie is ingediend. Uit de e-mails van 2 en 3 juni 2023 blijkt niet dat de indieners van de klacht op dat moment al een klacht over enige vorm van discriminatie hebben of hadden ingediend bij Beerschot. In deze mails geven zij aan dat Beerschot volgens hen verkeerd heeft gehandeld door de manier waarop hun zoon gestraft werd. Zij verbinden dit niet aan een mogelijke discriminatie. 

De indieners van de klacht stelden in dit verband ook dat ze vermoeden dat Beerschot hen als lastige ouders heeft afgeschilderd bij andere clubs waardoor hun zoon daar ook wordt uitgesloten. Zij brengen echter geen elementen aan die hun vermoeden onderbouwen of deze vermoede behandeling in verband brengen met een discriminatie op grond van beschermde kenmerken. Ze maken de aangevoerde represailles dan ook niet aannemelijk. De indieners van de klacht hebben ook niet op een andere manier aannemelijk gemaakt dat er op een of meerdere momenten sprake was van represailles na een discriminatieklacht in de zin van het Gelijkekansendecreet.

De Geschillenkamer oordeelt daarom dat geen represailles kunnen worden vastgesteld.

Oordeel van de Geschillenkamer

De Geschillenkamer oordeelt dat er geen discriminatie op grond van zogenaamd ras huidskleur, afkomst, of nationale of etnische afstamming, op grond van vermogen of op grond van gezondheidstoestand en geen intimidatie en represailles in de zin van het Gelijkekansendecreet kan worden vastgesteld. 

Voetnoten
  1. Art. 13, § 5 VMRI-decreet.
  2. Art. 13, § 4 VMRI-decreet.
  3. Artikel 13, §1 en 3 en artikel 14 VMRI-decreet.
  4. Artikel 16, §1 Gelijkekansendecreet.
  5. Artikel 16, §1, artikel 20, 6° en artikel 24, §1 Gelijkekansendecreet.
  6. Artikel 16, § 2, Gelijkekansendecreet.
  7. Artikel 36, §1 Gelijkekansendecreet.
  8. Artikel 36, §4, Gelijkekansendecreet
  9. Artikel 17, §1 Gelijkekansendecreet.
  10. Artikel 36, §1 Gelijkekansendecreet.
  11. Artikel 37, §1 Gelijkekansendecreet.
  12. Artikel 37, §2, 1°-2° Gelijkekansendecreet.
  13. Artikel 37, §3 Gelijkekansendecreet.

Download het oordeel

Ook interessant