Overslaan en naar de inhoud gaan

Geen discriminatie vastgesteld in zaak van leerlinge van Marokkaanse afkomst met ADHD die een opleidingsonderdeel niet meer mocht volgen

info

Samenvatting oordeel

Situatie 

De indienster van de klacht is de moeder van een leerlinge op de Kunsthumaniora Brussel. Haar dochter is van Marokkaanse afkomst en heeft ADHD en dyslexie. Ze is sinds het eerste jaar middelbaar ingeschreven in de Kunsthumaniora. Ze was herhaaldelijk afwezig, te laat, niet in orde met haar materiaal of voorbereidingen. 

Oorspronkelijk volgde ze de richting “dans”, maar later wilde ze overschakelen naar “muziek”. Voor deze verandering van richting werd een evaluatie georganiseerd. De leerlinge miste de eerste evaluatie, waarna een tweede evaluatie werd georganiseerd. Ook die evaluatie miste ze, waarop de leerkracht haar kwam vinden op de speelplaats en zich kwaad maakte. 

De leerkracht stelde op één van haar rapporten dat ze niet thuishoorde in het orkest omdat de andere leerlingen wel veel inzet toonden. Toen ze opnieuw een concert miste, werd de leerlinge uit het orkest uitgesloten. 

Beoordeling door de Geschillenkamer

Geen directe discriminatie of intimidatie op grond van onder meer etnische afstamming

De Geschillenkamer onderzocht eerst of er sprake was van directe discriminatie of intimidatie door het gedrag van een bepaalde leerkracht en de reactie van de school daarop.

Zowel voor de kwalificatie ‘directe discriminatie’ als voor de kwalificatie ‘intimidatie’ geldt dat de indienster van de klacht feiten moet aanvoeren die het bestaan van een discriminatie kunnen doen vermoeden. De Geschillenkamer is van oordeel dat aannemelijk is gemaakt dat de dochter van de indienster van de klacht heeft geleden onder bepaalde gedragingen van haar leerkracht en de manier waarop de school daar mee omging. Er is echter niet aannemelijk gemaakt dat de manier waarop deze leerlinge werd behandeld, te maken had met haar zogenaamd ras, huidskleur, afkomst of etnische of nationale afstamming. Het is in elk geval niet zo dat er geen andere redelijke uitleg mogelijk is voor de reacties van de leerkracht en de school, nu deze volgden op tekortkomingen van de leerlinge inzake onder meer aanwezigheid, inzet en het nakomen van afspraken. De omstandigheid dat zij in het orkest de enige leerlinge was die 100 % een migratieachtergrond had (terwijl enkele andere orkestleden een gemengde origine hadden) volstaat niet om aannemelijk te maken dat negatieve reacties van een leerkracht op haar gedrag een discriminatie kunnen doen vermoeden.

De Geschillenkamer kan dan ook geen directe discriminatie of intimidatie vaststellen op grond van zogenaamd ras, huidskleur, afkomst of etnische of nationale afstamming.

Geen indirecte discriminatie op grond van handicap

Vervolgens ging de Geschillenkamer na of er indirecte discriminatie was op grond van handicap.

De Geschillenkamer meent dat de indienster van de klacht aannemelijk heeft gemaakt dat het beleid van de school de leerlinge benadeelde en dat die benadeling op zijn minst deels verband hield met haar handicap.

Tegelijkertijd meent de Geschillenkamer dat de benadeling gerechtvaardigd is. Voor een lesonderdeel zoals orkest geldt dat gedragingen zoals gebrek aan voorbereiding en onaangekondigd niet opdagen bij concerten, niet alleen het leerproces van de betrokken leerling negatief beïnvloeden, maar ook de prestaties van en dynamiek in de groep negatief beïnvloeden. Het verzekeren van voldoende inzet en participatie van alle orkestleden is dan ook een legitiem doel dat door de school werd nagestreefd. 

Het uitsluiten van een leerling die systematisch blijk geeft van onvoldoende inzet en participatie, is een passende maatregel om dit doel te bereiken. In de ogen van de Geschillenkamer is deze maatregel niet onevenredig. De uitsluiting kwam er pas na een reeks tekortkomingen en verwittigingen. Bovendien ging het om een optioneel lesonderdeel, waarvoor de leerlinge in de vorm van ‘samenspel slagwerk’ een alternatief kreeg aangeboden zodat ze de leerdoelstelling over samen spelen op een andere manier kon bereiken. Er werd niet aannemelijk gemaakt dat een alternatieve, ondersteunende aanpak, waarbij de school de gevolgen zou opvangen van de moeilijkheden die de leerlinge door haar ADHD ondervindt, haalbaar zou zijn.

De Geschillenkamer kan dan ook geen indirecte discriminatie op grond van handicap vaststellen.

Geen discriminerende weigering van redelijke aanpassingen

Tot slot ging de Geschillenkamer nog na of er sprake was van discriminerende weigering van redelijke aanpassingen.

In de vraag naar redelijke aanpassingen benadrukt de indienster van de klacht in hoofdzaak het procesmatige aspect, met name dat de school veel meer dan ze gedaan heeft met haar als moeder van de leerlinge had moeten samenwerken om de moeilijkheden op te vangen. Gevraagd naar wat de uitkomst van dit proces zou kunnen zijn in termen van concrete aanpassingsmaatregelen, stelt zij dat de school proactief de leerlinge telkens had kunnen opzoeken en aanmanen om repetities en concerten bij te wonen.

De Geschillenkamer is van oordeel dat dit redelijke aanpassingen zijn.

De Geschillenkamer meent dat het voor de school misschien mogelijk was geweest om in een betere verstandhouding met de moeder van de leerlinge te bekijken hoe de vastgestelde tekortkomingen konden worden aangepakt. Het was wellicht ook haalbaar geweest voor de school om zich naar de leerlinge enerzijds aanklampender en anderzijds milder op te stellen. De verregaande individuele begeleiding van de leerlinge die door haar moeder werd voorgesteld als aanpassing om de tekortkomingen op te vangen die op zijn minst deels met ADHD verband houden, is echter manifest niet haalbaar in het licht van de middelen waarover de school beschikt. De gevraagde aanpassingen betekenen dus een onevenredige belasting, zodat het weigeren ervan geen discriminatie uitmaakt.

Oordeel

Om die redenen oordeelt de Geschillenkamer dat er in deze zaak geen discriminatie kon worden vastgesteld.

Volledig oordeel

De Geschillenkamer, samengesteld uit voorzitter Eva Brems, bijzitter Jelle Flo en bijzitter Sarah Lambrecht, en bijgestaan door griffier Dorien Geeroms, spreekt het volgende oordeel uit:

Procedure

De Geschillenkamer heeft de klacht ontvangen op 22 september 2025.

De fase van het uitwisselen van standpunten en overtuigingsstukken werd afgerond op 5 december 2025. 

De Geschillenkamer ontving volgende stukken: 

  • het standpunt van de verweerster van 24 oktober 2025
  • het antwoord van de indienster van de klacht van 24 november 2025
  • het antwoord van de verweerster van 5 december 2025.

De dochter van de indienster van de klacht werd gehoord op 4 februari 2026. Een verslag van dit gesprek werd toegevoegd aan het dossier. 

De Geschillenkamer behandelde de zaak tijdens een hoorzitting op 4 maart 2026. Op de hoorzitting waren beide partijen aanwezig. De indienster van de klacht was zelf aanwezig. De verweerster werd vertegenwoordigd door een personeelslid van de school en advocaat M. Stommels. 

Feiten

De indienster van de klacht is de moeder van een leerlinge op de Kunsthumaniora Brussel. Haar dochter is van Marokkaanse afkomst en heeft ADHD en dyslexie. Ze is sinds het eerste jaar middelbaar ingeschreven in de Kunsthumaniora. Ze was herhaaldelijk afwezig, te laat, niet in orde met haar materiaal of voorbereidingen. Hierover zijn de partijen het eens. Ze wordt begeleid door het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB) en een Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg (CGG).

Oorspronkelijk volgde ze de richting “dans”, maar later wilde ze overschakelen naar “muziek”. Ze had al zeven jaar notenleer achter de rug en had ook al drie jaar drumles gevolgd. Voor deze verandering van richting werd een evaluatie georganiseerd. De leerlinge miste de eerste evaluatie, waarna een tweede evaluatie werd georganiseerd. Ook die evaluatie miste ze, waarop de leerkracht haar kwam vinden op de speelplaats en zich kwaad maakte. 

De leerkracht stelde op één van haar rapporten dat ze niet thuishoorde in het orkest omdat de andere leerlingen wel veel inzet toonden. Toen ze opnieuw een concert miste, werd de leerlinge uit het orkest uitgesloten en mocht ze niet meedoen aan de Parade van het schoolfeest met het orkest. 

De Geschillenkamer heeft de klacht ontvangen op 22 september 2025.

Standpunten partijen

Standpunt indienster klacht

De moeder stelt dat een leerkracht in de richting muziek niet wilde dat haar dochter zou overschakelen, omdat “niet iedereen thuishoort in muziek”. Aangezien de leerkracht niets anders over haar wist, stelt ze dat dit enkel gebaseerd was op haar naam. Haar vorige leerkracht heeft de nieuwe leerkracht persoonlijk gecontacteerd zodat de leerlinge toch naar “muziek” zou kunnen overschakelen. 

Hiervoor werd dan een toets ingepland, zodat de leerkracht haar niveau in muziek kon evalueren. De leerlinge kwam de afspraak voor de toets tweemaal niet na, volgens haar moeder omdat ze eerst de zaal niet vond en de tweede keer de afspraak was vergeten. De leerkracht kwam haar toen opzoeken op de speelplaats en maakte zich kwaad tegen haar. De moeder vond het onaanvaardbaar dat de leerkracht zo tegen haar dochter riep en nam contact op met de directeur om dit aan te kaarten. De directeur wilde niet met de leerkracht in gesprek gaan omdat hij hem niet “op het matje wou roepen.” 

De leerlinge is vaak te laat in de lessen en woonde verschillende optredens niet bij. De moeder stelt dat dit is omdat ze problemen heeft met vervoer en, vooral, met de communicatie met de school. Voor de optredens in het bijzonder stelt ze dat haar dochter een heel schooljaar lang niet was toegevoegd aan de mailinglijst voor optredens, en dat zijzelf niet is opgenomen in de WhatsApp-groep waarin carpooling wordt georganiseerd. Ze stelt dat ze heel het schooljaar lang meermaals met de school heeft gecommuniceerd over het feit dat noch zij, noch haar dochter via Smartschool mails kregen over de planning van repetities en optredens. Pas op het einde van het jaar controleerde de leerkracht de mailinglijst en merkte hij dat de leerlinge er inderdaad niet op stond. 

Op één van haar rapporten schreef haar leerkracht orkest dat de leerlinge niet thuishoorde in het orkest. De moeder meent dat deze opmerking was ingegeven door racisme, omdat haar dochter de enige leerling is binnen het orkest die 100% van andere origine is. Ze stelt ook dat haar dochter al twee jaar gepest en vernederd wordt door de leerkracht, wat volgens haar steunt op racistische vooroordelen. De directie steunt hem volgens haar hierin. 

De leerlinge had in de vorige jaren inderdaad problemen met op tijd komen, taken indienen, toetsen afleggen, inzet, en dergelijke, maar de moeder stelt dat dit veroorzaakt werd door haar ADHD. Ze wordt nu gesteund door het Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg (CGG) en heeft zich herpakt, maar krijgt volgens haar moeder geen tweede kans. De moeder voert ook aan dat één van de leerkrachten van haar dochter niet op de hoogte was van haar dyslexie. Dit toont volgens haar aan dat de school zich niet voldoende aanpast aan de handicaps van haar dochter. 

Standpunt verweerster

De school ontkent dat de leerkracht orkest vond dat de leerlinge beter thuishoorde in de richting dans en niet in muziek. De school beaamt dat de leerkracht zich kwaad heeft gemaakt op de leerlinge in het bijzijn van andere leerlingen, maar duidt dat dit professioneel bleef en kwam omdat de leerlinge al de tweede afspraak had gemist voor een evaluatie van haar slagwerk, gelet op haar overstap naar de richting muziek. Voor de derde afspraak was ze niet op tijd terug na een uitstap met haar klas, hoewel twee andere leerlingen uit haar klas wel op tijd terug waren. De leerlinge heeft dan toch een kans gekregen om de evaluatie af te leggen en mocht overstappen naar muziek, hoewel haar niveau niet hoog lag. 

De school stelt dat het commentaar van de leerkracht op het rapport van de leerlinge duidelijk stelde dat ze door haar gebrek aan aanwezigheid, discipline en inzet niet thuishoorde in een erg gemotiveerde groep, en dat dit commentaar op geen enkele manier blijk geeft van racisme. De school stelt dat in het orkest andere leerlingen van kleur lid zijn, en dat afkomst en kleur uiteraard geen rol spelen in de school. 

Ze stelt ook dat de moeder niet nader verklaart op welke manier de leerkracht de leerlinge zou hebben vernederd en gepest. De school geeft aan een gesprek te hebben georganiseerd met de moeder over het vermeende agressieve, uitsluitende en bevooroordeeld gedrag van de leerkracht, maar dat ze daarop niet aanwezig was door een staking. Later vond er een bemiddelingsgesprek plaats met het CLB. Verder heeft de directeur hierover met de leerkracht gesproken, samen met de vertrouwenspersoon, en werd dit opgevolgd. 

De school beaamt dat de leerlinge even niet in de mailinglijst was opgenomen na haar studiewissel, maar dat dit onmiddellijk is opgelost wanneer de fout werd vastgesteld. 

De school geeft aan dat de leerlinge op drie van de vier georganiseerde concerten niet aanwezig was. Bovendien was ze vaak niet in orde met haar materiaal en partituren in de lessen orkest, en was ze vaak ongewettigd afwezig. De school voert daarover een verslag van de afwezigheden van de leerlinge aan. Hierna werd besloten dat ze niet meer aan de lessen orkest mocht deelnemen. Deze lessen maken geen deel uit van het verplichte curriculum. Ze mocht niet meer met het orkest deelnemen aan de Parade op het schoolfeest, maar wel met het slagwerkensemble. 

De school geeft ook aan dat de leerlinge tijdens beide schooljaren intensief is begeleid door leerlingenbegeleiding, het CLB en het CGG. Er werd een individueel handelingsplan opgesteld voor de leerlinge, die voor alle leerkrachten en de ouders zichtbaar is via Smartschool. In het begin van ieder schooljaar vindt ook een klassenraad plaats tijdens dewelke de leerstoornissen van alle leerlingen aan alle leerkrachten worden toegelicht. 

In het algemeen stelt de school dat de leerlinge op systematische wijze niet in orde was met schoolafspraken, en dat dit aan de oorsprong ligt van deze jammere situatie. Objectieve documentatie (rapporten, reflectieverslagen, dossierlijnen, Smartschoolberichten) toont aan dat er herhaaldelijk tekorten waren inzake voorbereiding, materiaal, inzet, attitude en aanwezigheid.

Beoordeling door de Geschillenkamer 

De Geschillenkamer moet in deze zaak beoordelen of er sprake is van directe discriminatie of intimidatie op grond van zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, of etnische of nationale afstamming (I), van indirecte discriminatie op grond van handicap (II) of van het weigeren van redelijke aanpassingen voor een persoon met een handicap (III).

I. Directe discriminatie of intimidatie op grond van zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, of etnische of nationale afstamming

De klacht over het gedrag van een bepaalde leerkracht en de reactie van de school daarop, kan worden gekwalificeerd als een klacht over directe discriminatie of intimidatie.

A. Algemene beginselen 

Een directe discriminatie op grond van zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, of etnische of nationale afstamming vindt plaats wanneer:  

  • iemand minder gunstig wordt behandeld dan iemand anders in een vergelijkbare situatie;
  • op grond van zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, of etnische of nationale afstamming (oorzakelijk verband);
  • tenzij die ongunstige behandeling objectief wordt gerechtvaardigd. Een minder gunstige behandeling op grond van zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, of etnische of nationale afstamming in het onderwijs kan niet worden gerechtvaardigd.[1]

De indienster van de klacht voert aan dat: 

  • haar dochter is uitgesloten uit de lessen orkest; en
  • dat dit gebeurde omdat de leerkracht vond dat ze niet in het orkest thuishoorde omdat ze de enige leerlinge is van volledig Marokkaanse afkomst is, en dus op grond vanzogenaamd ras, huidskleur, afkomst, of etnische of nationale afstamming (oorzakelijk verband). 

De Geschillenkamer onderzoekt in twee stappen of een discriminatie bewezen is. De eerste stap is vervuld als de indiener van de klacht feiten aanvoert die het bestaan van een discriminatie kunnen doen vermoeden. Als de indiener van de klacht een vermoeden van discriminatie aanvoert, moet de verweerder vervolgens (in de tweede stap) bewijzen dat er geen sprake is van een discriminatie. De verweerder kan dit doen door het vermoeden van discriminatie te weerleggen.[2]Een minder gunstige behandeling op grond van zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, of etnische of nationale afstamming in het onderwijs kan niet worden gerechtvaardigd.[3]Voor de vaststelling van een discriminatie is een bewijs van opzet of enige andere specifieke drijfveer van de verweerder niet vereist.[4]

Intimidatie op grond van op grond van zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, en etnische of nationale afstamming vindt plaats wanneer:  

  • zich ongewenst gedrag voordoet;
  • dat verband houdt met zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, of etnische of nationale afstamming en dat tot doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast en een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd.[5]

De indienster van de klacht voert aan dat: 

  • een leerkracht publiekelijk tegen haar dochter heeft geroepen en haar heeft uitgescholden na het missen van een evaluatiemoment;
  • op haar rapport schreef dat ze niet thuishoorde in het orkest;
  • haar herhaaldelijk pestte en vernederde;
  • en haar uiteindelijk uit de lessen orkest en de Parade op het schoolfeest uitsloot;
  • omdat ze de enige leerlinge was van volledig Marokkaanse afkomst, en dus omwille van haar zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, en etnische of nationale afstamming;
  • en dat dit haar dochter psychologisch heel hard heeft geraakt, dat ze erg vernederd was door niet aan de Parade te mogen deelnemen, en dat ze nu niet meer mag deelnemen aan de lessen orkest. 

De Geschillenkamer onderzoekt of een intimidatie bewezen is in twee stappen. De eerste stap is vervuld als de indiener van de klacht feiten kan aanvoeren die het bestaan van een discriminatie kunnen doen vermoeden. Als de indiener van de klacht een vermoeden van discriminatie kan aanvoeren, moet de verweerder vervolgens kunnen bewijzen dat er geen sprake is van een discriminatie, door het vermoeden van discriminatie te weerleggen.[6]

B. Toepassing

Zowel voor de kwalificatie ‘directe discriminatie’ als voor de kwalificatie ‘intimidatie’ geldt dat de indienster van de klacht feiten moet aanvoeren die het bestaan van een discriminatie kunnen doen vermoeden. De Geschillenkamer is van oordeel dat aannemelijk is gemaakt dat de dochter van de indienster van de klacht heeft geleden onder bepaalde gedragingen van haar leerkracht en de manier waarop de school daar mee omging. Er is echter niet aannemelijk gemaakt dat de manier waarop deze leerlinge werd behandeld, te maken had met haar zogenaamd ras, huidskleur, afkomst of etnische of nationale afstamming. Het is in elk geval niet zo dat er geen andere redelijke uitleg mogelijk is voor de reacties van de leerkracht en de school, nu deze volgden op tekortkomingen van de leerlinge inzake onder meer aanwezigheid, inzet en het nakomen van afspraken. De omstandigheid dat zij in het orkest de enige leerlinge was die 100 % een migratieachtergrond had (terwijl enkele andere orkestleden een gemengde origine hadden) volstaat niet om aannemelijk te maken dat negatieve reacties van een leerkracht op haar gedrag een discriminatie kunnen doen vermoeden.

De Geschillenkamer kan dan ook geen directe discriminatie of intimidatie vaststellen op grond van zogenaamd ras, huidskleur, afkomst of etnische of nationale afstamming.

II. Indirecte discriminatie op grond van handicap

A. Algemene beginselen

Een indirecte discriminatie op grond van handicap vindt plaats wanneer: 

  • een op het eerste gezicht neutrale praktijk;
  • personen met een handicap in vergelijking met andere personen kan benadelen;
  • tenzij die praktijk objectief wordt gerechtvaardigd. Dit is het geval wanneer de praktijk een legitiem doel nastreeft en de middelen om dit doel te bereiken passend en noodzakelijk zijn.[7] Een praktijk die personen met een handicap benadeelt, is niet noodzakelijk wanneer de discriminerende impact kan worden vermeden door redelijke aanpassingen.[8] Als aan die voorwaarden is voldaan, moet ten slotte een afweging worden gemaakt tussen het nadeel voor personen met een of meer beschermde kenmerken en het belang van het nagestreefde doel (evenredigheid in de strikte zin).

Volgens de indienster van de klacht: 

  • heeft de school haar dochter uitgesloten uit de lessen orkest omdat zij afspraken niet nakwam en niet in orde was met haar materiaal en voorbereiding;
  • terwijl dit gedrag te maken heeft met het feit dat zij lijdt aan ADHD en;
  • de school op haar dochter als leerling met ADHD niet zomaar hetzelfde beleid had mogen toepassen als op andere leerlingen. 

De Geschillenkamer onderzoekt in twee stappen of een discriminatie bewezen is. De eerste stap is vervuld als de indiener van de klacht feiten aanvoert die het bestaan van een discriminatie kunnen doen vermoeden. Als de indiener van de klacht een vermoeden van discriminatie aanvoert, moet de verweerder vervolgens (in de tweede stap) bewijzen dat er geen sprake is van een discriminatie. De verweerder kan dit doen door het vermoeden van discriminatie te weerleggen of door de benadelende praktijk te rechtvaardigen.[9]

B. Toepassing

De Geschillenkamer meent dat niet zonder meer gesteld kan worden dat de school geen rekening hield met de ADHD van de leerlinge. Er was een individueel handelingsplan, en de leerlinge kreeg bijvoorbeeld een nieuwe kans om de test slagwerk af te leggen nadat zij al verschillende afspraken voor de test gemist had. Niettemin meent de Geschillenkamer dat de indienster van de klacht aannemelijk heeft gemaakt dat het beleid van de school de leerlinge benadeelde en dat die benadeling op zijn minst deels verband hield met haar handicap.

Tegelijkertijd meent de Geschillenkamer dat de benadeling gerechtvaardigd is. Voor een lesonderdeel zoals orkest geldt dat gedragingen zoals gebrek aan voorbereiding en onaangekondigd niet opdagen bij concerten niet alleen het leerproces van de betrokken leerling negatief beïnvloeden, maar ook de prestaties van en dynamiek in de groep negatief beïnvloeden. Het verzekeren van voldoende inzet en participatie van alle orkestleden is dan ook een legitiem doel dat door de school werd nagestreefd. 

Het uitsluiten van een leerling die systematisch blijk geeft van onvoldoende inzet en participatie, is een passende maatregel om dit doel te bereiken. In de ogen van de Geschillenkamer is deze maatregel niet onevenredig. De uitsluiting kwam er pas na een reeks tekortkomingen en verwittigingen. Bovendien ging het om een optioneel lesonderdeel, waarvoor de leerlinge in de vorm van ‘samenspel slagwerk’ een alternatief kreeg aangeboden zodat ze de leerdoelstelling over samen spelen op een andere manier kon bereiken. Er werd niet aannemelijk gemaakt dat een alternatieve, ondersteunende aanpak, waarbij de school de gevolgen zou opvangen van de moeilijkheden die de leerlinge door haar ADHD ondervindt, haalbaar zou zijn.

De Geschillenkamer kan dan ook geen indirecte discriminatie op grond van handicap vaststellen.

III. Weigering van redelijke aanpassingen

A. Algemene beginselen 

Redelijke aanpassingen zijn aanpassingen waarop een persoon met een handicap recht heeft om te verzekeren dat die ten volle, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid kan participeren in de samenleving. Die aanpassingen moeten obstakels voor een gelijkwaardige participatie voor de persoon met een handicap wegnemen. Een gevraagde aanpassing is dus een redelijke aanpassing als die er inderdaad voor kan zorgen dat de persoon met handicap op gelijkwaardige manier kan deelnemen aan bijvoorbeeld het onderwijs.

Een gevraagde redelijke aanpassing kan alleen worden geweigerd als ze een onevenredige belasting zou betekenen voor degene die de aanpassing moet doen.

Een discriminerende weigering van redelijke aanpassingen voor personen met een handicap vindt dus plaats wanneer: 

  • personen met een handicap een beperking ervaren in hun gelijkwaardige participatie in de samenleving;
  • zij hiervoor redelijke aanpassingen vragen die obstakels voor gelijkwaardige participatie wegnemen;
  • en die redelijke aanpassingen geweigerd worden, ook al betekenen ze geen onevenredige belasting.[10]

De indiener van de klacht moet feiten aanvoeren die een weigering van redelijke aanpassingen kunnen doen vermoeden. Het is dan aan de verweerder om te bewijzen dat de gevraagde aanpassingen onredelijk zijn of een onevenredige last zouden betekenen.

De indienster van de klacht voert aan:

  • dat haar dochter het omwille van haar ADHD erg moeilijk heeft met zaken zoals op tijd zijn, materiaal bijhebben, en zich afspraken herinneren (beperking in gelijkwaardige participatie in de samenleving);
  • dat de school haar hierin meer had moeten begeleiden (aanpassing die obstakels voor de gelijkwaardige participatie voor de persoon met een handicap wegnemen);
  • maar dat de school haar niet voldoende heeft begeleid, met als gevolg dat ze uit de lessen orkest is uitgesloten. 

De Geschillenkamer onderzoekt deze elementen achtereenvolgens.

B. Beperking gelijkwaardige participatie in de samenleving

De Geschillenkamer erkent dat de dochter van de indienster van de klacht, als persoon met een handicap, een beperking ervaart in haar gelijkwaardige participatie in de samenleving. De Geschillenkamer acht het aannemelijk dat het voor een leerling met ADHD moeilijker is om op gelijkwaardige voet deel te nemen aan het onderwijs.

C. Redelijkheid van de aanpassingen 

De Geschillenkamer onderzoekt in deze stap of de aanpassingen die de indienster van de klacht vraagt, redelijk zijn.

Een aanpassing is redelijk als ze ervoor kan zorgen dat de persoon met een handicap gelijkwaardig kan deelnemen in de samenleving. De aanpassing moet, met andere woorden, haar doel bereiken en afgestemd zijn op de behoeften van de persoon met een handicap. De redelijkheid van een aanpassing verwijst dus naar de relevantie, geschiktheid en doeltreffendheid van de aanpassing voor de persoon met een handicap.[11] Redelijke aanpassingen in het onderwijs worden afgestemd op de individuele noden van de persoon met een handicap en kunnen onder andere betrekking hebben op het curriculum, de organisatie van het onderwijs, de vorm van lesmateriaal, de infrastructuur van de onderwijsinstelling en de evaluatievormen.[12]

De term “redelijkheid” slaat niet op de beoordeling van de kosten van de gevraagde aanpassingen of de beschikbare middelen. Dit gebeurt in een eventuele volgende stap (voor zover de gevraagde aanpassingen redelijk zijn), waarin de Geschillenkamer nagaat of er sprake is van een onevenredige belasting.[13] 

In de vraag naar redelijke aanpassingen benadrukt de indienster van de klacht in hoofdzaak het procesmatige aspect, met name dat de school veel meer dan ze gedaan heeft met haar als moeder van de leerlinge had moeten samenwerken om de moeilijkheden op te vangen. Gevraagd naar wat de uitkomst van dit proces zou kunnen zijn in termen van concrete aanpassingsmaatregelen, stelt zij dat de school proactief de leerlinge telkens had kunnen opzoeken en aanmanen om repetities en concerten bij te wonen.

De Geschillenkamer is van oordeel dat dit redelijke aanpassingen zijn.

D. Onevenredige belasting 

Een vraag naar redelijke aanpassingen kan worden geweigerd als die redelijke aanpassingen een onevenredige belasting zouden betekenen. Dit concept lijnt af tot waar redelijke aanpassingen moeten worden geboden.[14] Hierbij wordt de impact van de redelijke aanpassing voor degene die haar moet doorvoeren en voor de ruimere omgeving bekeken in het licht van het doel van de aanpassing (de gelijkwaardige participatie voor de persoon met de handicap). Relevante factoren bij deze afweging zijn onder meer: de financiële en organisatorische impact van de aanpassing, de haalbaarheid van de aanpassing, de aanwezigheid van voor de hand liggende of wettelijk verplichte normen en de positieve of negatieve impact op anderen in de omgeving.[15]

Het is aan de verweerster om te bewijzen dat de gevraagde aanpassingen een onevenredige belasting zouden betekenen.

De Geschillenkamer meent dat het voor de school misschien mogelijk was geweest om in een betere verstandhouding met de moeder van de leerlinge te bekijken hoe de vastgestelde tekortkomingen konden worden aangepakt. Het was wellicht ook haalbaar geweest voor de school om zich naar de leerlinge enerzijds aanklampender en anderzijds milder op te stellen. De verregaande individuele begeleiding van de leerlinge die door haar moeder werd voorgesteld als aanpassing om de tekortkomingen op te vangen, die op zijn minst deels met ADHD verband houden, is echter manifest niet haalbaar in het licht van de middelen waarover de school beschikt. De gevraagde aanpassingen betekenen dus een onevenredige belasting, zodat het weigeren ervan geen discriminatie uitmaakt.

Oordeel van de Geschillenkamer 

Om die redenen oordeelt de Geschillenkamer:

  • dat er geen directie discriminatie of intimidatie op grond van zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, of etnische of nationale afstamming kan worden vastgesteld overeenkomstig het Gelijkekansendecreet;
  • dat er geen indirecte discriminatie op grond van handicap kan worden vastgesteld overeenkomstig het Gelijkekansendecreet;
  • dat er geen weigering van redelijke aanpassingen kan worden vastgesteld overeenkomstig het Gelijkekansendecreet.
Voetnoten
  1. Artikel 24 § 1, Gelijkekansendecreet.
  2. Artikel 36, §1 Gelijkekansendecreet.
  3. Artikel 24 § 1, Gelijkekansendecreet.
  4. Artikel 36, §4, Gelijkekansendecreet.
  5. Artikel 17, §1 Gelijkekansendecreet.
  6. Artikel 36, §1 Gelijkekansendecreet.
  7. Artikel 16 § 2, Gelijkekansendecreet.
  8. Zie bijvoorbeeld Hof van Justitie 15 juli 2021, C-795/19, XX t. Tartu Vangla, § 46-52.
  9. Art. 36, § 1 Gelijkekansendecreet.
  10. Artikel 19 Gelijkekansendecreet.
  11. Zie Algemene opmerking nr. 6 (2018) over gelijkheid en non-discriminatie van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 25.
  12. Zie Algemene opmerking nr. 4 (2016) over het recht op inclusief onderwijs van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 30; Europees Hof voor de Rechten van de Mens 23 februari 2016, nr. 51500/08, Çam t. Turkije, § 66.
  13. Algemene opmerking nr. 6 (2018) over gelijkheid en non-discriminatie van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 25.
  14. Zie Algemene opmerking nr. 6 (2018) over gelijkheid en non-discriminatie van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 25.
  15. Zie artikel 19 Gelijkekansendecreet en Algemene opmerking nr. 6 (2018) over gelijkheid en non-discriminatie van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 25- 26.

Download het oordeel

Ook interessant