Overslaan en naar de inhoud gaan

Provincie Vlaams-Brabant discrimineert door verbod bedekkende zwemkledij in Provinciedomein Halve Maan

info

Samenvatting oordeel

Situatie 

Op 1 juli 2025 bracht de indiener van de klacht met zijn kinderen een bezoek aan de zwembadzone van het provinciaal domein Halve Maan in Diest. Toen het gezin het zwembad wou betreden, werd één van hen, de oudste dochter van 12 jaar oud, die een “boerkini” droeg in zwembadstof die haar armen en benen bedekte, door de redders aangesproken over het niet naleven van de kledingvoorschriften. Zij moest het zwembad verlaten. 

Beoordeling door de Geschillenkamer

De betwiste kledingregel zorgt ervoor dat een zogenaamde “boerkini” niet is toegelaten in het zwemgedeelte van het Provinciedomein Halve Maan. In België dragen voornamelijk islamitische meisjes en vrouwen deze zwemkleding. Bovendien verschilt hun zogenaamd ras en hun nationale of etnische afstamming van die van de meerderheid. Daarom benadeelt de kledingregel deze meisjes en vrouwen op het raakvlak van hun geloofsovertuiging, geslacht en zogenaamd ras en nationale of etnische afstamming. De Geschillenkamer onderzocht daarom of er sprake was van intersectionele discriminatie of kruispuntdiscriminatie. 

Volgens de provincie zou het niet discriminerend zijn om meisjes en vrouwen die een zogenaamde “boerkini” dragen te benadelen, omdat de kledingregel een passende en noodzakelijke maatregel zou zijn om de hygiëne en de veiligheid in het zwembad te waarborgen. De Geschillenkamer is van oordeel dat dit legitieme doelen zijn.  

De Geschillenkamer onderzocht daarna zorgvuldig de relatie tussen de kledingregel en de doelen die de regel beoogt. De provincie Vlaams-Brabant moest aantonen dat het dragen van lichaamsbedekkende zwemkleding wel degelijk een risico vormt voor de hygiëne en veiligheid. De provincie bracht echter onvoldoende bewijs aan om dit te staven. De Geschillenkamer verwees daarbij naar haar oordeel 2024-11 over het Provinciedomein Halve Maan en onderzocht de bijkomende argumenten die de provincie in deze zaak aanbracht.  

De provincie toonde dan ook niet aan dat een verbod op lichaamsbedekkende zwemkleding een passende en noodzakelijke maatregel is om de hygiëne of de veiligheid in het zwembad te verwezenlijken. 

Oordeel

Om die redenen oordeelt de Geschillenkamer dat er sprake is van een indirecte intersectionele discriminatie op grond van geloofsovertuiging, geslacht en zogenaamd ras en nationale of etnische afstamming overeenkomstig het Gelijkekansendecreet. 

Aanbevelingen

Om deze discriminaties te beëindigen, beveelt de Geschillenkamer de provincie Vlaams-Brabant volgende maatregelen aan: 

  • als structurele maatregel, de kledingvoorschriften in haar reglement aan te passen zodat die ook lichaamsbedekkende zwemkleding uit zwemstof die tot aan de polsen en enkels reikt en met eventuele hoofdbedekking uit zwemstof toelaten in het provinciaal recreatiedomein Halve Maan. 

Volledig oordeel

De Geschillenkamer, samengesteld uit voorzitter Eva Brems, bijzitter Jonas Riemslagh en bijzitter Sarah Lambrecht, en bijgestaan door griffier Dorien Geeroms, spreekt het volgende oordeel uit: 

Procedure

De Geschillenkamer heeft de klacht ontvangen op 28 januari 2026. 

De fase van het uitwisselen van standpunten en overtuigingsstukken werd afgerond op 8 mei 2026.  

De Geschillenkamer ontving volgende stukken:   

  • het standpunt van de verweerster van 16 maart 2026 
  • het antwoord van de indiener van de klacht van 16 april 2026 
  • het antwoord van de verweerster van 8 mei 2026. 

De Geschillenkamer behandelde de zaak tijdens een hoorzitting op 27 mei 2026. De indiener van de klacht was zelf aanwezig met zijn dochter en zij werden bijgestaan door een tolk Frans. De provincie werd vertegenwoordigd door twee personeelsleden.  

Feiten

Op 1 juli 2025 bracht de indiener met zijn kinderen een bezoek aan de zwembadzone van het provinciaal domein Halve Maan in Diest. Ze sloten die dag een gezinsabonnement af van 100 euro. 

Toen het gezin het zwembad wou betreden, werd één van hen, de oudste dochter van 12 jaar oud, die een boerkini droeg in zwembadstof die haar armen en benen bedekte, door de redders aangesproken over het niet naleven van de kledingvoorschriften. Zij moest naar eigen zeggen meerdere keren het zwembad verlaten, waarna zij samen met haar vader naar het onthaal ging om de situatie aan te kaarten.  

De Geschillenkamer heeft de klacht ontvangen op 28 januari 2026. 

Standpunten partijen

Standpunt indiener klacht


De indiener geeft aan dat hij de kledingvoorschriften die gelden in het zwembad Halve Maan Diest in strijd vindt met de grondwet en de wet. Hij geeft aan dat zijn dochter kledij droeg die geschikt is om mee te zwemmen. Hij vindt het niet kunnen dat vier personen een 12-jarig meisje berispten en haar vroegen om het zwembad te verlaten. Hij heeft het meisje toegelaten om eerst nog te proberen haar boerkini tot haar ellebogen op te trekken, enkel en alleen omdat hij niet wou dat ze verdrietig was, want volgens hun religie is het verboden om het lichaam van meisjes of vrouwen te tonen.  


Toen ze naar het onthaal stapten om meer toelichting te krijgen, werd er volgens indiener geen oplossing gevonden. Er werd ook niet gereageerd op het feit dat hij aangaf dat er zich op dat moment ook meerdere jongens in het zwembad bevonden die volgens hem ongeschikte kledij droegen, maar deze niet uit het water werden gehaald. Hij geeft aan dat hij het gezinsabonnement, dat hij pas die dag had aangekocht, weer wou opzeggen, maar kreeg te horen dat de terugbetaling hiervan niet mogelijk was. 


Sinds het bezoek op 1 juli 2025, is het gezin niet meer teruggekeerd naar het zwembad.  

Standpunt verweerster


De provincie geeft aan dat zij geen onderbouwd standpunt kan innemen over het voorval met de redders, omdat dit hen niet is bijgebleven. Omdat het meisje de instructies van de redders uiteindelijk opvolgde, beschouwen de redders dit niet als een bijzonder incident. Het aanspreken van bezoekers die niet aan de kledingvoorschriften voldoen, behoort immers tot hun dagelijkse taken. Alleen wanneer iemand hardnekkig weigert de instructies te volgen of er sprake is van verbale of fysieke agressie, wordt dit als een echt incident beschouwd. Het zijn die uitzonderlijke gevallen die redders zich herinneren.  


Over de bewijsstukken (video’s) die er bestaan over het gesprek aan het onthaal, geeft de provincie aan dat daaruit enkel met zekerheid blijkt dat:  
 

  • de indiener erkent dat een reglement bestaat en dat zijn gezin dit moet naleven; 
  • de indiener aangeeft dat andere bezoekers volgens hem eveneens niet-conforme kledij droegen zonder daarop aangesproken te worden, waardoor hij de indruk heeft dat de regels enkel voor het meisje gelden;  
  • de indiener geen terugbetaling of andere oplossing vroeg, maar vooral zijn ongenoegen wilde uiten over de volgens hem ongelijke toepassing van de kledingvoorschriften.  


Vooraleer in te gaan op de beweerde discriminatie, geeft de provincie eerst aan dat ze meent dat er sprake is van een tergende en roekeloze klacht. In de filmpjes zou de indiener immers herhaaldelijk begrip hebben getoond voor de geldende voorschriften en bereid geweest zijn om bij een volgend bezoek te zorgen voor een geschikt badpak voor het meisje. Volgens de provincie kan de indiener zich dan ook niet op een geloofwaardige manier beroepen op een schending van het discriminatieverbod, omdat zijn geloof hem niet verhindert om zich aan de kledingvoorschriften te houden. De klacht zou enkel een louter ongenoegen formuleren over het feit dat er geen eenmalige uitzondering op de regel werd toegestaan door de redder, zodat er geen redelijk belang in hoofde van de indiener zou bestaan.  


De provincie begrijpt de klacht als een beschuldiging van directe discriminatie op basis van geslacht en godsdienst, maar betwist dat hiervan sprake is. Volgens haar zet de indiener op geen enkele manier uiteen om welke reden de zwembadregels in strijd zouden zijn met de wet of de grondwet. Zowel de kledingvoorschriften uit het provinciereglement, als de daarop gebaseerde instructies van de redders om het water te verlaten, zijn volgens haar niet discriminerend. De kledingvoorschriften gelden immers voor iedereen gelijk, ongeacht religie, afkomst of geslacht. Iedereen die loszittende of te bedekkende kledij (kledij die het lichaam bedekt onder de knie en/of elleboog) draagt, wordt gevraagd het zwembad te verlaten. 


De provincie geeft aan dat kledingvoorschriften niet gebaseerd zijn op religieuze redenen, maar op ecologische, hygiënische en veiligheidsredenen. Daarbij wordt ook verwezen naar reglementaire verplichtingen voor zwembaduitbaters om de gezondheid en veiligheid van bezoekers te beschermen. In de praktijk uit zich dit volgens de provincie in de plicht voor zwembadexploitanten en zwembadpersoneel om toe te zien en uit te sluiten dat een bezoeker de veiligheid, gezondheid of hygiëne voor andere bezoekers en/of zichzelf in het gedrang kan brengen, door onder meer het bepalen en controleren van de toegelaten zwemkledij.  


De provincie voert verder aan dat: 
 

  • volledig bedekkende of loszittende kledij het verplichte stortbad minder doeltreffend maakt en zo de waterkwaliteit kan beïnvloeden;  
  • dergelijke kledij controle op huidaandoeningen en op het dragen van niet-toegelaten stoffen bemoeilijkt;  
  • loszittende kledij veiligheidsrisico’s inhoudt, onder meer door verhoogd verdrinkingsgevaar en moeilijkere reddingsoperaties.  


Zelfs indien er sprake zou zijn van een verschil in behandeling, meent de provincie dan ook dat er hoe dan ook een legitieme, objectieve, noodzakelijke en proportionele rechtvaardiging is. 


De provincie wijst bijkomend op een persartikel “Zwemslips zijn wel degelijk hygiënischer dan lange shorts, blijkt uit experiment in Nederland” dat volgens haar nogmaals aangeeft dat de aard en omvang van kledij wel degelijk een invloed heeft op de hygiëne en kwaliteit van het water.  


Verder stelt de provincie dat uitzonderingen op de kledingregels bewust niet worden toegestaan, omdat dit aanleiding zou geven tot discussies en een precedent zou scheppen. Daarom worden de voorschriften strikt en uniform toegepast. 


De bewering dat andere bezoekers met loszittende zwemshorts niet zouden zijn aangesproken, wordt uitdrukkelijk betwist. Volgens de provincie worden alle bezoekers die de regels overtreden op dezelfde manier aangesproken en is er geen bewijs van selectieve behandeling. 


Tot slot wijst de provincie erop dat de indiener in de videobeelden zelf aangeeft begrip te hebben voor de regels en bereid te zijn om bij een volgend bezoek aangepaste zwemkledij te voorzien. Volgens de provincie ondermijnt dit de stelling dat sprake zou zijn van discriminatie op basis van geloof. De provincie besluit dan ook dat het eerder gaat om ongenoegen over de toepassing van duidelijke en vooraf kenbaar gemaakte regels dan om daadwerkelijke discriminatie. 

Beoordeling door de Geschillenkamer 

De Geschillenkamer bespreekt hierna eerst de ontvankelijkheid van de klacht (I), eerst wat haar bevoegdheid betreft (I.A) en vervolgens wat betreft het argument van de provincie dat de klacht kennelijk roekeloos en tergend is (I.B). Daarna onderzoekt de Geschillenkamer de gegrondheid van de discriminatieklacht (II).  

I. Ontvankelijkheid van de klacht

A. Bevoegdheid van de Geschillenkamer 

De indiener stelt in zijn klacht dat de kledingvoorschriften in strijd zijn met de Grondwet en de wet. Hij stelt dat er sprake is van discriminatie.  

De Geschillenkamer is enkel bevoegd om op niet-bindende wijze te beoordelen of er sprake is van een discriminatie in de zin van het Gelijkekansendecreet. [1] De klacht wordt hierna dan ook enkel onderzocht in het licht van het discriminatieverbod zoals vervat in dat decreet. Overigens heeft de provincie ook dat decreet genomen als kader voor haar argumentatie.  

B. De klacht is niet kennelijk roekeloos of tergend 

De provincie argumenteert dat de klacht roekeloos en tergend is omdat de indiener heeft gezegd dat hij begrip heeft voor de geldende voorschriften, maar een uitzondering voor zijn dochter heeft gevraagd. Dat blijkt uit de video’s van het gesprek aan het onthaal.  

De klacht die vervolgens bij het VMRI is ingediend, is duidelijk gericht tegen de kledingvoorschriften die ten aanzien van zijn dochter werden toegepast. De provincie heeft daarover ook een argumentatie aangebracht. Dat de indiener op de dag van het incident aan het onthaal eerst en vooral een oplossing voor die zwemuitstap probeerde te vinden, doet daaraan geen afbreuk.  

De klacht is bijgevolg niet kennelijk roekeloos of tergend. De klacht is dus wel degelijk ontvankelijk.  

II. Indirecte discriminatie

A. Algemeen

De zaak die aan de Geschillenkamer wordt voorgelegd, gaat over de kledingvoorschriften die gelden in het zwembad van het provinciedomein Halve Maan te Diest en die de dochter van de indiener van de klacht verhinderen om van het zwembad gebruik te maken op een manier die overeenstemt met hun religieuze overtuiging.  

De Geschillenkamer onderzoekt of er sprake is van een intersectionele discriminatie (kruispuntdiscriminatie). Dit is discriminatie op grond van meerdere beschermde kenmerken waarbij de combinatie van die kenmerken leidt tot een nadeel dat zich niet op dezelfde manier zou stellen op grond van één van die kenmerken alleen. Centraal in deze zaak staat een verbod op het dragen van een zogenaamde “boerkini”. Dit is een lichaamsbedekkend badpak dat meestal uit twee delen bestaat en waar een hoofdbedekking bij hoort. Het bestaat uit hetzelfde materiaal als andere badpakken (“zwemstof”), en zit enigszins los rond het lichaam. Deze zwemkleding wordt in België hoofdzakelijk gedragen door islamitische vrouwen, die ervoor kiezen omwille van hun geloofsovertuiging. Bovendien verschilt het zogenaamd ras en de nationale of etnische afstamming van deze vrouwen doorgaans van deze van de meerderheid. Om die reden betreft de aangevoerde discriminatie het kruispunt van geloofsovertuiging, geslacht, zogenaamd ras en nationale of etnische afstamming. [2] [3] 

Hierna onderzoekt de Geschillenkamer de aangevoerde discriminerende impact van de reglementering van zwemkleding in het provinciedomein Halve Maan in Diest ten aanzien van meisjes en vrouwen die zogenaamde “boerkini’s” dragen. Hierbij moet de Geschillenkamer oordelen of er sprake is van indirecte discriminatie.  

Dit dossier is niet de eerste zaak over de kledingvoorschriften in het zwembad van de provincie die aan de Geschillenkamer wordt voorgelegd. De Geschillenkamer bracht daarover eerder al oordeel 2024-11 van 9 december 2024 uit. De provincie heeft tijdens de hoorzitting bevestigd dat de kledingvoorschriften sindsdien niet zijn veranderd. [4] De Geschillenkamer vindt het dan ook nuttig om hierna bepaalde onderdelen van dat oordeel te hernemen. Daarnaast wordt ook ingegaan op de specifieke argumenten die de provincie in deze zaak aanvoert. 

B. Het begrip indirecte discriminatie en de bewijsregeling 

Een indirecte discriminatie op het raakvlak van geloofsovertuiging, geslacht en zogenaamd ras en nationale of etnische afstamming vindt plaats wanneer: 

  • een op het eerste gezicht neutrale praktijk; 
  • personen met die beschermde kenmerken in vergelijking met andere personen kan benadelen; 
  • tenzij die praktijk objectief wordt gerechtvaardigd. Dit is het geval wanneer de praktijk een legitiem doel nastreeft en de middelen om dit doel te bereiken passend en noodzakelijk zijn. [5] Als aan die voorwaarden is voldaan, moet ten slotte een afweging worden gemaakt tussen het nadeel voor personen met een of meer beschermde kenmerken en het belang van het nagestreefde doel.  

Een op het eerste gezicht neutrale regeling kan eveneens een disproportionele impact hebben op personen met deze beschermde kenmerken, en hen bijzonder treffen op het raakvlak van deze kenmerken (indirecte intersectionele discriminatie). [6] Bij de rechtvaardigingstoets houdt de Geschillenkamer rekening met de omstandigheid dat meerdere beschermde kenmerken aan de orde zijn, en met de bijzondere kwetsbaarheid van de benadeelde persoon die daaruit kan voortvloeien. [7] In het bijzonder kan de Geschillenkamer de toetsingsintensiteit verhogen en dus een strikter toezicht uitoefenen op de verantwoording van de ongunstige behandeling. [8] 

De Geschillenkamer onderzoekt deze elementen in twee stappen. Als de indiener van de klacht feiten aanvoert die het bestaan van een discriminatie kunnen doen vermoeden, valt de bewijslast dat er geen discriminatie is ten laste van de verweerder. [9] De verweerder kan dit bewijs leveren door het vermoeden van de indiener van de klacht te weerleggen of door de benadeling te rechtvaardigen. 

De klacht van de indiener houdt in essentie in dat: 

  • dat de provincie Vlaams-Brabant in haar reglement van orde voor het Provinciedomein Halve Maan in Diest niet toelaat dat personen zich in het zwemgedeelte begeven met lange lichaamsbedekkende zwemkleding, aangezien mouwen voorbij de ellebogen en broekspijpen voorbij de knieën verboden zijn (op het eerste gezicht neutrale praktijk); 
  • waardoor meisjes en vrouwen die zogenaamde “boerkini’s” dragen omwille van hun geloofsovertuiging, zich niet mogen begeven in het zwemgedeelte van het provinciedomein (benadeling van personen met beschermde kenmerken). 

De provincie Vlaams-Brabant geeft aan dat deze bepaling tot doel heeft de hygiëne en veiligheid in het zwemgedeelte en het zwembadcomplex van het provinciedomein te beschermen, en voert aan dat het verbod op lange lichaamsbedekkende zwemkleding passend en noodzakelijk is om deze doelen te bereiken. 

De Geschillenkamer onderzoekt deze elementen opeenvolgend.  

C. Op het eerste gezicht neutrale praktijk 

Artikel 19, 7°, van het provinciaal reglement van orde Provinciedomein Halve Maan Diest [10] bepaalt over de kledingvoorschriften in het zwemgedeelte en het zwembadcomplex: 

“Het is verplicht om zwemkledij te dragen in het zwemgedeelte. De zwemkledij is vervaardigd uit materiaal dat enkel geschikt is om te zwemmen. Onder zwemkledij wordt verstaan:  

a) voor de heren een zwembroek boven de knie zonder zakken;  

b) voor de dames een ééndelig, aansluitend en uit zwemstof vervaardigd badpak met stof tot boven de knie en zonder zakken en tot boven de elleboog, bikini of tankini;  

c) Geen enkele vorm van hoofddeksel wordt toegelaten in het zwemgedeelte, met uitzondering van een badmuts;  

Zwemmen met niet aangepaste zwemkledij is slechts mogelijk na toestemming van de redders en/of directie. Dit kan enkel omwille van medische redenen of in het kader van reddend zwemmen.” 

Zoals de provincie Vlaams-Brabant aangeeft, viseert het reglement geen specifieke zwemkleding of personen op basis van beschermde kenmerken.  

Dit reglement is dus op het eerste gezicht neutraal, aangezien het geldt voor alle bezoekers van de zwemzones en er daarbij geen direct onderscheid wordt gemaakt op basis van beschermde kenmerken. 

D. Benadeling van personen met beschermde kenmerken 

De hierboven aangehaalde bepaling in het reglement van orde heeft tot gevolg dat een zogenaamde “boerkini” niet is toegelaten in het zwemgedeelte van het Provinciedomein Halve Maan. Zoals eerder werd opgemerkt, zijn draagsters van deze zwemkleding in België hoofdzakelijk islamitische meisjes en vrouwen, wier zogenaamd ras en nationale of etnische afstamming bovendien verschilt van deze van de meerderheid. [11] Daarom benadeelt het provinciaal reglement van orde deze meisjes en vrouwen op het raakvlak van hun geloofsovertuiging, geslacht en zogenaamd ras en nationale of etnische afstamming.  

De Geschillenkamer moet nu dus onderzoeken of deze benadeling gerechtvaardigd is in het kader van de bescherming van een legitiem doel.

E. Rechtvaardiging 
1. Legitiem doel 

De provincie Vlaams-Brabant beoogt met haar reglement de hygiëne en veiligheid in het zwemgedeelte van het Provinciedomein te beschermen. De Geschillenkamer is van oordeel dat dit legitieme doelen zijn.  

Vervolgens wordt onderzocht of de provincie Vlaams-Brabant heeft aangetoond dat deze doelen de betwiste verbodsmaatregel rechtvaardigen. 

Aangezien de argumentatie van de provincie in belangrijke mate overeenstemt met haar argumentatie in de eerdere zaak over Halve Maan te Diest, wordt telkens eerst het oordeel van de Geschillenkamer daarover in herinnering gebracht. 

2. Hygiëne: herinnering aan oordeel 2024-11

In oordeel 2024-11 heeft de Geschillenkamer als volgt geoordeeld over de hygiënische doelstellingen [12]:  

“De provincie Vlaams-Brabant stelt dat lange bedekkende zwemkleding verschillende risico’s inhoudt voor de hygiëne.  

De provincie stelt in de eerste plaats dat volledig bedekkende kleding niet toelaat alle stoffen zoals haargel, cosmetica, crèmes, zweet en urine weg te spoelen tijdens het verplichte stortbad voor het betreden van het zwembad. Dat dergelijke stoffen de waterkwaliteit negatief beïnvloeden, wordt niet betwist. Zoals de provincie aanhaalt, kan dit rechtstreeks gebeuren, en ook onrechtstreeks doordat deze stoffen het automatische ontsmettingssysteem beïnvloeden waardoor het chloorgehalte overmatig kan stijgen.  

Het buurthuis betwist dat de extra hoeveelheid textiel die het verschil uitmaakt tussen een toegelaten en een verboden badpak een dermate grotere hoeveelheid problematische stoffen in het zwemwater zou doen terechtkomen dat de hygiëne hierdoor bedreigd zou worden. Het wordt in die stelling ondersteund door twee expertenopinies. 

In een advies van 18 maart 2016 gaf het Vlaams Agentschap voor Zorg en Gezondheid aan dat de Vlaamse milieuwetgeving (VLAREM) geen kledingvoorschriften voor zwembaden bevat. Over het passend en noodzakelijk karakter van een verbod van zogenaamde “boerkini’s” om hygiënische redenen stelde het Agentschap: 

“Het agentschap is van oordeel dat zwembadkledij vooral proper moet zijn. Vanuit hygiënisch oogpunt mag zwemkleding ook alleen gebruikt worden om te zwemmen of te baden en moet deze regelmatig gewassen worden. Het toezicht op een correct hygiënisch gebruik van zwemkleding is voor de zwembadverantwoordelijke geen gemakkelijke opgave maar een boerkini verschilt daarin niet van andere specifiek op baden of zwemmen gerichte kledij. Boerkini’s verbieden louter omwille van hygiënische reden is bijgevolg niet gepast. Bij correct gebruik voldoen zij als zwemkleding aan de hygiënische eisen.” 

Het Agentschap besluit in zijn advies van 18 maart 2016 dat zogenaamde “boerkini’s” verbieden louter omwille van hygiënische reden niet gepast is. Bij correct gebruik voldoen zij als zwemkleding aan de hygiënische eisen. 

Dit wordt bevestigd door de conclusies van Dr. Keuten (TUDelft), die gespecialiseerd is in de waterkwaliteit van zwembaden en die naging wat uit de wetenschappelijke literatuur kan worden afgeleid. Hij concludeert dat er bij gebruik van een zogenaamde “boerkini” meer zeepresten aanwezig zijn dan bij gebruik van andere zwemkleding, maar dat die in gelijke mate worden verwijderd tijdens het douchen. Na 15 seconden douchen is 50% van het initieel “zwemmersvuil” verwijderd en na 30 seconden is dat 75%. Dit geldt eveneens voor het argument dat eventuele onderkleding niet zichtbaar en potentieel onhygiënisch zou zijn. Bovendien is er bij zwemmers met bedekkende zwemkleding die daaronder geen zonnebrandcrème dragen, minder vervuiling door de bijproducten daarvan dan bij andere zwemmers die zonnebrandcrème gebruiken op hun lichaam. Voor een openluchtzwembad is dat een relevant element. 

Het buurthuis stelt dat – als de provincie nog verder wil gaan in het verwijderen van stoffen die zich in zwemkleding bevinden – een minder ingrijpende maatregel dan een verbod op lange zwemkleding kan bestaan in de verplichting om (eventueel enkel lange) zwemkleding uit te spoelen vooraleer ze aan te trekken. Dr. Keuten stelt dat dit – voor zwemkleding in het algemeen – overeenstemt met het advies van verschillende producenten van zwemkleding en dat sommige zwembaden deze maatregel ook hebben opgenomen in de huisregels. 

In de tweede plaats stelt de provincie Vlaams-Brabant dat lichaamsbedekkende kleding problematisch is omdat ze de controle op eventuele huidaandoeningen bij de bezoeker bemoeilijkt. Zij brengt geen bewijs aan dat toelaat in te schatten hoe groot het hygiënerisico is dat hierdoor kan worden veroorzaakt. Op de zitting werd verduidelijkt dat het bijvoorbeeld zou kunnen gaan om open verwondingen die afdekking behoeven. Het buurthuis brengt hiertegen in dat wanneer een huidaandoening bedekt is door zwemkleding, er net minder afscheiding in het zwembad zou terechtkomen, omdat de bedekkende kleding een deel zou tegenhouden. In ieder geval gaat het enkel om de stukken huid van knie tot enkel en van elleboog tot pols, aangezien zwemkleding die het lichaam bedekt tot de knie en elleboog toegelaten is.  

In de derde plaats stelt de provincie Vlaams-Brabant dat volledig bedekkende en loszittende kleding de controle bemoeilijkt op het dragen van (onder)kleding waarvan het materiaal vanuit hygiënisch oogpunt niet geschikt is om te zwemmen. De bevindingen van Dr. Keuten gaan hierop in en stellen dat eventuele vervuiling in onhygiënische onderkleding tijdens het douchen voor het zwemmen mee wordt afgespoeld. Het reglement van orde van het provinciedomein verplicht het gebruik van het stortbad vooraleer het zwemgedeelte te betreden. [13] 

De Geschillenkamer is van oordeel dat de provincie Vlaams-Brabant op geen van de aangehaalde drie punten aantoont dat een verbod op lichaamsbedekkende zwemkleding uit zwemstof passend en noodzakelijk is voor de hygiëne.” 

3. Hygiëne: bijkomende argumenten van de provincie 

In deze zaak verwijst de provincie bijkomend naar een artikel op een nieuwswebsite met de titel “Zwemslips zijn wel degelijk hygiënischer dan lange shorts, blijkt uit experiment in Nederland”. [14] Daaruit blijkt volgens haar dat de aard en de omvang van kledij wel degelijk een invloed heeft op de hygiëne en de kwaliteit van het water.  

Voor de Geschillenkamer weerlegt dat nieuwsartikel om verschillende redenen de conclusie uit oordeel 2024-11 niet.  

Het gaat over een vrijwillig experiment van een groep collega’s aan een Nederlandse universiteit over het verschil tussen zwemslips en lange shorts. Wat zwemkleding voor mannen betreft laat het reglement voor Halve Maan zowel slips als een “zwembroek boven de knie zonder zakken” toe. Volgens het nieuwsartikel bestond het experiment uit twee delen. In het eerste deel liepen de vrijwilligers 2 uur lang rond op het droge, meer bepaald in het labo. In het tweede deel zwommen een aantal deelnemers in natuurwater. In geen van de experimenten wordt rekening gehouden met het effect van het douchen. Zoals de provincie heeft benadrukt, is het gebruik van het stortbad alvorens het zwemgedeelte te betreden verplicht. [15] 

In het nieuwsartikel geeft een van de onderzoekers als mogelijke verklaring voor het vastgestelde verschil bovendien dat “lange shorts vaak gemaakt [zijn] van natuurlijke materialen als katoen”, waarin bacteriën beter gedijen “dan in de elastische en synthetische stoffen, waar zwemslips van gemaakt zijn”. De zwemkleding die de dochter van de indiener wenst te dragen en die ook op de hoorzitting is getoond, behoort tot die tweede categorie.  

Om die redenen ziet de Geschillenkamer geen reden om af te wijken van het oordeel 2024-11.  

4. Veiligheid: herinnering aan oordeel 2024-11

In oordeel 2024-11 heeft de Geschillenkamer als volgt geoordeeld over de veiligheidsdoelstellingen ¨[16]:  

“De provincie Vlaams-Brabant stelt dat de beperking van de lichaamsbedekkende zwemkleding tot boven de elleboog en knie bovendien is ingegeven door veiligheidsoverwegingen.  

De provincie stelt hierover in de eerste plaats dat niet-aansluitende zwemkleding het risico verhoogt op verdrinking omdat een zwemmer met loszittende kleding sneller kan blijven vasthaken aan traptredes, trapleuningen, zwembadlichten enzovoort. De provincie voert geen bewijsmateriaal aan dat dit kan aantonen. In dit verband kan erop worden gewezen dat een zogenaamde “boerkini” in de regel geen loshangende onderdelen zoals linten of touwtjes bevat. 

In het reeds vermelde advies van 18 maart 2016 stelde het Agentschap voor Zorg en Gezondheid over het passend en noodzakelijk karakter van een verbod van zogenaamde “boerkini’s” om veiligheidsredenen: 

“Wat betreft het argument dat het dragen van een boerkini het zwemmen bemoeilijkt, kan ik u meedelen dat er bij het agentschap tot op heden nog geen onveilige situaties gemeld zijn die in relatie staan met het dragen van een boerkini.”  

Dr. Keuten (TUDelft) concludeert dat veiligheidsaspecten met betrekking tot verdrinking en letsel bij gebruik van een zogenaamde “boerkini” niet anders zijn dan bij andere zwemkleding. Doordat zogenaamde “boerkini’s” gemaakt zijn van dezelfde soort stof als andere zwemkleding, houden zij weinig vocht vast en droogt de stof na het zwemmen snel. 

Daarnaast voert de provincie Vlaams-Brabant aan dat lange zwemkleding het werk van redders bemoeilijkt bij interventies. Deze zwemkleding zou zwaarder zijn omdat ze meer vocht opneemt, en de redders zouden niet opgeleid zijn om te kunnen omgaan met zwemmers met bedekkende zwemkleding. De provincie toont echter niet aan dat de extra zwemstof tussen ellebogen en polsen en tussen knieën en enkels het werk van redders bemoeilijkt. Het materiaal waaruit zogenaamde “boerkini’s” gemaakt zijn, houdt weinig vocht vast, zodat wat het gewicht betreft, een vergelijking met een zwemmer met gewone kleding niet opgaat. De Geschillenkamer merkt bovendien op dat indien zich hier aandachtspunten voor redders voordoen, deze allicht kunnen opgevangen worden door bijkomende instructies of training. Het feit dat met de specifieke kleding van een intersectionele minderheidsgroep geen rekening wordt gehouden in een opleiding, kan geen ongelijke behandeling van die groep rechtvaardigen. Eerder moet de opleiding dan worden bijgestuurd. 

Net zoals voor de mogelijke risico’s inzake hygiëne, geldt voor de mogelijke risico’s inzake veiligheid, dat het aan de provincie Vlaams-Brabant toekomt om aan te tonen dat deze reëel en zwaarwegend zijn. De Geschillenkamer is van oordeel dat de provincie Vlaams-Brabant geen elementen aanbrengt die een reëel en zwaarwegend veiligheidsrisico aantonen dat voortvloeit uit het dragen van lichaamsbedekkende zwemkleding. Er is dan ook niet aangetoond dat een verbod op lichaamsbedekkende zwemkleding uit zwemstof passend en noodzakelijk is voor de veiligheid.” 

5. Veiligheid: bijkomende argumenten van de provincie

De provincie voert in deze zaak geen bijkomende argumenten aan over de veiligheidsdoelstelling.  

De Geschillenkamer ziet geen reden om af te wijken van het oordeel 2024-11.  

6. Besluit  

De Geschillenkamer is van oordeel dat het passend en noodzakelijk karakter van het verbod op lichaamsbedekkende zwemkleding in zwemstof niet voldoende is aangetoond. De intersectionele benadeling van meisjes en vrouwen die zogenaamde “boerkini’s” dragen is niet gerechtvaardigd. 

Oordeel van de Geschillenkamer

Om die redenen oordeelt de Geschillenkamer dat er sprake is van een indirecte intersectionele discriminatie op grond van geloofsovertuiging, geslacht en zogenaamd ras en nationale of etnische afstamming overeenkomstig het Gelijkekansendecreet. 

Aanbevelingen van de Geschillenkamer 

Om de vastgestelde discriminaties te beëindigen, beveelt de Geschillenkamer de provincie Vlaams-Brabant aan: 

  • als structurele maatregel, de kledingvoorschriften in haar reglement aan te passen zodat die ook lichaamsbedekkende zwemkleding uit zwemstof die tot aan de polsen en enkels reikt en met eventuele hoofdbedekking uit zwemstof toelaten in het provinciaal recreatiedomein Halve Maan. 
Voetnoten
  1. En het Decreet evenredige arbeidsparticipatie, dat in deze zaak niet toepasselijk is. Artikel 13, §1 en 3 en artikel 14 VMRI-decreet
  2. Die kenmerken liggen in lijn met de kenmerken die de provincie in haar standpunt zelf heeft geïdentificeerd 
  3. Zie ook Oordeel 2024-8 van 30 september 2024 en Oordeel 2024-11 van 9 december 2024
  4. De provincieraad lijkt op 31 maart 2026 een nieuw reglement van orde Provinciedomein De Halve Maan Diest te hebben vastgesteld. Artikel 19, 6°, van dat reglement stemt inhoudelijk overeen met het artikel 19, 7°, dat hierna wordt besproken. Het is ook naar die bepaling dat de provincie in haar standpunt heeft verwezen. De Geschillenkamer verwijst in dit oordeel dan ook naar de bepaling van het reglement dat van toepassing was op het tijdstip van de feiten waarop de klacht betrekking heeft 
  5. Artikel 16, § 2, Gelijkekansendecreet
  6. Parl.St. Vlaams Parlement, 2023-24, nr. 1937/1, 64
  7. Art. 27bisGelijkekansendecreet
  8. Parl.St. Vlaams Parlement, 2023-24, nr. 1937/1, 73-74
  9. Artikel 36, § 1, Gelijkekansendecreet
  10. Zoals van toepassing op het tijdstip van de feiten
  11. Zie ook Oordeel 2024-8 van 30 september 2024 en Oordeel 2024-11 van 9 december 2024
  12. Oordeel 2024-11 van 9 december 2024
  13. Artikel 19, 4°, zoals van toepassing op het tijdstip van de feiten 
  14. “Zwemslips zijn wel degelijk hygiënischer dan lange shorts, blijkt uit experiment in Nederland”, VRT NWS, 23 november 2025
  15. Die verplichting staat in het reglement van de provincie, zoals voorgeschreven door de Vlaamse milieureglementering (art. 5.32.8.2.1.10, § 2, 3°, VLAREM) 
  16. Oordeel 2024-11 van 9 december 2024 

Download het oordeel

Ook interessant