Overslaan en naar de inhoud gaan

Middelbare school heeft niet gediscrimineerd bij toekennen A-attest met uitsluiting van bepaalde studierichtingen

info

Samenvatting oordeel

Situatie 

De indiener van de klacht dient de klacht in voor zijn minderjarige zoon, die ADHD heeft en net als zijn vader en moeder afkomstig is uit een ander land. In het schooljaar 2022-2023 zat hij in het eerste leerjaar van het secundair onderwijs. 

Aan het einde van het schooljaar behaalde hij een eindresultaat van 61% in de A-stroom, met onvoldoendes voor Nederlands en Frans. Hierop ontving hij een oriënteringsattest A, met uitsluitingen voor twee studierichtingen: Klassieke talen (Grieks en Latijn) en Moderne talen en wetenschappen. Dit betekent dat hij was geslaagd voor het eerste leerjaar, maar dat hij die twee richtingen in het tweede leerjaar niet kon volgen. De studierichtingen die hij wel kon volgen, worden op de school van de verweerster niet aangeboden. De uitsluiting betekende dus dat de leerling zijn studies aan een andere school zou moeten verderzetten.

Beoordeling door de Geschillenkamer

De indiener van de klacht voert aan dat zijn zoon werd gediscrimineerd op grond van zijn afkomst en handicap en op grond van de sociale positie en het vermogen van zijn gezin. Hij verduidelijkt dat de moeilijke sociale en economische situatie van het gezin het gevolg is van zijn eigen langdurige ziekte. Hij voert ook aan dat de school zijn zoon niet heeft beschermd tegen pesten en fysieke mishandeling door een klasgenoot. 

De Geschillenkamer moet in deze dus zaak onderzoeken of er sprake is van indirecte discriminatie op grond van afkomst, handicap, vermogen en sociale positie.

De Geschillenkamer stelt vast dat de zoon van de indiener van de klacht is benadeeld door de op het eerste gezicht neutrale beoordeling door de klassenraad. Op basis van alle elementen van het dossier is de Geschillenkamer van oordeel dat niet aannemelijk wordt gemaakt dat de zoon van de indiener nadelig is behandeld in vergelijking met andere personen op grond van afkomst, handicap, vermogen en sociale positie. Daarbij is onder andere rekening gehouden met cijfergegevens die door de school zijn verstrekt over alle leerlingen van het eerste leerjaar in het schooljaar 2022-2023. 

Het door de indiener vermelde pesten heeft geen rol gespeeld bij de beslissing van de klassenraad, want op het tijdstip van de deliberatie was de school daar nog niet van op de hoogte.

Oordeel

De Geschillenkamer oordeelt dat er geen indirecte discriminatie op grond van afkomst, handicap, vermogen en sociale positie overeenkomstig het Gelijkekansendecreet kan worden vastgesteld.

Volledig oordeel

De Geschillenkamer, samengesteld uit voorzitter Stijn Smet, bijzitter Eva Brems en bijzitter Jonas Riemslagh, en bijgestaan door griffier Dorien Geeroms, spreekt het volgende oordeel uit:

Procedure

De Geschillenkamer heeft de klacht ontvangen op 4 november 2025.

De fase van het uitwisselen van standpunten en overtuigingsstukken werd afgerond op 9 februari 2026. 

De Geschillenkamer ontving volgende stukken: 

  • het standpunt van de verweerster van 10 december 2025
  • het antwoord van de indiener van de klacht van 10 januari 2026
  • het antwoord van de verweerster van 9 februari 2026.

De Geschillenkamer behandelde de zaak tijdens een hoorzitting op 24 april 2026. De indiener nam online deel aan de hoorzitting en kreeg bijstand van een tolk Engels. De verweerster werd vertegenwoordigd door een personeelslid en een familielid dat dit personeelslid bijstond. 

De decreetgever heeft bepaald dat de Geschillenkamer haar oordelen steeds publiek bekendmaakt en dat de anonimisering van betrokken rechtspersonen daarbij slechts uitzonderlijk kan gebeuren.[1] De Geschillenkamer vindt het in deze zaak aangewezen om de naam van de school niet te vermelden in het oordeel om de identiteit van de betrokken natuurlijke personen te beschermen.

Feiten

De indiener van de klacht dient de klacht in voor zijn minderjarige zoon, die ADHD heeft en net als zijn vader en moeder afkomstig is uit Slovenië. 

Zijn zoon ging in het schooljaar 2022-2023 naar een middelbare school, de verweerster in deze zaak. Hij zat toen in het eerste leerjaar van het secundair onderwijs. Aan het einde van het schooljaar behaalde hij een eindresultaat van 61% in de A-stroom, met onvoldoendes voor Nederlands en Frans. Hierop ontving hij een oriënteringsattest A, met uitsluitingen voor twee studierichtingen: Klassieke talen (Grieks en Latijn) en Moderne talen en wetenschappen. Dit betekent dat hij was geslaagd voor het eerste leerjaar, maar dat hij in het tweede leerjaar de twee vernoemde richtingen niet kon volgen. De studierichtingen die hij wel kon volgen, worden op de school van de verweerster niet aangeboden. De uitsluiting betekende dus dat de leerling zijn studies aan een andere school zou moeten verderzetten.

In haar beslissing over het oriënteringsattest van 30 juni 2023 verwees de delibererende klassenraad naar tekorten voor Nederlands en Frans en naar zwakke resultaten voor aardrijkskunde, wiskunde, geschiedenis en godsdienst. De klassenraad verwees ook naar de ondersteuning die de school had aangeboden in de vorm van inhaallessen, begeleiding door vakleerkrachten en extra oefeningen onder begeleiding.

De indiener van de klacht en zijn echtgenote betwistten de beslissing van de delibererende klassenraad en verwezen hierbij naar de specifieke omstandigheden van hun zoon. Hierop riep de directeur de klassenraad opnieuw samen. Die bevestigde op 24 augustus 2023 haar eerdere beslissing en verduidelijkte dat de zoon van de indiener van de klacht beter tot zijn recht zou komen in de basisoptie 2A STEM-Wetenschappen.

De indiener van de klacht en zijn echtgenote tekenden beroep aan tegen de definitieve beslissing van de klassenraad. De beroepscommissie hoorde de indiener van de klacht op 11 september 2023 en nam dezelfde dag een beslissing over het beroep. Daarin bevestigde de beroepscommissie de beslissing van de klassenraad van 24 augustus 2023.

Tegen de beslissing van de beroepscommissie diende de indiener van de klacht geen verder beroep in bij de Raad van State. Zijn zoon gaat inmiddels naar een andere school.

De Geschillenkamer heeft de klacht ontvangen op 4 november 2025.

Standpunten partijen

Standpunt indiener klacht

De indiener van de klacht voert aan dat zijn zoon werd gediscrimineerd op grond van zijn afkomst en handicap en op grond van de sociale positie en het vermogen van zijn gezin. Hij verduidelijkt dat de moeilijke sociale en economische situatie van het gezin het gevolg is van zijn eigen langdurige ziekte. Hij voert ook aan dat de school zijn zoon niet heeft beschermd tegen pesten en fysieke mishandeling door een klasgenoot.

De indiener van de klacht stelt dat het oriënteringsattest met uitsluiting van twee richtingen een ingrijpende impact had op zijn zoon, omdat het de beoogde doorstroomrichting Moderne talen en wetenschappen blokkeerde. Zijn zoon werd zo gedwongen om een andere opleiding te volgen en van school te veranderen. Nochtans waren zijn resultaten niet zo slecht dat zij een attest met uitsluitingen zouden rechtvaardigen. Remediërende maatregelen voor Frans en Nederlands zouden een betere oplossing zijn geweest, zodat zijn zoon wel de richting Moderne talen en wetenschappen had kunnen volgen. 

De indiener van de klacht stelt ook dat de wijze van delibereren een mogelijkheid tot discriminatie openlaat, omdat de klassenraad niet alleen rekening houdt met de behaalde resultaten maar ook met andere factoren zoals haalbaarheid, slaagkansen en individuele situatie. Volgens de indiener van de klacht heeft de sociale en economische situatie van zijn gezin de beoordeling van de klassenraad beïnvloed. Hij geeft aan dat de school ook onvoldoende rekening heeft gehouden met de ADHD en afkomst (als niet-Belg) van zijn zoon. De school heeft volgens hem ook onvoldoende rekening gehouden met het feit dat zijn zoon werd gepest, wat zijn resultaten heeft beïnvloed. Hij geeft tot slot aan dat er in juni een incident was met zijn zoon, waarbij de school hem meldde dat zijn zoon een ongepaste opmerking had gemaakt. Hij vermoedt dat dit incident, dat verband hield met de ADHD van zijn zoon, een rol kan hebben gespeeld bij de deliberatiebeslissing. 

De indiener van de klacht betwist niet dat de school op procedureel vlak een deliberatie heeft gehouden. Hij voert evenwel aan dat de gebruikte deliberatiemethode objectief en toetsbaar moest zijn. De bevestiging van de beslissing van de klassenraad in een interne beroepsprocedure vervangt die toetsbaarheid niet. De school moet daarentegen kunnen uitleggen welke vooraf bepaalde drempels gelden en waarom minder ingrijpende maatregelen zoals verplichte remediëring niet volstonden voor zijn zoon.

Voor de indiener van de klacht kan een benadeling op grond van beschermde kenmerken niet betrouwbaar worden uitgesloten zonder vooraf gekende criteria en privacy-conforme verificatie. Hij heeft daarom tijdens de beroepsprocedure gevraagd om de resultaten van zijn zoon te vergelijken met die van zijn leeftijdsgenoten, om na te gaan of het attest inderdaad gerechtvaardigd was. Dit is echter nooit gebeurd en hij vermoedt dat dit is om een discriminerende beoordeling te verdoezelen.

In de procedure voor de Geschillenkamer heeft de school wel beperkte statistische gegevens bijgebracht, op basis van de resultaten van drie van de 239 leerlingen in het eerste leerjaar. De indiener van de klacht stelt dat deze statistische gegevens zijn gebaseerd op een zeer smalle filter waardoor zij de werkelijkheid kunnen vertekenen en niet kunnen aantonen dat de deliberatiecriteria gelijk worden toegepast op leerlingen met vergelijkbare of lagere resultaten dan de resultaten van zijn zoon. Hij verzoekt uitdrukkelijk dat de Geschillenkamer bepaalde gegevens opvraagt bij de school, namelijk:

  • schriftelijke criteria voor deliberatie;
  • geanonimiseerde cohortgegevens over behaalde studieresultaten;
  • objectieve bewijsstukken over ondersteuning gegeven aan zijn zoon; en
  • een verslag van het incident in juni. 

Hij geeft aan dat de Geschillenkamer deze gegevens desnoods vertrouwelijk moet behandelen en ze niet moet delen met hem, om tegemoet te komen aan bezorgdheden van de school over privacy van andere leerlingen.

Standpunt verweerster

De school verduidelijkt eerst dat zij jaarlijks ongeveer 1.050 leerlingen heeft, waarvan meer dan 15% bijzondere ondersteuning en begeleiding krijgt omwille van een verhoogde zorgnood. Jaarlijks betwist een tiental leerlingen de beslissing van de delibererende klassenraad, in de zin dat zij of hun ouders om meer uitleg vragen. De school kan dan beslissen om het dossier opnieuw voor te leggen aan de klassenraad. Van deze tien leerlingen tekenen er jaarlijks twee of drie ook een verder beroep aan tegen de eindbeslissing van de klassenraad. In het schooljaar 2022-2023 waren er negen betwistingen, waarbij de school voor drie leerlingen de klassenraad opnieuw bijeenriep, waaronder voor de zoon van de indiener van de klacht. In het betrokken schooljaar ging alleen de indiener van de klacht, voor zijn zoon, in beroep tegen de eindbeslissing van de klassenraad.

De school voert aan dat de klacht onontvankelijk is omdat zij kennelijk ongegrond is. De klacht heeft volgens de school immers alleen tot doel om de beslissing van de delibererende klassenraad te betwisten. De indiener van de klacht legt geen enkel objectief element voor waaruit enige discriminatie van zijn zoon zou kunnen worden afgeleid. Hij heeft ook geen beroep ingesteld bij de Raad van State tegen de beslissing van de beroepscommissie. In die zin heeft hij de motivering van de beroepscommissie over het oriënteringsattest en de uitsluitingen aanvaard.

Als de Geschillenkamer toch van oordeel zou zijn dat de klacht ontvankelijk is, dan stelt de school dat er in ieder geval geen sprake is van discriminatie. Op basis van de objectieve resultaten waren de klassenraad en de onafhankelijke beroepscommissie immers van oordeel dat de resultaten van de leerling te zwak waren voor de richting Moderne talen en wetenschappen. Dat die eindbeoordeling streng is, wil op geen enkele manier zeggen dat ze discriminerend is. De indiener van de klacht heeft ook niet aangetoond dat de school zich schuldig zou hebben gemaakt aan discriminerende handelingen of beslissingen tegen zijn zoon.

De school benadrukt dat de beslissing van de klassenraad was gesteund op onvoldoendes voor Nederlands en Frans en zwakke resultaten voor wiskunde, aardrijkskunde, geschiedenis en godsdienst. De klassenraad paste daarbij het regelgevend kader toe, waaronder specifieke richtlijnen over delibereren (Algemene Pedagogische Richtlijn 3). De sociale status, afkomst, of nationaliteit van de zoon van de indiener van de klacht hebben geen enkele rol gespeeld bij de beslissing. De school heeft aan hem ook dezelfde ondersteuning en remediëring aangeboden die ze aan andere leerlingen aanbiedt.

De school wijst er ook op dat een onafhankelijke beroepscommissie de beslissing van de klassenraad heeft bevestigd en daarbij een uitvoerige motivering heeft gegeven met antwoorden op alle bezwaren van de indiener van de klacht. Net als de klassenraad verwees de beroepscommissie naar de behaalde resultaten als motivatie. De beroepscommissie overwoog ook dat de zoon van de indiener van de klacht net als alle andere leerlingen met ADHD werd ondersteund door een specifiek handelingsplan. De beroepscommissie stelde verder vast dat hij nooit over pesten heeft gesproken tijdens het schooljaar, ondanks het bestaan van laagdrempelige aanspreekmogelijkheden. Een pestproblematiek kon de eindbeslissing van de klassenraad dan ook niet hebben beïnvloed.

De school heeft voor de procedure bij de Geschillenkamer een beknopte analyse gemaakt van de resultaten van de leerlingen van het eerste jaar in het schooljaar 2022-2023, om na te gaan of de zoon van de indiener van de klacht op dezelfde manier werd beoordeeld als andere leerlingen. Uit deze analyse blijkt dat drie leerlingen van de 239 twee jaartekorten hadden tussen de 45 en 49,9%. Eén van die drie leerlingen kreeg een A-attest zonder meer. De twee andere leerlingen, waaronder de zoon van de indiener van de klacht, kregen een A-attest met uitsluitingen voor één of meerdere richtingen. 

De school benadrukt daarnaast dat zij een zorgbeleid heeft waarbij leerlingen met specifieke noden een verhoogde zorg ontvangen. Ook de zoon van de indiener van de klacht had een handelingsplan in functie van zijn ADHD. Dat handelingsplan omvat stimulerende, remediërende, corrigerende en dispenserende maatregelen.

Op het vlak van pesten, tot slot, probeert de school de drempel om wangedrag te melden zo laag mogelijk te maken, door verschillende aanspreekpunten te hebben. De zoon van de indiener van de klacht heeft tijdens het betrokken schooljaar evenwel nooit melding gemaakt van pesten. 

Beoordeling door de Geschillenkamer 

I. Ontvankelijkheid van de klacht

De school is van mening dat de klacht niet ontvankelijk is omdat zij kennelijk ongegrond is. 

Het VMRI-decreet bepaalt dat een klacht bij het VMRI niet ontvankelijk is wanneer ze kennelijk ongegrond is.[2] De parlementaire voorbereiding bij het VMRI-decreet vermeldt hierover:

“Een klacht die louter een ongenoegen uit, zonder dat ook maar enigszins aannemelijk wordt gemaakt dat sprake is van discriminatie, is kennelijk ongegrond. Het gaat met andere woorden om klachten die manifest geen feitelijke of juridische grondslag hebben en waarvan de ongegrondheid zonder diepgaand onderzoek kan worden vastgesteld. Het komt het VMRI toe om te beoordelen of een klacht onder die situaties valt, in overeenstemming met hoe deze juridische begrippen gewoonlijk worden geïnterpreteerd en toegepast.”[3]

Met kennelijk of manifest ongegronde klachten worden klachten bedoeld waarvan op het eerste gezicht, zonder verder onderzoek of studie, al blijkt dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer uit de bewoordingen van de klacht zelf al blijkt dat er geen sprake kan zijn van discriminatie. Dat is niet het geval voor deze klacht, waarin de indiener wel degelijk aangeeft op grond van welke beschermde kenmerken de school mogelijk tot de beslissing is gekomen die nadelig was voor zijn zoon. 

Ook de omstandigheid dat de indiener van de klacht niet alle juridische beroepsmogelijkheden heeft uitgeput heeft geen impact op de ontvankelijkheid van de klacht bij het VMRI.

De klacht is bijgevolg niet kennelijk ongegrond en dus wel degelijk ontvankelijk. 

II. De bevoegdheid van de Geschillenkamer 

Bepaalde argumenten die de indiener van de klacht in de procedure voor de Geschillenkamer heeft aangevoerd hebben betrekking op de wijze waarop een school volgens hem een deliberatie moet houden en op de concrete wijze waarop zijn zoon is gedelibereerd. 

Voorafgaand wenst de Geschillenkamer eraan te herinneren dat zij enkel bevoegd is om op niet-bindende wijze te beoordelen of er sprake is van een discriminatie in de zin van het Gelijkekansendecreet.[4] Zij heeft dus niet de taak om de deliberatie van de zoon van de indiener van de klacht over te doen, maar moet beoordelen of de handelswijze en beslissing van de school een verboden discriminatie uitmaken. Op de argumenten van de indiener die daar geen verband mee houden, wordt hierna dan ook niet verder ingegaan. 

III. Indirecte discriminatie op grond van afkomst, handicap, vermogen en sociale positie 

A. Algemene beginselen

De Geschillenkamer moet in deze zaak onderzoeken of er sprake is van indirecte discriminatie op grond van afkomst, handicap, vermogen en sociale positie.

Een indirecte discriminatie op grond van afkomst, handicap, vermogen en sociale positie vindt plaats wanneer: 

  • een op het eerste gezicht neutrale praktijk;
  • personen met deze beschermde kenmerken in vergelijking met andere personen kan benadelen;
  • tenzij die praktijk objectief wordt gerechtvaardigd. Dit is het geval wanneer de praktijk een legitiem doel nastreeft en de middelen om dit doel te bereiken passend en noodzakelijk zijn.[5] Een praktijk die personen met een handicap benadeelt, is niet noodzakelijk wanneer de discriminerende impact kan worden vermeden door redelijke aanpassingen.[6] Als aan die voorwaarden is voldaan, moet ten slotte een afweging worden gemaakt tussen het nadeel voor personen met een of meer beschermde kenmerken en het belang van het nagestreefde doel (evenredigheid in de strikte zin).

In deze zaak voert de indiener van de klacht aan:

  • dat de school zijn zoon een oriënteringsattest A met uitsluitingen heeft gegeven (op het eerste gezicht neutrale praktijk);
  • dat zijn zoon hierdoor de beoogde richting Moderne talen – wetenschappen niet kon volgen (benadeling); en
  • dat de school bij het nemen van haar beslissing over het oriënteringsattest onvoldoende rekening heeft gehouden met de bijzondere omstandigheden van zijn zoon, waaronder zijn ADHD, het feit dat hij geen Belg is, en het gegeven dat hij uit een gezin met een lagere sociale status komt door financiële moeilijkheden die het gevolg zijn van de ziekte van zijn vader (benadeling in vergelijking met andere personen).

De Geschillenkamer onderzoekt in twee stappen of een discriminatie bewezen is. De eerste stap is vervuld als de indiener van de klacht feiten aanvoert die het bestaan van een discriminatie kunnen doen vermoeden. Als de indiener van de klacht een vermoeden van discriminatie aanvoert, moet de verweerster vervolgens (in de tweede stap) bewijzen dat er geen sprake is van een discriminatie. De verweerster kan dit doen door het vermoeden van discriminatie te weerleggen of door de benadelende praktijk te rechtvaardigen.[7]

B. Toepassing

De zoon van de indiener van de klacht kreeg in het schooljaar 2022-2023 voor het eerste jaar in het secundair onderwijs een A-attest met uitsluiting voor twee studierichtingen, namelijk voor klassieke talen (Grieks en Latijn) en moderne talen en wetenschappen. Hij mocht daarmee wel overgaan naar het tweede jaar, maar enkel naar bepaalde richtingen. De school heeft tijdens de hoorzitting bevestigd dat de uitsluiting gold voor alle richtingen die zij zelf aanbiedt. Daardoor moest de leerling hoe dan ook van school veranderen om een andere richting in het tweede leerjaar te volgen. 

De school heeft benadrukt dat het oordeel van de klassenraad misschien streng is, maar dat de deliberatiebeslissing inhoudelijk onderbouwd is en dat de zoon van de indiener niet anders of strenger werd behandeld dan andere leerlingen. 

Het staat vast dat de op het eerste gezicht neutrale beoordeling door de klassenraad, die vervolgens door de beroepscommissie werd bevestigd, een nadelige beslissing was voor de zoon van de indiener van de klacht. 

De Geschillenkamer moet nagaan of de zoon omwille van een of meer beschermde kenmerken is benadeeld in vergelijking met andere personen.

Op basis van alle elementen van het dossier is de Geschillenkamer van oordeel dat een benadeling in vergelijking met andere personen voor geen enkel van de ingeroepen beschermde kenmerken aannemelijk wordt gemaakt. Daarbij moet worden opgemerkt dat de indiener van de klacht tijdens de hoorzitting zelf heeft aangegeven dat hij in de eerste plaats een probleem had met de methode van delibereren, die volgens hem niet transparant is. Die methode waarborgt volgens hem niet dat de deliberatie zonder discriminatie gebeurt. De indiener van de klacht drukt enkel een vermoeden of vrees uit dat de door hem vermelde beschermde kenmerken, namelijk afkomst, handicap, vermogen en sociale positie, een rol zouden kunnen hebben gespeeld bij de beslissing van de school, maar stelt zelf dat hij daarvoor geen bewijselementen heeft. 

Het feit dat de klassenraad mogelijk ook tot een andere uitkomst had kunnen beslissen dan het A-attest met uitsluiting voor bepaalde richtingen, kan door de indiener van de klacht betreurd worden en als streng worden ervaren, maar doet op zichzelf geen discriminatie vermoeden. De Geschillenkamer stelt vast dat de uitsluiting van de richtingen wordt gemotiveerd in de beslissing van de klassenraad en in de beslissing van de beroepscommissie. De school heeft tijdens de hoorzitting bijkomende cijfers gegeven over de deliberatie van alle leerlingen in het jaar van de zoon van de indiener. Die cijfergegevens zijn weliswaar beperkter dan de informatie die de indiener graag had gekregen, maar geven in elk geval geen aanleiding tot een vermoeden van een nadelige behandeling op grond van een van de ingeroepen beschermde kenmerken. In het betrokken schooljaar kregen alle 239 leerlingen een A-attest, waarvan 15 met uitsluitingen van één of meerdere basisopties. Van die 15 leerlingen waren er 11 Belg. Van de 239 leerlingen hadden er 75 een zorgnood of een handelingsplan; 6 van hen kregen een A-attest met een uitsluiting. Er waren 7 leerlingen met een handelingsplan specifiek voor ADHD; van die groep was de zoon van de indiener van de klacht de enige die een A-attest met een uitsluiting kreeg. De school heeft ook de deliberatiebeslissingen voor de andere leerlingen met gelijkaardige tekorten als de zoon van de indiener toegelicht.

Specifiek wat de ADHD van de zoon betreft merkt de Geschillenkamer nog op dat er met de school een handelingsplan was opgesteld. De school heeft aangegeven dat zo’n plan tot doel heeft om door middel van onder meer compenserende en remediërende maatregelen ervoor te zorgen dat een leerling de leerplandoelstellingen kan behalen door de evaluaties succesvol af te leggen. Het opstellen van een handelingsplan op zichzelf leidt niet tot een soepelere beoordeling bij de deliberatie. De Geschillenkamer stelt ook vast dat de indiener de inhoud van het handelingsplan niet bekritiseert. De hierboven vermelde statistische gegevens die de school heeft toegelicht wijzen er tot slot niet op dat leerlingen met een zorgnood bij de deliberatie nadelig werden behandeld in vergelijking met de andere leerlingen. 

Wat het door de indiener vermelde pesten betreft, stelt de Geschillenkamer vast dat de school hiervan pas na de deliberatie op de hoogte werd gebracht. Aangezien dat geen rol kan hebben gespeeld bij de deliberatiebeslissing, moet er niet worden nagegaan of er sprake is van een benadeling op grond van een of meerdere door het Gelijkekansendecreet beschermde kenmerken.            

De Geschillenkamer is bijgevolg van oordeel dat er geen feiten zijn aangevoerd die het bestaan van een discriminatie kunnen doen vermoeden. 

Oordeel van de Geschillenkamer

Om die redenen oordeelt de Geschillenkamer dat er geen indirecte discriminatie op grond van afkomst, handicap, vermogen en sociale positie overeenkomstig het Gelijkekansendecreet kan worden vastgesteld.

Voetnoten
  1. Art. 13, § 5 VMRI-decreet.
  2. Art. 13, § 4 VMRI-decreet.
  3. Artikel 13, §1 en 3 en artikel 14 VMRI-decreet.
  4. Artikel 16, §1 Gelijkekansendecreet.
  5. Artikel 16, §1, artikel 20, 6° en artikel 24, §1 Gelijkekansendecreet.
  6. Artikel 16, § 2, Gelijkekansendecreet.
  7. Artikel 36, §1 Gelijkekansendecreet.
  8. Artikel 36, §4, Gelijkekansendecreet
  9. Artikel 17, §1 Gelijkekansendecreet.
  10. Artikel 36, §1 Gelijkekansendecreet.
  11. Artikel 37, §1 Gelijkekansendecreet.
  12. Artikel 37, §2, 1°-2° Gelijkekansendecreet.
  13. Artikel 37, §3 Gelijkekansendecreet.

Download het oordeel

Ook interessant