School en CLB weigeren redelijke aanpassingen voor een leerlinge met ASS; geen directe discriminatie op grond van handicap
- Je kan hieronder de samenvatting van het oordeel en het volledige oordeel lezen.
- Je kan het oordeel ook downloaden in pdf-formaat.
Samenvatting oordeel
Situatie
Een leerlinge was in het schooljaar 2023-2024 ingeschreven in een secundaire school in Vlaams-Brabant, waar ze in het vierde middelbaar de richting Grieks-Latijn volgde. Zij startte het schooljaar in een dagziekenhuis voor jongeren met psychische moeilijkheden, waar een langdurig observatietraject plaatsvond. Er was op dat ogenblik een vermoeden van autismespectrumstoornis (ASS). Dit vermoeden zou in februari 2024 worden bevestigd, door een diagnose met ASS door een Centrum voor geestelijke gezondheidszorg.
Nadat haar opname in het dagziekenhuis werd beëindigd, startte de leerlinge vanaf 20 november 2023 op school. De klassenraad besloot dat zij moest starten in een systeem waarin ze halftijds les volgde in de klas en halftijds naar het openleercentrum van de school ging. Op 28 december 2023 lieten de ouders aan de school weten dat de leerlinge voltijds les zou volgen vanaf januari 2024, in samenspraak met haar huisarts.
Op 21 februari 2024 vond een overleg plaats op de school, met als aanleiding dat de leerlinge formeel de diagnose autismespectrumstoornis had ontvangen. Tijdens het overleg werden de mogelijke onderwijsvormen besproken. Op 23 februari 2024 liet het Centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB) aan de school weten dat in overleg met een kinderpsychiater werd gekozen voor tijdelijk onderwijs aan huis (TOAH) voor de leerlinge.
Op een onbepaalde datum begin maart 2024 startte de school TOAH op. Op 26 maart 2024 bezorgden de ouders een medisch attest aan de school waaruit bleek dat de leerlinge niet kon deelnemen aan de paasexamens. Hierop zette de school TOAH tijdelijk stop. Op 25 april 2024 volgde een gelijkaardig medisch attest voor de rest van het schooljaar. Hierop besloot de school om TOAH definitief te stoppen.
Op 17 mei 2024 schreven de ouders de leerlinge in een andere school in.
Beoordeling door de Geschillenkamer
Beroepsgeheim
Voorafgaandelijk onderzocht de Geschillenkamer het beroepsgeheim waarop het CLB zich tijdens de schriftelijke procedure had beroepen om geen concrete informatie te delen over de situatie van de leerlinge. De Geschillenkamer merkte op dat het VMRI-decreet in artikel 22, vierde lid, een rechtsgrond bevat om personen te ontheffen van hun geheimhoudingsplicht wanneer het Vlaams Mensenrechteninstituut hen vraagt om informatie of documenten over te leggen. Uit de memorie van toelichting bij het VMRI-decreet blijkt evenwel dat dit artikel geen uitzondering kan inhouden op het strafrechtelijke beroepsgeheim. Het CLB en haar personeelsleden lijken te zijn gebonden door dit strafrechtelijke beroepsgeheim.
De Geschillenkamer merkte evenwel op dat het CLB optrad als verweerster en dat zij zich dus diende te verdedigen tegen een discriminatieklacht. De Geschillenkamer stelde bovendien vast dat de persoon ten aanzien van wie het CLB gebonden was door het beroepsgeheim, de leerlinge, ook een betrokken partij was in de procedure, als tweede indienster van de klacht. Tijdens de hoorzitting verklaarde het CLB dat het, op voorwaarde van uitdrukkelijke toestemming van de leerlinge, met de Geschillenkamer bepaalde informatie zou kunnen delen over haar concrete situatie. De leerlinge gaf deze toestemming tijdens de hoorzitting. De Geschillenkamer zette de zitting verder achter gesloten deuren. De Geschillenkamer benadrukte in haar oordeel tot slot dat haar leden gebonden zijn door het beroepsgeheim en dus alle gedeelde informatie vertrouwelijk moeten behandelen.
Weigering van redelijke aanpassingen
De Geschillenkamer besloot dat er in deze zaak sprake was van een weigering van redelijke aanpassingen voor een persoon met een handicap.
Dat de leerlinge obstakels ondervond in haar gelijkwaardige deelname aan het onderwijs was al duidelijk bij de start van het schooljaar. Het gegeven dat een formele medische diagnose van ASS pas in februari 2024 volgde, kon geen afbreuk doen aan deze realiteit.
Alle partijen hadden ook hetzelfde doel voor ogen: de leerlinge in staat stellen om voltijds naar school te gaan. De partijen erkenden dat leersteun en begeleidende zorgmaatregelen nodig waren om dit doel te kunnen bereiken. De Geschillenkamer stelde echter vast dat het CLB nooit een GC-verslag (een Gemeenschappelijk Curriculum verslag dat nodig is voor extra ondersteuning) had opgemaakt voor de leerlinge. Door het ontbreken van dit verslag kon de school geen uitgebreide leersteun aanbieden.
Zowel de school als het CLB stelden tegenover de Geschillenkamer dat zij tijd nodig hadden om de leer- en zorgnoden van de leerlinge in kaart te brengen. De Geschillenkamer erkende dat dit proces een zekere tijd kan vragen, maar kon niet anders dan vaststellen dat gedurende een lange periode van zes maanden geen volwaardig traject van ondersteunende en begeleidende maatregelen werd ontwikkeld voor de leerlinge. De verklaringen die de school en het CLB hiervoor gaven, waaronder het uitblijven van een medische diagnose, konden geen afdoende verantwoording bieden voor het langdurig ontbreken van dit traject. Het was voor de Geschillenkamer ook onduidelijk waarom de school TOAH had stopgezet, louter en alleen omdat de leerlinge geen examens meer zou afleggen op medisch advies.
Geen directe discriminatie
De leerlinge en haar moeder stelden ook dat:
- directieleden van de school discriminerende uitspraken hadden gedaan, waaronder dat de leerlinge in een instelling zou moeten zitten;
- het CLB onterecht melding had gemaakt van de gezinssituatie bij een Ondersteuningscentrum Jeugdzorg (OCJ); en
- dat de school vertrouwelijke medische informatie had opgevraagd bij andere artsen dan de op dat ogenblik behandelende arts van de leerlinge.
De Geschillenkamer kon op geen van deze drie punten een discriminatie vaststellen. De indiensters van de klacht hadden immers onvoldoende elementen aangevoerd om een vermoeden van directe discriminatie op grond van handicap of andere beschermde kenmerken te kunnen doen ontstaan.
Oordeel
Om die redenen oordeelt de Geschillenkamer:
- dat er geen sprake is van directe discriminatie op grond van handicap en/of andere beschermde kenmerken; en
- dat er sprake is van een weigering van redelijke aanpassingen voor een persoon met een handicap.
Aanbevelingen
Om de vastgestelde discriminatie te beëindigen, beveelt de Geschillenkamer aan beide verweersters aan:
- als individuele maatregel: indien de leerlinge zich opnieuw zou inschrijven in de verwerende school, een volwaardig leer- en zorgtraject uitwerken voor haar dat tegemoetkomt aan haar huidige noden.
- als structurele maatregel: ook in complexe en wijzigende omstandigheden verzekeren dat leerlingen met een handicap tijdig een volwaardig traject met gepaste ondersteunende en begeleidende maatregelen ontvangen.
Volledig oordeel
De Geschillenkamer, samengesteld uit voorzitter Stijn Smet, bijzitter Sarah Lambrecht en bijzitter Koen Lemmens, en bijgestaan door griffier Dorien Geeroms, spreekt het volgende oordeel uit:
Procedure
- Algemeen
De Geschillenkamer heeft de klacht ontvangen op 7 november 2025.
De fase van het uitwisselen van standpunten en overtuigingsstukken werd afgerond op 22 juni 2026.
De Geschillenkamer ontving de volgende stukken:
- het standpunt van de eerste verweerster (school) van 14 april 2026
- het standpunt van de tweede verweerster (CLB) van 14 april 2026
- het antwoord van de indiensters van de klacht van 22 mei 2026
- het antwoord van de eerste verweerster (school) van 22 juni 2026.
De tweede verweerster diende geen antwoord in.
Bij het indienen van de klacht bij het Vlaams Mensenrechteninstituut trad de eerste indienster van de klacht op als wettelijk vertegenwoordiger van haar (toen) minderjarige dochter. Tijdens de hoorzitting voor de Geschillenkamer is gebleken dat haar dochter ondertussen meerderjarig is geworden. Als beweerd slachtoffer dat inmiddels meerderjarig is, treedt zij sindsdien ook zelf op in de procedure, als tweede indienster van de klacht.
De Geschillenkamer behandelde de zaak tijdens een hoorzitting op 2 juli 2026. De indiensters van de klacht (moeder en dochter) waren zelf aanwezig en werden bijgestaan door hun echtgenoot/vader. De eerste verweerster werd vertegenwoordigd door enkele personeelsleden. De tweede verweerster werd vertegenwoordigd door een personeelslid. Om redenen die verband houden met het beroepsgeheim van het CLB (zie ‘Beoordeling door de Geschillenkamer’), vond de hoorzitting plaats achter gesloten deuren.
- Te weren stukken
De Geschillenkamer ontvangt een klacht pas nadat een poging tot bemiddeling is doorlopen bij de afdeling Eerstelijnsdienst en Bemiddeling van het Vlaams Mensenrechteninstituut.[1] Omwille van de vertrouwelijkheid van de bemiddeling mag de Geschillenkamer niet geïnformeerd worden over wat er zich tijdens de bemiddeling heeft afgespeeld.[2] De Geschillenkamer beslist daarom om de stukken uit het dossier die inhoudelijk over de bemiddelingspoging gaan, te weren (stukken 2, 5 en 6 bij de klacht en stuk 15 bij het antwoord van de indiensters van de klacht (stuk 4 in de nummering die door hen werd gehanteerd)). Het weren van deze stukken houdt in dat de Geschillenkamer met deze stukken geen rekening houdt bij haar beoordeling.
De indiensters van de klacht hebben laattijdig, na het verlopen van hun termijn voor het indienen van een antwoord, aanvullende stukken en een bijkomende toelichting ingediend. De Geschillenkamer weert deze stukken en toelichting uit de debatten, wegens indienen buiten de gestelde termijnen voor het uitwisselen van standpunten en overtuigingsstukken. Dit betekent dat de Geschillenkamer er geen rekening mee houdt bij haar beoordeling.
- Anonimisering
De decreetgever heeft bepaald dat de Geschillenkamer haar oordelen steeds publiek bekendmaakt en dat de anonimisering van betrokken rechtspersonen daarbij slechts uitzonderlijk kan gebeuren.[3] In deze concrete zaak zou een reëel risico ontstaan dat de identiteitsgegevens van de indiensters van de klacht kunnen worden afgeleid uit de specifieke feiten, als de naam van de school (tweede verweerster) in het oordeel zou worden vermeld. Daarom besluit de Geschillenkamer uitzonderlijk tot anonimisering van de school (tweede verweerster), om de identiteitsgegevens van de indiensters van de klacht te beschermen.
De naam van het CLB (eerste verweerster) wordt wel vermeld, aangezien hierbij geen reëel risico ontstaat op identificatie van de indiensters van de klacht.
Feiten
In het schooljaar 2023-2024 was de tweede indienster van de klacht als leerlinge ingeschreven in een secundaire school in Vlaams-Brabant, de eerste verweerster (hierna: de school). Ze volgde er de richting Grieks-Latijn in het vierde middelbaar. Het schooljaar ervoor ging ze naar een andere school.
De leerlinge startte het schooljaar in een dagziekenhuis voor jongeren met psychische moeilijkheden, waar een langdurig observatietraject plaatsvond (k-ADO Diest, een afdeling van het Universitair Psychiatrisch Centrum van de KU Leuven). Er was op dat ogenblik een vermoeden van autismespectrumstoornis (ASS), dat in februari 2024 werd bevestigd in een medische diagnose door een Centrum voor geestelijke gezondheidszorg (hierna: CGG).
Tijdens haar opname in het dagziekenhuis volgde de leerlinge onderwijs dat werd verstrekt door onderwijzend personeel van het dagziekenhuis. Het onderwijspakket werd bepaald in overleg met de school, waarbij de klassenraad besloot dat de leerlinge in het dagziekenhuis Grieks, Latijn, wiskunde, chemie, Frans en Engels moest volgen.
Op 6 november 2023 werd de opname in het dagziekenhuis beëindigd. Op 8 november 2023 lieten de ouders aan de school weten dat zij en de leerlinge ervoor hadden gekozen om terug les te volgen in de gewone omgeving van een school.
Op 9 november 2023 bezorgden de ouders een medisch attest van de huisarts aan de school, waaruit bleek dat de leerlinge geen examens, toetsen of taken kon maken tot 31 december 2023.
Vanaf 20 november 2023 ging de leerlinge fysiek naar school. De klassenraad besloot dat zij zou starten in een systeem waarin ze halftijds les zou volgen in de klas en halftijds naar het openleercentrum (hierna ook: OLC) van de school zou gaan om zelfstandig leerstof bij te werken.
Op 28 december 2023 lieten de ouders aan de school weten dat de leerlinge voltijds les zou volgen vanaf januari 2024, in samenspraak met de huisarts van de leerlinge en met het Centrum voor geestelijke gezondheidszorg (hierna: CGG) waar zij werd opgevolgd.
Vanaf januari 2024 ging de leerlinge voltijds naar school.
Op 21 februari 2024 vond een overleg plaats tussen de school, de leerlinge, haar ouders, het CLB, het CGG en Het Raster (een gespecialiseerde begeleidingsdienst voor personen met autisme). De aanleiding voor het overleg was dat de leerlinge formeel de diagnose autismespectrumstoornis had ontvangen van het CGG. Tijdens het overleg werden de mogelijke onderwijsvormen besproken.
Op 23 februari 2024 liet het CLB aan de school weten dat in overleg met een kinderpsychiater werd gekozen voor tijdelijk onderwijs aan huis (TOAH) voor de leerlinge.
Op een onbepaalde datum begin maart 2024 startte de school TOAH op. De leerlinge volgde vanaf dan wiskunde, Nederlands, Latijn en Grieks via TOAH.
Op 26 maart 2024 bezorgden de ouders een medisch attest aan de school waaruit bleek dat de leerlinge niet kon deelnemen aan de paasexamens.
Op 28 maart 2024 besloot de klassenraad dat de leerlinge eerst inhaalexamens moest afleggen en dat daarna zou worden bekeken of TOAH kon worden verdergezet.
Op 25 april 2024 bezorgden de ouders een nieuw medisch attest aan de school, waaruit bleek dat de leerlinge geen examens kon afleggen tot het einde van het schooljaar. Dezelfde dag vond een overleg plaats tussen de school, de leerlinge, haar ouders, het CLB en het CGG. Tijdens dit overleg besloot de school dat TOAH niet meer zou worden opgestart, omdat de leerlinge geen examens meer zou afleggen.
Op 29 april 2024 lieten de ouders aan de school weten dat zij het stopzetten van TOAH discriminerend vonden.
Op 17 mei 2024 schreven de ouders de leerlinge in een andere school in.
De Geschillenkamer heeft de klacht ontvangen op 7 november 2025.
Standpunten partijen
Standpunt indiensters klacht
De indiensters van de klacht voeren aan dat er sprake is van een weigering van redelijke aanpassingen voor een persoon met een handicap en van indirecte discriminatie op grond van handicap. Zij stellen dat de school en het CLB de tweede indienster van de klacht (de leerlinge) hebben benadeeld in vergelijking met leerlingen zonder handicap, terwijl redelijke aanpassingen mogelijk en wettelijk verplicht waren.
De indiensters van de klacht bevestigen, zoals de school ook aangeeft, dat de leerlinge in het derde middelbaar een onvolledig tweede semester had afgelegd in een andere school. De reden hiervoor was dat zij toen al was opgenomen in de dagkliniek k-ADO Diest van het Universitair Psychiatrisch Centrum KU Leuven, voor testen en observatie rond autisme. Ze benadrukken dat de leerlinge het derde middelbaar wel met een A-attest heeft voltooid. Ze verduidelijken ook dat in overleg met de begeleidend arts werd beslist om haar in de dagkliniek te houden omwille van een langdurig observatie- en testing-traject. Hierdoor kon zij pas in november 2023 aansluiten in haar nieuwe school.
De indiensters van de klacht stellen dat de leerlinge eerst een kunstrichting wilde volgen op de verwerende school, maar dat dit niet mocht van de directie omwille van haar autisme. De directie gaf aan dat zij met autisme de ingangsproef niet zou kunnen afleggen en dat presentaties vooraan in de klas voor haar nooit haalbaar zouden zijn.
Over de redelijke aanpassingen stellen zij dat de school ondanks hun uitdrukkelijke vraag en een medisch attest geen redelijke aanpassingen heeft gemaakt voor de leerlinge. De school wist nochtans vanaf de start van het schooljaar dat er een sterk vermoeden van autismespectrumstoornis (ASS) was. De school was namelijk op de hoogte van de testen voor autisme in de dagkliniek. Zowel de ouders als het ziekenhuis hadden het vermoeden van autisme ook aangegeven aan de school in september 2023 en nog eens in november 2023. De indiensters van de klacht wijzen er verder op dat een medische diagnose van ASS niet vereist is om redelijke aanpassingen te kunnen vragen en bekomen. De school had dan ook niet mogen wachten tot februari 2024 om redelijke aanpassingen te maken.
Ze stellen verder dat de school de leerlinge dwong om taken en toetsen te maken, hoewel zij een medisch attest had om tot eind 2023 geen taken of toetsen te doen, maar te focussen op re-integratie en sociale contacten. Dit zorgde voor veel stress bij de leerlinge, ook al worden deze toetsen nu “oefentoetsen” genoemd door de school.
Ze stellen ook dat de school de leerlinge de helft van de tijd isoleerde in een OLC (openleercentrum) zonder begeleiding of instructie. Het was voor de leerlinge erg frustrerend dat dat de school haar zelfstandig zaken liet maken waarbij ze niet wist wat ze moest doen. Dit bevorderde haar uitsluiting in plaats van haar re-integratie, terwijl er haalbare oplossingen in de klas waren. Het was dan ook geen redelijke aanpassing.
Ze stellen daarnaast dat:
- er nooit is gesproken over het schooljaar opsplitsen in een flexibel leertraject, in tegenstelling tot wat de school beweert;
- gesprekken met leerlingenbegeleiding niet meer mogelijk bleken zodra de leerlinge overschakelde op voltijds onderwijs, hoewel dit gebeurde op medisch attest; en
- de paasexamens niet in een afzonderlijk lokaal werden afgelegd, in tegenstelling tot wat de school beweert.
De indiensters van de klacht erkennen dat de school TOAH heeft opgestart, maar stellen dat dit alleen nodig werd omdat er geen redelijke aanpassingen werden gemaakt op school zelf. Ze stellen ook dat de school TOAH opnieuw heeft ingetrokken zodra de leerlinge een medisch attest van de huisarts voorlegde waaruit bleek dat zij geen examens meer mocht doen. Ze vinden het onterecht dat de leerlinge het recht op TOAH werd afgenomen, alleen omdat ze geen examens kon afleggen door medische redenen. Ze stellen verder dat de school toen zonder hun medeweten naar artsen heeft gebeld die geen medische zorgen meer boden aan de leerlinge, om informatie te vragen over haar gezondheidstoestand in het licht van het medisch attest van haar huisarts dat ze geen examens kon doen.
Ze voeren tot slot aan dat directieleden en medewerkers van de school ongepaste en kwetsende uitspraken deden over de gezondheidstoestand en handicap van de leerlinge. Hierdoor werd haar gevoel van veiligheid en vertrouwen ernstig aangetast. Ze verwijzen in het bijzonder naar de uitspraak dat de leerlinge in een instelling zou moeten zitten en dat ze door haar autisme niet in staat zou zijn om presentaties voor de klas te geven.
Ten aanzien van het CLB stellen de indiensters van de klacht dat het geen hulp of ondersteuning bood. Ze stellen in het bijzonder dat het CLB:
- weigerde om het gevraagde GC-verslag (gemeenschappelijk curriculum) op te maken, zonder gegronde reden;
- geen gesprekken organiseerde met de ouders of de leerlinge om haalbare oplossingen te zoeken voor re-integratie op school;
- onmiddellijk verwees naar het buitengewoon onderwijs nadat TOAH werd beëindigd door de school, zonder overleg en zonder onderzoek naar mogelijke redelijke aanpassingen in het gewoon onderwijs; en
- een melding bij het Ondersteuningscentrum jeugdzorg (OCJ) heeft gedaan net toen de eerste verweerster vroeg om haar dochter opnieuw naar school te lagen gaan. Deze stap ervaarden de moeder en vader van de leerlinge als een drukmiddel op hen als ouders, omdat zij redelijke aanpassingen vroegen. Dit was ingrijpend, disproportioneel en niet helpend.
Standpunt eerste verweerster
De eerste verweerster, de school, voert aan dat er geen sprake is van een weigering van redelijke aanpassingen voor een persoon met een handicap of van indirecte discriminatie op grond van handicap. De school benadrukt dat zij altijd vanuit een professionele houding heeft gehandeld in het belang van de betrokken leerlinge, zoals zij voor alle leerlingen doet.
De school bevestigt dat de leerlinge zich eerst in de richting beeldende en architecturale kunsten wilde inschrijven. Dit was echter niet mogelijk omdat deze richting eerder in de zomer van 2023 officieel volzet was verklaard. De beschuldiging dat de leerlinge niet in deze richting mocht starten van de directie omwille van haar autisme is dan ook volledig onjuist.
De school erkent dat een officieel attest, met een medisch bevestigde diagnose, niet strikt noodzakelijk is om een GC-verslag op te stellen. Maar om een dergelijk verslag te kunnen opstellen, moeten wel eerst de onderwijsbehoeften van de leerling in kaart gebracht worden via een handelingsgericht diagnostisch traject. Deze onderwijsbehoeften verschillen immers sterk van leerling tot leerling. Omdat de betrokken leerlinge nieuw was op de school koos de klassenraad ervoor om via oefentoetsen haar mogelijkheden en beperkingen in kaart te brengen, als eerste stap in het pedagogische onderzoek. Deze oefentoetsen dienden om info te verzamelen om op langere termijn tot een eventueel GC-verslag en daaruit volgende redelijke aanpassingen te komen.
De school geeft verder aan dat het normaal was, om de juiste zorg te kunnen bieden, dat een leerlingenbegeleider van de school contact opnam met het universitair psychiatrisch centrum van de KU Leuven om te achterhalen welke zorg nodig was voor de leerlinge.
De school benadrukt dat zij elke leerling in dezelfde situatie op dezelfde manier zou hebben behandeld. De school stelt ook dat het relevant was dat de leerlinge in het tweede jaar van de tweede graad zat. De situatie zou anders zijn geweest in het eerste jaar van de tweede graad, omdat er dan meer opties zijn. Over het eerste jaar van de tweede graad, dat de leerlinge in een andere school had gevolgd, wijst de school er ook op dat de leerlinge toen een onvolledig tweede semester had afgelegd.
De school stelt dat zij de nodige ondersteuning en redelijke aanpassingen heeft aangeboden aan de leerlinge. De school verwijst in het bijzonder naar de volgende maatregelen:
- mee onderwijs in het dagziekenhuis opgestart en ondersteund;
- de leerlinge laten re-integreren in de normale schoolomgeving met halftijds les, waarbij de leerlinge tijdens de andere lestijden de gemiste leerstof rustig kon bijwerken in het open leercentrum van de school;
- het CLB betrekken van bij de start;
- de leerlinge in de examenperiode een aantal vrijblijvende toetsen laten afleggen om te oefenen en haar kennis te kunnen inschatten;
- na de officiële diagnose met ASS in februari 2024 meteen overleg organiseren met alle betrokken partijen, waarbij snel voor TOAH werd gekozen ook al had de leerlinge daar niet meteen recht op door de grote afstand tussen haar woning en de school (meer dan 10 kilometer);
- op hetzelfde ogenblik de aanmaak van een GC-verslag opgestart; en
- de paasexamens in een apart lokaal laten maken om stress te verminderen.
De school geeft verder aan dat de begeleiding vanuit de school in januari 2024 tijdelijk werd teruggeschroefd, na de keuze van de ouders om de leerlinge vanaf januari voltijds te laten starten. Deze eenzijdige beslissing van de ouders zorgde voor een serieuze verstoring in het pedagogisch onderzoek om de onderwijsbehoeften van de leerlinge in kaart te brengen. Zij viel toen even terug op de brede basiszorg waarop elke leerling recht heeft. Begin februari bood de school opnieuw verhoogde zorg aan, met gesprekken met de leerlingenbegeleiding. Meteen na de ASS-diagnose werd bovendien uitbreiding van de zorg opgestart, in de vorm van TOAH.
De school erkent dat zij TOAH niet opnieuw heeft opgestart toen duidelijk werd dat de leerlinge niet meer zou deelnemen aan examens, op basis van een medisch attest van haar huisarts. De school stelde vast dat TOAH niet meer zou kunnen leiden tot het slagen voor de richting. Voor de school was het dan ook redelijk om eind april 2024 voorrang te geven aan de zoektocht naar een meer geschikte studierichting voor de leerlinge, waarbij ze via snuffelstages nog in verschillende richtingen kon meelopen.
De school stelt dat het daarnaast ook een aantal andere aanpassingen op tafel heeft gelegd:
- een vertrouwenspersoon aanduiden;
- de leerlinge opnieuw laten starten in het derde middelbaar;
- het schooljaar splitsen in een flexibel leertraject;
- de mogelijkheid van vrije student en examencommissie;
- een naadloos flexibel traject (NAFT) time-out; en
- Bednet.
Over de splitsing van het schooljaar in een flexibel leertraject, in het bijzonder, stelt de school dat zij dit verschillende keren heeft besproken met de leerlinge en haar ouders, maar dat er vanuit de ouders veel weerstand was tegen deze piste. Dit was nochtans de beste keuze geweest bij het instappen van de leerlinge midden november 2023.
Over de beweerde indirecte discriminatie stelt de school dat haar handelswijze objectief gerechtvaardigd was door een legitiem doel, namelijk de inzet op de schoolloopbaan van elke leerling.
Standpunt tweede verweerster
De tweede verweerster, het CLB, stelt dat er geen sprake is van discriminatie.
Het CLB benadrukt dat het belang van de leerling voor haar centraal staat. Het CLB benadrukt ook dat haar medewerkers gebonden zijn door het beroepsgeheim, zoals bepaald in onder meer het decreet leerlingenbegeleiding.[4] Het CLB ziet in het decretaal kader van de Geschillenkamer van het Vlaams Mensenrechteninstituut geen rechtsgrond om dit beroepsgeheim te doorbreken.
Het CLB wijst er verder op dat het geen toegang meer heeft tot het leerlingendossier van de betrokken leerlinge. Zodra een leerling van school verandert en de nieuwe school buiten het werkingsgebied van het CLB valt, verhuist het leerlingendossier immers naar een ander CLB. Dat is hier het geval.
Het CLB geeft aan dat het wel duiding kan geven bij haar interne procedures en werkingsbeginselen en benadrukt dat de relevante procedures en rechtsregels systematisch werden gevolgd in het geval van de betrokken leerlinge. Het CLB verduidelijkt in het bijzonder het onderstaande.
- Een extern gemaakte diagnose in complexe situaties is zeker relevant voor het CLB als dienstverlenende instantie. Tegelijk is voor de schoolcontext de doorvertaling naar een handelingsgerichte aanpak noodzakelijk. Daarom benadrukt het CLB het belang van een goede samenwerking tussen alle betrokkenen.
- Een GC-verslag laat een school toe om ondersteuning aan te vragen bij een leersteuncentrum. Bij het opstellen van een GC-verslag wordt op school nagevraagd waar de ondersteuningsnoden liggen, loopt het CLB een handelingsgericht diagnostisch traject om de bijzondere noden in kaart te brengen, en worden de doelen en verwachtingen naar het leersteuncentrum concreet gemaakt.
- Wanneer het CLB haar adviesfunctie inzet, dan legt zij alle mogelijke keuzes voor: flexibel leertraject, aangepaste studierichtingen, TOAH, Bednet, NAFT, examencommissie, enzovoort. Er is ook aandacht voor het installeren van de minst ingrijpende hulp.
- Het CLB maakt nooit een verslag buitengewoon onderwijs op. Ook met een verslag individueel aangepast curriculum (IAC) kan een leerling naar een gewone school gaan, waarbij de school de afweging moet maken of zij tegemoet kan komen aan de bijzondere noden van de leerling.
- Het CLB is zeer alert voor een onregelmatig schoolverloop en een langdurige afwezigheid. Een melding bij een Ondersteuningscentrum jeugdzorg betekent dat het CLB-team verontrust is en van oordeel is dat er een maatschappelijke noodzaak is om een melding te doen.
Beoordeling door de Geschillenkamer
De Geschillenkamer moet in deze zaak beoordelen of er sprake is van directe discriminatie op grond van handicap of andere beschermde kenmerken (2) en/of van een weigering van redelijke aanpassingen voor een leerlinge met een handicap (3).
Voorafgaandelijk bespreekt de Geschillenkamer de rol van het beroepsgeheim van het CLB (1).
1. Voorafgaandelijk: beroepsgeheim van het CLB
Het CLB heeft zich tijdens de schriftelijke fase van de procedure voor de Geschillenkamer beroepen op het beroepsgeheim om geen concrete informatie te delen over de situatie van de betrokken leerlinge. Het CLB heeft enkel algemene toelichting gegeven bij haar werking. Uit het schriftelijke standpunt van het CLB blijkt dat zij van oordeel is dat het VMRI-decreet en/of het Procedurebesluit van de Geschillenkamer geen rechtsgrond bevatten om het CLB en haar personeelsleden van het beroepsgeheim te ontheffen.
De Geschillenkamer stelt vast dat het CLB en haar personeelsleden inderdaad gebonden zijn door een beroepsgeheim. Voor het CLB blijkt dit uit artikel 8, 6°CLB-decreet, dat bepaalt: “Het centrum werkt […] 6° binnen de regels van het beroepsgeheim”.[5] Voor de personeelsleden van het CLB blijkt dit uit het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs en het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs.[6]
De Geschillenkamer merkt op dat artikel 22, vierde lid, VMRI-decreet een rechtsgrond bevat om personen te ontheffen van hun geheimhoudingsplicht wanneer hun wordt gevraagd om informatie of documenten over te leggen aan het Vlaams Mensenrechteninstituut. Dit artikel bepaalt:
De personen die worden gevraagd om informatie of documenten over te leggen zijn ten aanzien van het VMRI ontheven van hun plicht tot geheimhouding in verband met feiten waarvan zij kennis hebben en gegevens waarover zij beschikken door hun staat of beroep, met uitzondering van die welke door het medisch geheim beschermd zijn of waarvan ze kennis hebben genomen in hun hoedanigheid van noodzakelijke vertrouwenspersoon.
De Geschillenkamer kan met toepassing van dit artikel uit het VMRI-decreet bijkomende toelichtingen, informatie of overtuigingsstukken opvragen. Artikel 19 van het Procedurebesluit van de Geschillenkamer bepaalt hierover:
Met toepassing van artikel 22 van het decreet van 28 oktober 2022 kan de geschillenkamer, op eigen initiatief of op verzoek van een betrokken partij, bijkomende toelichtingen, informatie of overtuigingsstukken opvragen bij een of meer betrokken partijen of bij derden.
Uit de memorie van toelichting bij het VMRI-decreet blijkt evenwel dat artikel 22, vierde lid, VMRI-decreet geen uitzondering kan inhouden op de strafrechtelijk beschermde regel van het beroepsgeheim uit artikel 458 van het Strafwetboek.[7] Het CLB en haar personeelsleden lijken te zijn gebonden door dit strafrechtelijk beschermd beroepsgeheim.
De Geschillenkamer merkt evenwel op dat het CLB in deze procedure optreedt als verweerster en dat zij aldus een betrokken partij is. Het CLB werd door de Geschillenkamer niet gehoord als derde, maar diende zich te verdedigen tegen een discriminatieklacht.[8] De Geschillenkamer stelt bovendien vast dat de persoon ten aanzien van wie het CLB gebonden is door het beroepsgeheim, de leerlinge, ook een betrokken partij is, als tweede indienster van de klacht. Zij kon geldige en geïnformeerde toestemming geven aan het CLB, als verweerster, om de relevante gegevens te delen met de Geschillenkamer.[9]
Dit werd toegelicht aan het CLB tijdens de hoorzitting. Hierop heeft het CLB verklaard dat zij, op voorwaarde van uitdrukkelijke toestemming van de tweede indienster van de klacht, alsnog met de Geschillenkamer bepaalde informatie zou kunnen delen over haar concrete situatie. Het CLB herhaalde daarbij dat zij niet meer over het dossier van de leerlinge beschikt, aangezien dit werd overgemaakt aan een ander CLB.
De tweede indienster van de klacht (de leerlinge) heeft hierop haar toestemming gegeven aan het CLB om informatie over haar situatie te delen tijdens de hoorzitting. Om te verzekeren dat de betrokken gegevens niet ruimer zouden worden verspreid, heeft de Geschillenkamer besloten om de hoorzitting verder achter gesloten deuren te houden.[10]
De Geschillenkamer merkt bovendien op dat haar leden gebonden zijn door het beroepsgeheim. Zij zijn met name verplicht het vertrouwelijke karakter te bewaren van de informatie waarvan ze door hun functie op de hoogte zijn, conform artikel 458 van het Strafwetboek.[11]
2. Directe discriminatie op grond van handicap en/of andere beschermde kenmerken
De Geschillenkamer is van oordeel dat drie specifieke elementen uit de klacht moeten worden onderzocht als een mogelijke directe discriminatie op grond van handicap en/of andere beschermde kenmerken.
Deze drie elementen zijn:
- de beweerde discriminerende uitspraken van voormalige directieleden, namelijk de beweerde uitspraak dat de leerlinge in een instelling zou moeten zitten en de beweerde uitspraken dat zij als persoon met autisme de ingangsproef voor een andere richting niet zou kunnen afleggen en niet in staat zou zijn om presentaties voor de klas te geven;
- de melding van de gezinssituatie door het CLB bij het OCJ; en
- het opvragen door de school van medische informatie bij andere artsen dan de behandelende arts van de leerlinge.
Een directe discriminatie vindt plaats wanneer:
- iemand minder gunstig wordt behandeld dan iemand anders in een vergelijkbare situatie;
- op grond van beschermde kenmerken (oorzakelijk verband);
- tenzij die ongunstige behandeling objectief wordt gerechtvaardigd. Dit is het geval wanneer de ongunstige behandeling een legitiem doel nastreeft en de middelen om dit doel te bereiken passend en noodzakelijk zijn.[12] Een minder gunstige behandeling van een persoon met een handicap is niet noodzakelijk wanneer de minder gunstige behandeling kan worden vermeden door redelijke aanpassingen.[13] Als aan die voorwaarden is voldaan, moet ten slotte een afweging worden gemaakt tussen het nadeel voor personen met een of meer beschermde kenmerken en het belang van het nagestreefde doel.
De Geschillenkamer onderzoekt in twee stappen of een directe discriminatie bewezen is. De eerste stap is vervuld als de indiensters van de klacht feiten aanvoeren die het bestaan van een discriminatie kunnen doen vermoeden. Als de eerste stap is vervuld, moeten de verweersters vervolgens in een tweede stap bewijzen dat er geen sprake is van discriminatie. Zij kunnen dit doen door het vermoeden van discriminatie te weerleggen of door de minder gunstige behandeling te rechtvaardigen.[14]
Voor elk van de drie elementen is de Geschillenkamer van oordeel dat de eerste stap niet is vervuld. De indiensters van de klacht hebben geen feiten of elementen aangevoerd die het bestaan van een directe discriminatie kunnen doen vermoeden.
Voor de beweerde discriminerende uitspraken stelt de Geschillenkamer vast dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat deze uitspraken effectief werden gedaan op de manier die de indiensters van de klacht aanvoeren. De betrokken opmerkingen zouden mondeling zijn gedaan door de voormalige directrice van de school. De school stelt dat de voormalige directrice een directe communicatiestijl had die door anderen verkeerd kon worden begrepen. De school betwist echter stellig dat zij enige discriminerende uitspraken zou hebben gedaan over de leerlinge en haar handicap. De school stelt ook dat de leerlinge de richting beeldende en architecturale kunsten niet kon volgen omdat deze richting al volzet was, niet omwille van redenen die verband houden met haar handicap. Er zijn verder geen elementen die, in omstandigheden waarin de feiten betwist zijn, aannemelijk kunnen maken dat de uitspraken effectief werden gedaan op de manier die de indiensters van de klacht aanvoeren.
De Geschillenkamer kan ook het onderdeel van de klacht over de melding door het CLB bij het OCJ niet verder onderzoeken. De bevoegdheid van de Geschillenkamer is immers beperkt tot het beoordelen of er sprake is van een discriminatie in de zin van het Gelijkekansendecreet of het Decreet evenredige participatie op de arbeidsmarkt. Het CLB erkent dat zij de melding bij het OCJ heeft gedaan. Het CLB stelt evenwel dat zij deze melding heeft gedaan omdat hulpverlening door een andere dienst aangewezen bleek toen het CLB vaststelde dat haar eigen inspanningen voor de leerlinge geen resultaten opleverden. Het CLB heeft tijdens de hoorzitting ook verwezen naar de situatie van de andere kinderen in het gezin als reden voor de melding bij het OCJ. De indiensters van de klacht hebben hiertegen geen concrete elementen aangebracht die aannemelijk kunnen maken dat het CLB de leerlinge en/of haar ouders minder gunstig heeft behandeld dan andere personen in een vergelijkbare situatie op grond van de handicap van de leerlinge en/of andere beschermde kenmerken van haar gezinsleden.
Om gelijkaardige redenen kan de Geschillenkamer ook het opvragen van medische informatie bij andere artsen dan de behandelende arts van de leerlinge niet verder onderzoeken. De school erkent dat zij deze informatie heeft opgevraagd, maar stelt dat dit de gangbare praktijk is om de noden van leerlingen in beeld te brengen. De indiensters van de klacht brengen hiertegen geen elementen aan waaruit zou kunnen blijken dat de school de leerlinge minder gunstig heeft behandeld dan andere personen op grond van haar handicap.
3. Weigering van redelijke aanpassingen voor een persoon met een handicap
3.1 Algemeen
Redelijke aanpassingen zijn aanpassingen waarop een persoon met een handicap recht heeft om te verzekeren dat die ten volle, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid kan participeren in de samenleving. Die aanpassingen moeten obstakels voor een gelijkwaardige participatie voor de persoon met een handicap wegnemen. Een gevraagde aanpassing is dus een redelijke aanpassing als die er inderdaad voor kan zorgen dat de persoon met handicap op gelijkwaardige manier kan deelnemen aan bijvoorbeeld het onderwijs. Een gevraagde redelijke aanpassing kan alleen worden geweigerd als ze een onevenredige belasting zou betekenen voor degene die de aanpassing moet doen.
Een discriminerende weigering van redelijke aanpassingen voor personen met een handicap vindt dus plaats wanneer:
- personen met een handicap een beperking ervaren in hun gelijkwaardige participatie in de samenleving;
- zij hiervoor redelijke aanpassingen vragen die obstakels voor gelijkwaardige participatie wegnemen;
- en die redelijke aanpassingen geweigerd worden, ook al betekenen ze geen onevenredige belasting.[15]
De indiensters van de klacht moeten feiten aanvoeren die een weigering van redelijke aanpassingen kunnen doen vermoeden. Het is dan aan de verweersters om te bewijzen dat de gevraagde aanpassingen onredelijk zijn of een onevenredige last zouden betekenen.[16]
3.2 Toepassing
De indiensters van de klacht voeren aan:
- dat de tweede indienster van de klacht (de leerlinge) obstakels ervaart in haar gelijkwaardige deelname aan het onderwijs die verband houden met een autismespectrumstoornis;
- dat zij aan de school en het CLB hebben gevraagd om redelijke aanpassingen te maken om deze obstakels weg te nemen; en
- dat de school en het CLB geen redelijke aanpassingen hebben gemaakt.
De indiensters van de klacht stellen daarbij dat de maatregelen die de school wel heeft genomen geen redelijke aanpassingen waren, omdat zij de obstakels die de tweede indienster van de klacht ervaarde niet konden wegnemen.
De Geschillenkamer onderzoekt deze elementen samen en beoordeelt daarbij de verantwoordelijkheid van zowel de school als het CLB. De Geschillenkamer stelt in dat kader vast dat het CLB werd betrokken op of rond 9 november 2023 en in ieder geval voordat de leerlinge voor het eerst fysiek naar school ging, op 20 november 2023.
De Geschillenkamer heeft in een eerder oordeel ook al geoordeeld dat centra voor leerlingenbegeleiding verantwoordelijk kunnen zijn voor een weigering van redelijke aanpassingen.[17] Centra voor leerlingenbegeleiding hebben immers de decretale opdracht om leerlingen te begeleiden in hun functioneren op school door hen kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding aan te bieden.[18] Als dienstverleners in het onderwijs vallen zij dus binnen het toepassingsgebied van het Gelijkekansendecreet.[19] Zij bieden op vraag van een leerling, de ouders en/of de school ondersteuning bij het uitwerken van een geheel van preventieve en begeleidende maatregelen voor de betrokken leerling.[20] Hierbij kan een CLB mee nagaan welke redelijke aanpassingen kunnen tegemoetkomen aan de noden van de betrokken leerling. Een CLB kan dan ook (mee) verantwoordelijkheid dragen voor een weigering van redelijke aanpassingen.
Voor de Geschillenkamer staat het vast dat de leerlinge obstakels ondervond in haar gelijkwaardige deelname aan het onderwijs en dat deze obstakels verband hielden met een handicap. Dit was al duidelijk bij de start van het schooljaar, toen de leerlinge naar een dagziekenhuis ging in het kader van een langdurig observatietraject voor onder meer een vermoeden van ASS. Tijdens deze periode volgde zij op advies van de klassenraad bepaalde vakken, die werden gegeven door het onderwijzend personeel van het dagziekenhuis. Uit het dossier blijkt dat de school toen al vaststelde dat de leerlinge moeilijkheden had met het verwerken van de leerstof. Het gegeven dat een formele medische diagnose van ASS pas in februari 2024 volgde kan geen afbreuk doen aan de realiteit dat de leerlinge van bij de start van het schooljaar 2023-2024 obstakels ervaarde in haar deelname aan het onderwijs omwille van redenen die verband hielden met een handicap. De school en het CLB betwisten ook niet dat de leerlinge dergelijke obstakels ondervond.
De Geschillenkamer stelt bovendien vast dat alle betrokken partijen hetzelfde doel voor ogen hadden: de leerlinge in staat stellen om voltijds naar school te gaan. Alle betrokken partijen erkennen dat leersteun en begeleidende zorgmaatregelen nodig waren om dit doel te kunnen bereiken. Uit het dossier blijkt echter dat er nooit een GC-verslag werd opgemaakt voor de leerlinge en dat het ontbreken van dit verslag voor gevolg had dat de school geen uitgebreide leersteun kon aanbieden.
De Geschillenkamer betwijfelt niet dat de school voor belangrijke uitdagingen stond toen de leerlinge, die vanuit een dagziekenhuis kwam, voor het eerst naar de school ging. Zowel de school als het CLB geven aan dat zij tijd nodig hadden om de leer- en zorgnoden van de leerlinge in kaart te brengen. De Geschillenkamer erkent dat dit proces een zekere tijd kan vragen.
De Geschillenkamer kan echter niet anders dan vaststellen dat gedurende een lange periode van zes maanden geen volwaardig traject van ondersteunende en begeleidende maatregelen werd ontwikkeld voor de leerlinge. De school stelt dat zij wel degelijk leersteun wilde inschakelen, maar dat dit niet mogelijk was door het ontbreken van een GC-verslag. Het CLB erkent dat het geen GC-verslag heeft opgesteld voor de leerlinge. Het CLB voert aan dat dit proces lopende was en dat ook de optie van een IAC-verslag werd verkend. Het CLB verwijst als verklaring voor het trage verloop van het verslaggevingsproces naar wisselende diagnoses bij de leerlinge, naar de late medische diagnose met ASS, naar onvoldoende aanwezigheid van de leerlinge op school om haar leer- en zorgnoden in kaart te kunnen brengen, en naar de betrokkenheid van veel verschillende zorgverleners.
Deze verklaringen kunnen de Geschillenkamer niet overtuigen. Zij bieden geen afdoende verantwoording voor het langdurig ontbreken van volwaardige leer- en zorgmaatregelen in een situatie waarin het voor alle partijen duidelijk was, van bij de start, dat dergelijke maatregelen noodzakelijk waren om de leerlinge voltijds naar school te kunnen laten gaan. De Geschillenkamer stelt ook vast dat zodra een medische diagnose van ASS werd medegedeeld, de school binnen enkele dagen tot TOAH heeft besloten op advies van het CLB. Vanaf het ogenblik dat er een medische diagnose voorlag waren de school en het CLB klaarblijkelijk wel in staat om op zeer korte termijn de volgens hen gepaste maatregelen te nemen. Nochtans is dergelijke medische diagnose niet vereist, zoals de indienster van de klacht ook aanhaalt, om redelijke aanpassingen te vragen en bekomen voor een leerling met een handicap.
De Geschillenkamer stelt vast dat de school wel bepaalde maatregelen heeft genomen in afwachting van het GC-verslag. De school heeft dus inspanningen geleverd om redelijke aanpassingen te maken. De Geschillenkamer volgt de school ook waar zij aangeeft dat zij enkel oefentoetsen heeft voorgelegd aan de leerlinge en haar op geen enkel ogenblik tegen medisch advies in heeft geëvalueerd.
De Geschillenkamer kan echter niet anders dan besluiten dat de maatregelen die de school heeft genomen ontoereikend waren om tegemoet te komen aan de leer- en zorgnoden van de leerlinge.
Het openleercentrum waar de leerlinge aanvankelijk de helft van de tijd doorbracht was toen nog niet ingericht als stille ruimte, zoals de school ook erkent (ondertussen heeft de school wel een effectieve stille ruimte). De leerlinge blijkt bovendien slechts minimale begeleiding en ondersteuning te hebben ontvangen in de tijd die zij doorbracht in dit openleercentrum. De school verwijst naar instructies via Smartschool en naar het voornemen dat leerkrachten haar in het openleercentrum zouden komen begeleiden. De leerlinge ontkent evenwel stellig dat het laatste is gebeurd. De Geschillenkamer stelt vast dat de tijd die de leerlinge doorbracht in het openleercentrum eerder een vorm van zelfstudie lijkt te zijn geweest.
De terugkeer van de leerlinge naar voltijds onderwijs ging dan weer gepaard met een periode waarin, zoals de school ook erkent, alleen de brede basiszorg werd aangeboden die voor alle leerlingen geldt. De school heeft niet verantwoord waarom geen enkele aangepaste ondersteuning mogelijk was in deze belangrijke periode van terugkeer naar voltijds onderwijs. Op het ogenblik dat de school terug verhoogde zorg opstartte, lijkt dit bovendien beperkt te zijn geweest tot regelmatige gesprekken met leerlingenbegeleiding.
Kort na de medische diagnose met ASS heeft de school TOAH opgestart, op advies van het CLB. De school en het CLB hebben niet verduidelijkt waarom dit de gepaste zorgmaatregel was en waarom TOAH niet kon worden gecombineerd met andere maatregelen, zoals onderwijs op afstand. Deze verduidelijking was des te belangrijker omdat TOAH inhoudt dat een leerling slechts gedurende vier lesuren per week onderwijs aan huis ontvangt. Door de overschakeling op TOAH was bijgevolg opnieuw geen GC-verslag mogelijk, aangezien de nodige observaties niet konden worden gedaan. Hierdoor werd een mogelijke terugkeer van de leerlinge naar voltijds onderwijs, met de gepaste ondersteuning, verder bemoeilijkt. Het is voor de Geschillenkamer ook onduidelijk waarom de school TOAH heeft stopgezet, louter en alleen omdat de leerlinge geen examens meer zou afleggen op medisch advies.
De school verwijst verder nog naar andere maatregelen die zij zou hebben voorgesteld, waaronder Bednet en NAFT. Uit het dossier blijkt echter niet dat deze aanpassingen effectief werden overwogen. De indiensters van de klacht stellen dat ze enkel kort en voor de vorm werden overlopen tijdens het overleg waarop werd besloten om TOAH te starten. De school heeft daartegen geen bewijsstukken aangeleverd waaruit zou blijken dat deze alternatieve aanpassingen effectief en ernstig werden overwogen. De school heeft ook geen bewijsstukken bijgebracht waaruit blijkt dat zij verschillende keren een flexibel leertraject heeft voorgesteld en dat de ouders hiertegen weerstand boden.
In het licht van de omstandigheden, zoals hierboven weergegeven, besluit de Geschillenkamer dat er sprake is van een weigering van redelijke aanpassingen voor een persoon met een handicap. De school en het CLB hebben met name geen afdoende verantwoording geboden voor het langdurig ontbreken van volwaardige leersteun en zorgmaatregelen voor de leerlinge. De Geschillenkamer acht het niet nodig om de precieze verdeling van de verantwoordelijkheid tussen de beide verweersters te bepalen.
Oordeel van de Geschillenkamer
Om die redenen oordeelt de Geschillenkamer:
- dat er geen sprake is van directe discriminatie op grond van handicap en/of andere beschermde kenmerken; en
- dat er sprake is van een weigering van redelijke aanpassingen voor een persoon met een handicap.
Aanbevelingen van de Geschillenkamer
Om de vastgestelde discriminatie te beëindigen, beveelt de Geschillenkamer aan beide verweersters aan:
- als individuele maatregel: indien de leerlinge zich opnieuw zou inschrijven in de verwerende school, een volwaardig leer- en zorgtraject uitwerken voor haar dat tegemoetkomt aan haar huidige noden.
- als structurele maatregel: ook in complexe en wijzigende omstandigheden verzekeren dat leerlingen met een handicap tijdig een volwaardig traject met gepaste ondersteunende en begeleidende maatregelen ontvangen.
Voetnoten
- Artikel 13, §5 VMRI-decreet.
- Artikel 13, §4 VMRI-decreet.
- Artikel 16, §6, VMRI-decreet.
- Decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding.
- Decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding.
- Zie artikel 14 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding en artikel 11 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs (“De personeelsleden zijn ertoe gehouden het ambtsgeheim te bewaren. De personeelsleden van een CLB zijn er daarnaast toe gehouden het beroepsgeheim te bewaren.”).
- Parl. St. Vlaams Parlement, 2021-2022, nr. 1357/1, 38 (“Deze passage kan echter geen uitzondering inhouden op de strafrechtelijk beschermde regel van het beroepsgeheim vervat in artikel 458 van het Strafwetboek.”).
- Vgl. Hof van Cassatie 18 januari 2017 (P.16.0626.F), ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170118.3 (Originele versie: “Le secret professionnel n’est pas absolu mais peut être rompu, notamment, lorsque son dépositaire est appelé à se défendre en justice.” ; vertaling in Nederlandstalige versie: “Het beroepsgeheim is niet absoluut maar kan worden verbroken, met name wanneer de persoon die kennis draagt van het beroepsgeheim zich in rechte moet verdedigen.”).
- Zie Kristof Van Assche, ‘Het beroepsgeheim in de gezondheidszorg: Stand van zaken en ontwikkelingen in België’, Tijdschrift voor Gezondheidsrecht 2025 (nr. 1), p. 28.
- Artikel 16, § 4, VMRI-decreet (“De hoorzitting is openbaar, tenzij de geschillenkamer ambtshalve of op verzoek van een van beide of van beide van de voormelde betrokken partijen om gewichtige redenen anders beslist.”).
- Artikel 27, derde lid, VMRI-decreet.
- Artikel 16, §1 Gelijkekansendecreet.
- Zie bv. Hof van Justitie 15 juli 2021, C-795/19, XX t. Tartu Vangla, § 46-52.
- Artikel 36, §1 Gelijkekansendecreet.
- Artikel 19 Gelijkekansendecreet.
- Artikel 36, §1 Gelijkekansendecreet.
- Zie Oordeel 2025-18 van 20 juni 2025.
- Artikel 4, §1, CLB-Decreet.
- Artikel 20, 5°-6° Gelijkekansendecreet.
- Zie artikel 9, §1 CLB-Decreet.