Overslaan en naar de inhoud gaan

School heeft kleuter niet gediscrimineerd op grond van achterstand in taalontwikkeling

info

Samenvatting oordeel

Situatie 

Een klassenraad gaf een ongunstig advies voor de overgang van een leerling van de tweede naar de derde kleuterklas. Zijn ouders stellen dat hij hierdoor werd benadeeld omwille van zijn achterstand inzake taalontwikkeling, die medisch is vastgesteld.   

Beoordeling door de Geschillenkamer

De Geschillenkamer onderzocht achtereenvolgens of er sprake is van weigering van redelijke aanpassingen, van indirecte discriminatie of van directe discriminatie op grond van taalontwikkelingsachterstand. 

Weigering van redelijke aanpassingen 

De indieners van de klacht stellen dat dat de school geen aangepaste maatregelen heeft genomen om rekening te houden met de taalontwikkelingsachterstand van hun zoon. Ze stellen bovendien dat de school aanvankelijk logopedie op school heeft geweigerd.  

De Geschillenkamer stelt vast dat de school heeft aangetoond dat zij relevante zorgmaatregelen heeft genomen.  Bovendien kan de Geschillenkamer niet vaststellen dat de hoofdverantwoordelijkheid voor de vertraging in het opstarten van de logopedie bij de school ligt.  

De Geschillenkamer is dan ook van oordeel dat er geen feiten zijn aangevoerd die een weigering van redelijke aanpassingen kunnen doen vermoeden. 

Indirecte discriminatie 

De Geschillenkamer onderzocht de beslissing van de klassenraad over de overgang van de zoon van de indieners van de klacht naar de derde kleuterklas als een mogelijk geval van indirecte discriminatie op grond van handicap. 

De Geschillenkamer stelt vast dat andere communicatie vanuit de school de spanning met de indieners van de klacht mogelijk had kunnen beperken en hen ook een duidelijker beeld had kunnen geven van hoe het schooltraject van hun zoon kon worden bevorderd. 

De Geschillenkamer is evenwel van oordeel dat de beslissing afdoende gerechtvaardigd is op basis van de aanhoudende geboden individuele ondersteuning, de pedagogische visie en de ervaring van de school. 

Directe discriminatie 

De Geschillenkamer onderzocht enkele beweerde feiten als een mogelijke directe discriminatie op grond van handicap. Het gaat om de stelling van de indieners van de klacht dat hun zoon anders behandeld werd dan andere leerlingen, omdat hij de leerkracht dagelijks moest groeten en omdat hij ontmoedigende opmerkingen zou hebben ontvangen. Het gaat ook om de beweerde ongelijke behandeling van de indieners van de klacht bij de communicatie over het oudercontact in juni 2024. In dat geval zou het gaan om directe discriminatie bij associatie, op grond van de handicap van hun zoon. 

De Geschillenkamer is van oordeel dat voor de aangehaalde situaties onvoldoende elementen zijn aangebracht om een vermoeden van discriminatie te kunnen doen ontstaan. Wat de begroeting betreft stelt de school dat dit een dagelijks ritueel is voor alle leerlingen. Wat de uitnodiging voor het oudercontact betreft, heeft de school toegelicht dat ook andere ouders wiens kind leermoeilijkheden had, een afzonderlijke uitnodiging ontvingen. Er is dan ook niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een minder gunstige behandeling. 

Oordeel

Om die redenen oordeelt de Geschillenkamer:   

  • dat er geen weigering van redelijke aanpassingen overeenkomstig het Gelijkekansendecreet kan worden vastgesteld; 
  • dat er geen sprake is van indirecte discriminatie op grond van handicap overeenkomstig het Gelijkekansendecreet; 
  • dat er geen directe discriminatie (al dan niet bij associatie) op grond van handicap kan worden vastgesteld overeenkomstig het Gelijkekansendecreet. 

Volledig oordeel

De Geschillenkamer, samengesteld uit voorzitter Stijn Smet, bijzitter Eva Brems en bijzitter Sarah Lambrecht, en bijgestaan door griffier Dorien Geeroms, spreekt het volgende oordeel uit: 

Procedure

De Geschillenkamer heeft de klacht ontvangen op 27 januari 2026. 

De fase van het uitwisselen van standpunten en overtuigingsstukken werd afgerond op 29 april 2026.  

De Geschillenkamer ontving volgende stukken:   

  • het standpunt van de verweerster van 5 maart 2026 
  • het antwoord van de indieners van de klacht van 1 april 2026 
  • het antwoord van de verweerster van 29 april 2026. 

De Geschillenkamer behandelde de zaak tijdens een hoorzitting op 27 mei 2026. De indieners van de klacht waren zelf aanwezig en kregen bijstand van een tolk Frans. De school werd vertegenwoordigd door enkele personeelsleden en door advocaat J. Hendrickx.  

De school verzoekt dat haar naam niet wordt vermeld in het oordeel van de Geschillenkamer (zie ‘Standpunt verweerster’). De decreetgever heeft bepaald dat de Geschillenkamer haar oordelen steeds publiek bekendmaakt en dat de anonimisering van betrokken rechtspersonen daarbij slechts uitzonderlijk kan gebeuren. [1] De Geschillenkamer vindt het in deze zaak aangewezen om de naam van de school niet te vermelden in het oordeel om de identiteit van de betrokken natuurlijke personen te beschermen. Er zijn dus gewichtige reden om het verzoek tot anonimisering toe te staan. 

Feiten

De indieners van de klacht hebben de klacht ingediend als wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige zoon.  

Hun zoon ging in het schooljaar 2023-2024 naar de tweede kleuterklas. Hij heeft een taalontwikkelingsachterstand, die is vastgesteld in een medisch attest van 1 maart 2024. Dat attest schrijft logopedie voor. 

Het verslag van de klassenraad van 23 januari 2024 stelt dat de leerling de doelen van de tweede kleuterklas niet haalt. De laatste zin van het verslag luidt: “Daarom beslist de klassenraad om niet over te gaan naar de derde kleuterklas.” 

Op 17 juni 2024, aan het einde van het schooljaar, gaf de klassenraad een ongunstig advies voor de overgang van de leerling naar de derde kleuterklas. Het advies vermeldt het volgende:  

Aandachtspunten volgend schooljaar: 

  • initiatief leren nemen 
  • vragen leren begrijpen, zijn manier van communiceren ondersteunen en gebruiken 
  • taal durven en kunnen gebruiken 
  • wiskundetaal automatiseren en dat hij deze kan gebruiken in verschillende situaties + vergelijkend rekenen” 

De indieners van de klacht hebben hun zoon hierna ingeschreven in de derde kleuterklas in een andere school. Op het ogenblik van de hoorzitting in deze zaak ging de jongen naar school in het eerste leerjaar. 

Standpunten partijen

Standpunt indiener klacht


De indieners van de klacht voeren aan dat hun zoon werd benadeeld en ongelijk werd behandeld omwille van zijn achterstand inzake taalontwikkeling.  


De indieners van de klacht verwijzen naar drie elementen in het bijzonder: 

  • een gebrek aan begeleiding voor hun zoon;  
  • de denigrerende behandeling van hun zoon; en 
  • de impact van deze elementen op zijn evaluatie.  


De indieners van de klacht voeren aan dat hun zoon niet de nodige begeleiding kreeg op school.  


Zij stellen dat, hoewel bepaalde moeilijkheden worden aangehaald in de beslissingen van de klassenraad, de school geen tijdige en concrete ondersteuningsmaatregelen heeft georganiseerd.  


De indieners van de klacht stellen in het bijzonder dat de school aanvankelijk weigerde dat hun zoon ondersteuning kreeg van een logopediste op school.  


De indieners van de klacht zijn het op verschillende vlakken oneens met de voorkeur van de school om eerst een breder diagnostisch traject via een revalidatiecentrum te volgen. Ten eerste hadden zij een medisch attest dat uitdrukkelijk melding maakte van een taalontwikkelingsachterstand en dat logopedische begeleiding aanbeval. Ten tweede gaat een traject via een revalidatiecentrum gepaard met een lange wachttijd, in dit geval van meer dan één jaar. Ten derde gaven de revalidatiecentra die zij contacteerden aan dat best al met logopedie zou worden gestart in afwachting van een eventuele opname, net om de taalontwikkeling van hun zoon tijdens deze wachttijd te ondersteunen.  


De door de school voorgestelde oriëntatie naar een revalidatiecentrum heeft dus geleid tot een vertraging in de opstart van de logopedische begeleiding, terwijl een vroegtijdige interventie hun zoon beter had kunnen ondersteunen in zijn taalontwikkeling. Dit is bijzonder relevant omdat de moeilijkheden die de school aanhaalt het gevolg kunnen zijn van het uitblijven van ondersteuning voor een taalachterstand. 


De indieners van de klacht stellen verder dat de ondersteuning vanuit het CLB die de school had beloofd, inefficiënt was en er pas met een vertraging van vijf maanden kwam. In de tussentijd heeft de school geen alternatieve pedagogische maatregelen voorgesteld. Tijdens het uiteindelijke gesprek met het CLB vroegen de indieners van de klacht een leersteunplan, maar de klasleerkracht weigerde dat het CLB een leersteunplan zou opstellen. Zij wilde dat de begeleiding informeel zou blijven en uitsluitend binnen de klas en onder haar controle zou gebeuren. Er is uiteindelijk nooit een leersteunplan opgesteld voor hun zoon. De indieners van de klacht richten hierover geen verwijten aan het CLB. 


De indieners van de klacht stellen daarnaast dat de school ongelijk communiceerde met verschillende ouders. De klasleerkracht had voor het oudergesprek eind juni een e-mail naar alle ouders gestuurd met de keuze om het gesprek online of in persoon te laten doorgaan. De indieners van de klacht hebben deze e-mail echter niet ontvangen. Zij werden enkel via het CLB uitgenodigd voor het oudergesprek. Pas tijdens dit gesprek ontdekten zij dat de klasleerkracht niet aanwezig was op school. Het gesprek verliep via WhatsApp, wat de communicatie moeilijk maakte. Dit creëerde volgens hen een duidelijke ongelijkheid in behandeling tussen ouders, temeer omdat tijdens dit overleg het advies tot blijven zitten officieel werd meegedeeld. 


De indieners van de klacht voeren ook aan dat de klasleerkracht hun zoon en henzelf denigrerend heeft behandeld. 


Zij stellen dat de klasleerkracht hun zoon iedere dag verplichtte om haar expliciet te begroeten, hoewel hij kampt met een taalachterstand en moeite heeft om zich uit te drukken tegenover volwassenen. Andere kinderen werden niet verplicht de leerkracht te groeten. Wanneer hun zoon door verlegenheid of spanning niet reageerde, drong de klasleerkracht hier systematisch op aan. Zij deed dat niet bij andere kinderen. Deze ongelijke behandeling veroorzaakte bij hun zoon spanning en emotionele druk vanaf de start van de schooldag. Dit werd door de school nadien onterecht geïnterpreteerd als de uiting van leer- of ontwikkelingsproblemen. 


De indieners van de klacht stellen ook dat de klasleerkracht stelselmatig ontmoedigende opmerkingen maakte over hun zoon, waaronder beschuldigingen dat hij overschreef van klasgenootjes.  


Zij stellen tot slot dat de klasleerkracht discriminerende opmerkingen heeft gemaakt over hun eigen taalgebruik. Eind juni, een aantal dagen na het oudergesprek, vroegen zij aan de klasleerkracht op school waarom zij niet fysiek aanwezig was op het oudergesprek. Haar antwoord luidde: “Als u ervoor kiest om uw kind in een Nederlandstalige school in te schrijven, moet u Nederlands spreken of een tolk meebrengen.” De indieners van de klacht achten deze uitspraak discriminerend en onjuist, aangezien één van de ouders Nederlands spreekt op niveau B2.  


De indieners van de klacht voeren ook aan dat de beslissing van de klassenraad onterecht en onevenredig was. Zij stellen dat de klassenraad al in januari 2024 had besloten dat hun zoon niet kon overgaan naar de derde kleuterklas. Deze beslissing werd genomen toen het schooljaar nog lang niet was beëindigd en nog voordat hun zoon effectieve ondersteuning had ontvangen voor zijn taalachterstand. Zij stellen dat de school bij de beslissing over de overgang naar de derde kleuterklas ook geen rekening heeft gehouden met relevante elementen. Zij verwijzen naar de resultaten van een niet-verbale IQ test en naar eigen video’s waarin hun kind dezelfde taken en opdrachten als op school thuis wel correct uitvoert en die zij als ouders hebben bezorgd aan de school.  


De indieners van de klacht wijzen daarnaast ook op verschillende andere tekortkomingen in de procedure. 

Standpunt verweerster


De school voert aan dat de klacht kennelijk ongegrond is. Zij benadrukt dat het in essentie gaat om een pedagogisch meningsverschil over evaluatie en zorgbeleid; en niet over ongelijke behandeling omwille van een beschermd kenmerk.  


De school stelt dat niet elke school-ouder-betwisting een discriminatiegeschil is. Dat is enkel het geval als de indieners van de klacht kunnen aantonen dat er een nadelige maatregel of minder gunstige behandeling was en er een oorzakelijk verband bestaat met een beschermd kenmerk. Dat is in deze zaak geenszins het geval. Het dossier toont integendeel aan dat de school extra zorg en ondersteuning heeft geboden, juist omdat de betrokken leerling noden vertoonde. 


Als de Geschillenkamer toch zou aannemen dat bepaalde handelingen van de school een benadeling vormden voor de betrokken leerling, voert de school aan dat deze benadeling was verantwoord door een legitiem doel en passend en noodzakelijk was om het doel te bereiken. In het kleuteronderwijs zijn taalroutines en sociale routines, differentiatie, gerichte observatie en het vroegtijdige signaleren van schoolrijpheidsproblemen namelijk legitieme instrumenten van leerlingenbegeleiding. 


De school geeft aan dat zij in de eerste kleuterklas al een opvallend lage schoolse participatie had vastgesteld bij de leerling. Hij toonde nauwelijks tot geen spontane taalproductie op school, gaf beperkte antwoorden op instructies en had moeite met klasroutines. De school heeft daarom zorg aangeboden. Deze bestond uit brede basiszorg (differentiatie, voorspelbare klasstructuur, visuele ondersteuning, herhaling), verhoogde zorg (pre-teaching, werken in kleine instructiegroepen, 1-op-1 begeleidingsmomenten) en gerichte ondersteuning door de zorgleerkracht en zorgcoördinator. 


De school betwist dat ze logopedie zou hebben geweigerd. Op het moment dat de leerling op school bijna niet sprak en beperkt reageerde, uitte de school wel de mening dat logopedie mogelijk niet zou volstaan zonder een breder beeld over ontwikkelingsprofilering en een eventuele ASS- of spraak-taalproblematiek. De school vond daarom een diagnostisch traject via het CLB of een revalidatiecentrum aangewezen. De school had ook al lang aan de ouders gevraagd om hun zoon te laten testen, omdat de school een vermoeden had dat er iets meer aan de hand was. De ouders stonden hier echter weigerachtig tegenover en hebben nooit de resultaten van eender welke test aan de school overgemaakt. Dit bemoeilijkte de samenwerking.  


Over de ondersteuning door het CLB stelt de school dat de vertraging niet aan haar te wijten is. Tijdens de wachttijd bleef de school interne zorg bieden in de vorm van basiszorg en verhoogde zorg. Dat er uiteindelijk geen afzonderlijk leersteunplan werd opgesteld, bewijst geen discriminatie. 


De school ontkent dat er sprake is van denigrerende behandeling. Over de begroeting stelt de school dat alle kinderen op gelijkaardige wijze worden begroet en gestimuleerd worden om sociaal en taalvaardig te antwoorden. Het is een routine die deel uitmaakt van het onthaal van de kinderen. Er is dan ook geen enkel objectief element dat de betrokken leerling als enige zou zijn geviseerd. De school stelt ook dat er geen enkel stuk, of zelfs maar een vermoeden, voorligt waaruit zou blijken dat de klasleerkracht denigrerende opmerkingen zou hebben gemaakt tegen de leerling. De school betwist ook dat de klasleerkracht tegen de ouders een uitspraak zou hebben gedaan over Nederlands spreken of een tolk meebrengen. 


Over de communicatie rond het oudergesprek in juni 2024 verduidelijkt de school dat ouders van leerlingen met uitgesproken zorgnoden vaak apart worden uitgenodigd. Dat is geen uitsluiting, maar een vorm van redelijke organisatie. Ouders waarvan kinderen moeilijkheden hebben en een achterstand hebben op het algemeen curriculum worden apart uitgenodigd. Dit met de bedoeling juist meer tijd uit te trekken voor een oudercontact. Het klopt dan ook niet dat de indieners van de klacht de enige ouders waren die niet werden opgenomen in de algemene communicatie. Door de medische afwezigheid van de klasleerkracht waren andere personeelsleden fysiek aanwezig in de school voor het oudercontact. Dat de klasleerkracht werd ingebeld via WhatsApp kan worden aangevoeld als minder comfortabel, maar maakt het geenszins discriminerend. Hiervoor waren immers objectieve organisatorische redenen. 


De school stelt dat de beslissing van de klassenraad van 23 januari 2024 geen definitieve beslissing was, maar een transparante communicatie om ouders niet pas eind juni te confronteren met een plots en (mogelijk) onverwacht advies. De beslissing was bedoeld als een signaal aan de ouders dat een verlengd traject in de tweede kleuterklas pedagogisch aangewezen kon zijn.  


De school heeft ook duidelijk aangegeven dat in juni een nieuwe evaluatie zou volgen op basis van het gehele leertraject. Dat is ook gebeurd op 17 juni 2024. Daarbij werd door de klassenraad, op een gemotiveerde en onderbouwde manier, het advies gegeven dat een verlengd traject in de tweede kleuterklas aangewezen was. Dit advies was gebaseerd op de vaststelling dat de basiscompetenties (taalparticipatie, taakgedrag, begrip van instructies en zelfstandigheid) moesten worden uitgebouwd voordat de leerling de sprong kon maken naar de derde kleuterklas. Over de video’s die de ouders hebben bezorgd aan de school, stelt de school dat ze deze inspanningen heeft erkend maar ook pedagogisch correct heeft uitgelegd aan de ouders dat de eigenlijke evaluatie steeds gebeurt in de klascontext.  


De school verzoekt tot slot dat het oordeel van de Geschillenkamer wordt geanonimiseerd. Zij benadrukt dat het gaat om een basisschool met een sterk lokale inbedding en een kwetsbare schoolgemeenschap. Een publieke koppeling van de schoolnaam aan een discriminatieklacht heeft een reëel en voorzienbaar effect op het vertrouwen van de ouders, de inschrijvingen, het personeel en het pedagogisch klimaat. Deze impact is niet louter commercieel of een abstract reputatieverlies, maar kan aan de continuïteit van de onderwijsopdracht raken. Identificatie van de school brengt in een lokale context ook een aanzienlijk risico mee op indirecte herleidbaarheid van betrokken leerlingen en personeelsleden. In een basisschoolomgeving is de kring van betrokkenen vaak beperkt en de herkenbaarheid van feitelijke omstandigheden dus groot. De combinatie van de schoolnaam met feitelijke elementen uit het dossier vergroot verder de kans op speculatie en druk op individuele personeelsleden of ouders. 

Beoordeling door de Geschillenkamer 

I. Ontvankelijkheid van de klacht

De school is van mening dat de klacht niet ontvankelijk is omdat zij kennelijk ongegrond is.  

Het VMRI-decreet bepaalt dat een klacht bij het VMRI niet ontvankelijk is wanneer ze kennelijk ongegrond is. [2] Met kennelijk of manifest ongegronde klachten worden klachten bedoeld waarvan op het eerste gezicht, zonder verder onderzoek of studie, al blijkt dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer uit de bewoordingen van de klacht zelf al blijkt dat er geen sprake kan zijn van discriminatie.  

Dat is niet het geval voor deze klacht, waarin de indieners van de klacht wel degelijk aangeven op grond van welke beschermde kenmerken de school volgens hen tot de beslissing is gekomen die nadelig was voor hun zoon.  

De klacht is bijgevolg niet kennelijk ongegrond en dus wel degelijk ontvankelijk.  

Een deel van de klacht gaat evenwel over procedurele en administratieve tekortkomingen die geen verband houden met een beweerde discriminatie. Daarover kan de Geschillenkamer zich niet uitspreken. 

II. Geschillenkamer niet bevoegd voor taaldiscriminatie

De indieners van de klacht stellen dat de klasleerkracht een discriminerende opmerking heeft gemaakt over hun taalgebruik tijdens een gesprek eind juni 2024. De school betwist dat de leerkracht de opmerking in kwestie heeft gemaakt.  

De beweerde discriminerende opmerking zou in principe kunnen worden onderzocht als een mogelijke discriminatie op grond van taal. De Geschillenkamer is echter niet bevoegd om een beweerde discriminatie op grond van taal te onderzoeken. Het VMRI-decreet bepaalt uitdrukkelijk dat de Geschillenkamer bevoegd is om te beoordelen of er sprake is van een discriminatie als vermeld in het Gelijkekansendecreet, “met uitzondering van een discriminatie op grond van taal”. [3] Dit element uit de klacht zal de Geschillenkamer dan ook niet onderzoeken. 

III. Discriminatie op grond van taalontwikkelingsachterstand 

De zoon van de indieners van de klacht heeft een medisch vastgestelde taalontwikkelingsachterstand. Deze valt onder het begrip “handicap” in de zin van het Gelijkekansendecreet. De Geschillenkamer onderzoekt achtereenvolgens of er sprake is van weigering van redelijke aanpassingen (A), van indirecte discriminatie (B) of van directe discriminatie (C) op grond van taalontwikkelingsachterstand. 

A. Weigering van redelijke aanpassingen
1. Algemeen 

Redelijke aanpassingen zijn aanpassingen waarop een persoon met een handicap recht heeft om te verzekeren dat die ten volle, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid kan participeren in de samenleving. Die aanpassingen moeten obstakels voor een gelijkwaardige participatie voor de persoon met een handicap wegnemen. Een gevraagde aanpassing is dus een redelijke aanpassing als die er inderdaad voor kan zorgen dat de persoon met handicap op gelijkwaardige manier kan deelnemen aan bijvoorbeeld het onderwijs.  

Een gevraagde redelijke aanpassing kan alleen worden geweigerd als ze een onevenredige belasting zou betekenen voor degene die de aanpassing moet doen.  

Een discriminerende weigering van redelijke aanpassingen voor personen met een handicap vindt dus plaats wanneer:    

  • personen met een handicap een beperking ervaren in hun gelijkwaardige participatie in de samenleving;   
  • zij hiervoor redelijke aanpassingen vragen die obstakels voor gelijkwaardige participatie wegnemen;   
  • en die redelijke aanpassingen geweigerd worden, ook al betekenen ze geen onevenredige belasting. [4] 

De indiener van de klacht moet feiten aanvoeren die een weigering van redelijke aanpassingen kunnen doen vermoeden. Het is dan aan de verweerder om te bewijzen dat de gevraagde aanpassingen onredelijk zijn of een onevenredige last zouden betekenen. [5]  

2. Toepassing 

De indieners van de klacht voeren aan:   

  • dat hun zoon omwille van zijn taalontwikkelingsachterstand moeilijkheden ondervond op school;   
  • en dat de school onvoldoende begeleiding heeft voorzien om deze moeilijkheden op te vangen. 

De indieners van de klacht stellen dat dat de school niet heeft aangetoond dat zij aangepaste maatregelen heeft genomen om rekening te houden met de taalontwikkelingsachterstand van hun zoon. Ze stellen bovendien dat de school aanvankelijk logopedie op school heeft geweigerd.  

De school stelt dat zij wel degelijk verschillende maatregelen heeft genomen om het leerproces van de leerling te ondersteunen. De school ontkent ook dat zij logopedie zou hebben geweigerd en stelt dat zij dit als school niet kan weigeren. 

De Geschillenkamer stelt vast dat de school heeft aangetoond dat zij relevante zorgmaatregelen heeft genomen. Onder de brede basiszorg waren er bijvoorbeeld individuele herhalingen voor de leerling en 1-op-1 begeleiding. In het kader van de verhoogde zorg nam de leerling deel aan verschillende zorggroepjes, samen met andere leerlingen met leernoden. De ouders werden hierover geïnformeerd tijdens oudercontacten en via het leerlingenvolgdossier op het elektronische platform.  

Wat de organisatie van logopedie op school betreft, stelt de school dat zij nooit logopedie heeft geweigerd en dat zij dit ook niet kan weigeren als school. De school heeft aan de ouders wel aangegeven dat zij een ruimere leerproblematiek vermoedde en dat zij onderzoek in een revalidatiecentrum aangewezen vond om dit in kaart te brengen. De ouders wilden echter meteen logopedie opstarten om geen vertraging op te lopen. Op de hoorzitting is gebleken dat de school zowel van het CLB als van de logopediste te horen kreeg dat hier eerst een IQ test voor nodig was. De organisatie daarvan heeft enige tijd in beslag genomen. Vertraging bij het CLB en discussie over de aard van de IQ test (verbaal of niet-verbaal) heeft blijkbaar een rol gespeeld. Met vertraging werd de logopedie alsnog opgestart, na afname van een niet-verbale IQ test op advies van het CLB. Alles bij elkaar genomen kan de Geschillenkamer niet vaststellen dat de hoofdverantwoordelijkheid voor de vertraging in het opstarten van de logopedie bij de school ligt. 

De Geschillenkamer is dan ook van oordeel dat er geen feiten zijn aangevoerd die een weigering van redelijke aanpassingen kunnen doen vermoeden. 

B. Indirecte discriminatie

De beslissingen van de klassenraad over de overgang van de zoon van de indieners van de klacht naar de derde kleuterklas onderzoekt de Geschillenkamer als een mogelijk geval van indirecte discriminatie op grond van handicap. 

1. Algemeen 

Een indirecte discriminatie op grond van handicap vindt plaats wanneer:   

  • een op het eerste gezicht neutrale praktijk;   
  • personen met een handicap in vergelijking met andere personen kan benadelen;   
  • tenzij die praktijk objectief wordt gerechtvaardigd. Dit is het geval wanneer de praktijk een legitiem doel nastreeft en de middelen om dit doel te bereiken passend en noodzakelijk zijn. [6] Een praktijk die personen met een handicap benadeelt, is niet noodzakelijk wanneer de discriminerende impact kan worden vermeden door redelijke aanpassingen. [7] Als aan die voorwaarden is voldaan, moet ten slotte een afweging worden gemaakt tussen het nadeel voor personen met een of meer beschermde kenmerken en het belang van het nagestreefde doel (evenredigheid in de strikte zin).  

De Geschillenkamer onderzoekt in twee stappen of een discriminatie bewezen is. De eerste stap is vervuld als de indiener van de klacht feiten aanvoert die het bestaan van een discriminatie kunnen doen vermoeden. Als de indiener van de klacht een vermoeden van discriminatie aanvoert, moet de verweerder vervolgens (in de tweede stap) bewijzen dat er geen sprake is van een discriminatie. De verweerder kan dit doen door het vermoeden van discriminatie te weerleggen of door de benadelende praktijk te rechtvaardigen. [8] 

2. Toepassing

De indieners van de klacht stellen dat de toepassing van het evaluatiekader voor de overgang naar de derde kleuterklas (een op het eerste gezicht neutrale praktijk) hun zoon benadeelde omwille van diens taalontwikkelingsachterstand. 

Dit is aannemelijk aangezien drie van de vier aandachtspunten die in het advies van de klassenraad van 17 juni 2024 worden vermeld, te maken hebben met taal en communicatie. 

De indieners van de klacht zijn van oordeel dat de achterstand van hun zoon met betrekking tot de leerdoelen vermeden had kunnen worden als er al vroeger aangepaste zorg was geboden in de vorm van logopedie. Zij menen ook dat de klassenraad in zijn beslissing onvoldoende rekening heeft gehouden met de versnelde vooruitgang die hun zoon had kunnen maken in de derde kleuterklas, eenmaal hij logopedische ondersteuning kreeg.  

De argumenten die de school ter rechtvaardiging aanvoert, steunen op de expertise van het schoolteam voor de inschatting van de mogelijkheden van een kind om vooruitgang te maken binnen een bepaalde termijn. De Geschillenkamer stelt in dat kader vast dat de beslissing van de klassenraad van 23 januari 2024 is geformuleerd in definitieve termen. Zij laat schijnbaar geen ruimte voor de mogelijkheid dat in het tweede gedeelte van het schooljaar met andere of bijkomende ondersteuning voldoende stappen vooruit zouden kunnen gezet worden.  

De school stelt hierover dat de beslissing van de klassenraad ongelukkig geformuleerd is, en dat er in werkelijkheid wel degelijk ruimte was om aan het einde van het schooljaar anders te oordelen. De school heeft tijdens de hoorzitting ook aangegeven dat zij haar communicatie sinds deze zaak heeft aangepast, net om te vermijden dat de verkeerde indruk kan ontstaan bij ouders. Een andere communicatie vanwege de school had mogelijk de spanning met de indieners van de klacht kunnen voorkomen of beperken, en ook aan hen een duidelijker beeld gegeven over welke ondersteuning zijn schooltraject verder zou kunnen bevorderen.  

In elk geval heeft de klassenraad in juni opnieuw gesproken over de zoon van de indieners van de klacht en pas op dat moment de definitieve beslissing genomen. In de tussentijd kreeg hij vanaf januari 2024 bijkomende ondersteuning door het leercentrum Wetteren-Aalst-Ninove (WAN). Een vroegere opstart van logopedie op school had mogelijk voor betere leerresultaten kunnen zorgen. Zoals eerder aangegeven, kan de Geschillenkamer echter niet vaststellen dat de hoofdverantwoordelijkheid voor de vertraging bij het opstarten van de logopedie bij de school zou liggen. Bovendien kan de Geschillenkamer op basis van de elementen in het dossier geen uitspraken doen over de vraag of het een voldoende groot verschil zou gemaakt hebben indien de logopedie enkele maanden eerder was opgestart. Op de zitting wees de school bovendien op de gelijkenis tussen de WAN-ondersteuning en de logopedische aanpak.  

Alle omstandigheden in rekening genomen is de Geschillenkamer van oordeel dat de school heeft aangetoond dat zij op een zorgvuldige en redelijke wijze tot haar beslissing is gekomen. De benadeling die de zoon van de indieners van de klacht heeft ondervonden, is afdoende gerechtvaardigd op basis van de aanhoudende geboden individuele ondersteuning, de pedagogische visie en de ervaring van de school.  

Er is dan ook geen sprake van een indirecte discriminatie op grond van handicap. 

C. Directe discriminatie

De Geschillenkamer is van oordeel dat enkele beweerde feiten moeten worden onderzocht als een mogelijke directe discriminatie op grond van handicap. 

Het gaat om de stelling van de indieners van de klacht dat hun zoon anders behandeld werd dan andere leerlingen, omdat hij de leerkracht dagelijks moest groeten en omdat hij ontmoedigende opmerkingen zou hebben ontvangen. 

Het gaat ook om de beweerde ongelijke behandeling van de indieners van de klacht bij de communicatie over het oudercontact in juni 2024. In dat geval zou het gaan om directe discriminatie bij associatie, op grond van de handicap van hun zoon. 

1. Algemeen 

Een directe discriminatie op grond van handicap vindt plaats wanneer:    

  • iemand minder gunstig wordt behandeld dan iemand anders in een vergelijkbare situatie;    
  • op grond van diens handicap (oorzakelijk verband);  
  • tenzij die ongunstige behandeling objectief wordt gerechtvaardigd. Dit is het geval wanneer de ongunstige behandeling een legitiem doel nastreeft en de middelen om dit doel te bereiken passend en noodzakelijk zijn. [9] Een minder gunstige behandeling van een persoon met een handicap is niet noodzakelijk wanneer de minder gunstige behandeling  kan worden vermeden door redelijke aanpassingen. [10] Als aan die voorwaarden is voldaan, moet ten slotte een afweging worden gemaakt tussen het nadeel voor personen met een of meer beschermde kenmerken en het belang van het nagestreefde doel.  

De Geschillenkamer onderzoekt in twee stappen of een discriminatie bewezen is. De eerste stap is vervuld als de indiener van de klacht feiten aanvoert die het bestaan van een discriminatie kunnen doen vermoeden. Als de indiener van de klacht een vermoeden van discriminatie aanvoert, moet de verweerder vervolgens (in de tweede stap) bewijzen dat er geen sprake is van een discriminatie. De verweerder kan dit doen door het vermoeden van discriminatie te weerleggen of door de minder gunstige behandeling te rechtvaardigen. [11] 

Het Gelijkekansendecreet biedt, in navolging van het EU recht, niet alleen bescherming tegen discriminatie op grond van eigen beschermde kenmerken, maar ook tegen discriminatie op grond van “bij associatie toegekende” beschermde kenmerken. [12] Het Gelijkekansendecreet beschermt dus ook personen die, hoewel ze niet zelf deel uitmaken van de groep met beschermde kenmerken, omwille van deze kenmerken minder gunstig worden behandeld. [13] 

2. Toepassing

De Geschillenkamer is van oordeel dat voor de aangehaalde situaties onvoldoende elementen zijn aangebracht om een vermoeden van discriminatie te kunnen doen ontstaan. 

Er is niet aannemelijk gemaakt dat de zoon van de indieners van de klacht minder gunstig werd behandeld dan andere leerlingen omwille van zijn taalontwikkelingsachterstand, of omwille van enig ander beschermd kenmerk. Wat de begroeting betreft stelt de school dat dit een dagelijks ritueel is voor alle leerlingen. Wat de uitnodiging voor het oudercontact betreft, heeft de school toegelicht dat ook andere ouders wiens kind leermoeilijkheden had, een afzonderlijke uitnodiging ontvingen. Er is dan ook niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een minder gunstige behandeling. 

Oordeel van de Geschillenkamer

Om die redenen oordeelt de Geschillenkamer  

  •  dat er geen weigering van redelijke aanpassingen overeenkomstig het Gelijkekansendecreet kan worden vastgesteld; 
  •  dat er geen sprake is van indirecte discriminatie op grond van handicap overeenkomstig het Gelijkekansendecreet; 
  • dat er geen directe discriminatie (al dan niet bij associatie) op grond van handicap kan worden vastgesteld overeenkomstig het Gelijkekansendecreet. 
Voetnoten
  1. Art. 13, § 5 VMRI-decreet
  2. Art. 13, § 4 VMRI-decreet 
  3. Art. 14 VMRI-decreet
  4. Artikel 19 Gelijkekansendecreet
  5. Art 36, §1 Gelijkekansendecreet
  6. Art. 16 §1 Gelijkekansendecreet
  7. Zie bv. Hof van Justitie 15 juli 2021, C-795/19, XX t Tartu Vangla, § 46-52
  8. Art. 36 §1 Gelijkekansendecreet
  9. Artikel 16 §1 Gelijkekansendecreet
  10. Zie bv. Hof van Justitie 15 juli 2021, C-795/19, XX t. Tartu Vangla, § 46-52
  11. Artikel 36, §1 Gelijkekansendecreet
  12. Artikel 16, §§ 1 en 2, Gelijkekansendecreet
  13. Hof van Justitie 16 juli 2015, C-83/14, CHEZ Razpredelenie Bulgaria AD, § 56 en Hof van Justitie 17 juli 2008, C‑303/06, S. Coleman t. Attridge Law, § 56    

Download het oordeel

Ook interessant