Overslaan en naar de inhoud gaan

School weigert geen redelijke aanpassingen voor leerling met mentale moeilijkheden

info

Samenvatting oordeel

Situatie 

Een vader diende klacht in voor zijn minderjarige zoon over redelijke aanpassingen die geweigerd zouden zijn door het Sint-Jozef-Klein-Seminarie Sint-Niklaas. Vanaf eind februari 2025 ging de leerling omwille van mentale moeilijkheden niet meer naar de school. In april 2025 zat de klassenraad samen om de mogelijkheden voor de leerling te bespreken en aan de ouders voor te leggen. De ouders kregen twee opties van de school en kozen voor de optie van afstandsonderwijs voor alle vakken zonder interactie of vragen tijdens de online lessen. De leerling zou elke vrijdag al zijn vragen van de schoolweek oplijsten en de leerkrachten zouden deze binnen de twee werkdagen beantwoorden. Volgens de indiener van de klacht waren deze opties echter geen redelijke aanpassingen voor zijn zoon. 

Beoordeling door de Geschillenkamer

De Geschillenkamer moest in deze zaak beoordelen of er sprake is van een weigering van redelijke aanpassingen in april 2025. 

De Geschillenkamer kan niet vaststellen dat de school algemeen zou zijn tekortgeschoten in het proces voor redelijke aanpassingen voor de leerling toen hij er schoolliep. Hij kreeg vanaf zijn eerste jaar op de school individuele begeleiding die ook werd aangepast naargelang zijn behoeften veranderden, in overleg met het CLB en de ergotherapeute en de moeder van de leerling.  

Volgens de Geschillenkamer kan ook geen discriminerende weigering van redelijke aanpassingen vastgesteld worden voor het voorgestelde online onderwijs zonder interactie. De indiener van de klacht verkoos een andere, eerder besproken aanpassing waarbij de leerling enkel de hoofdvakken (online) zou volgen. Een school is niet verplicht om elke individuele aanpassing waar om is gevraagd te verrichten, zolang zij aanpassingen treft die de obstakels voor gelijkwaardige participatie in het onderwijs kunnen wegnemen. Voor de Geschillenkamer is op basis van het dossier niet aannemelijk gemaakt dat het volgen van alle vakken het voor de leerling moeilijker zou maken deel te nemen aan het onderwijs dan het volgen van enkel de hoofdvakken.  

De Geschillenkamer kan begrijpen dat de school de afspraak over de interactie en vragen aangewezen achtte om de graduele heropstart van de lessen voor de leerling en zijn medeleerlingen zo vlot mogelijk te laten verlopen, op basis van haar eerdere ervaring met de noden van de leerling en met online lessen aan leerlingen met gelijkaardige noden. De Geschillenkamer stelt daarnaast vast dat de school elke week over de leerling overlegde waardoor bijsturingen en aanpassingen in deze afspraken op korte termijn mogelijk waren. Aangezien de leerling reeds na de eerste online les stopte met les volgen, heeft de school ook geen mogelijkheid gehad om de aangeboden redelijke aanpassingen eventueel bij te sturen. 

Oordeel

Om die redenen oordeelt de Geschillenkamer dat er geen weigering van redelijke aanpassingen in de zin van het Gelijkekansendecreet kan worden vastgesteld.  

Volledig oordeel

De Geschillenkamer, samengesteld uit voorzitter Stijn Smet, bijzitter Line Hellemans en bijzitter Marie Spinoy, en bijgestaan door griffier Dorien Geeroms, spreekt het volgende oordeel uit: 

Procedure

De Geschillenkamer heeft de klacht ontvangen op 13 januari 2026. 

De fase van het uitwisselen van standpunten en overtuigingsstukken werd afgerond op 17 maart 2026. 

De Geschillenkamer ontving de volgende stukken:   

  • het standpunt van de verweerster van 12 februari 2026 
  • het antwoord van de indiener van de klacht van 28 februari 2026 
  • het antwoord van de verweerster van 17 maart 2026. 

De Geschillenkamer heeft de minderjarige zoon van de indiener van de klacht uitgenodigd om gehoord te worden voorafgaand aan de hoorzitting. Hij heeft aangegeven dat hij niet gehoord wenste te worden.  

De indiener van de klacht vroeg aan de Geschillenkamer om ook een CLB-medewerkster die zijn zoon mee had ondersteund te horen, over de samenwerking tussen het CLB en de school en over de informatie die de school aan het CLB bezorgde. De Geschillenkamer heeft, in overeenstemming met artikel 19 Procedurebesluit, bijkomende toelichting opgevraagd bij de CLB-medewerkster. Op 16 juni 2026 heeft zij een antwoord bezorgd aan de Geschillenkamer, dat werd toegevoegd aan het dossier.  

De Geschillenkamer behandelde de zaak tijdens een hoorzitting op 1 juli 2026. De indiener van de klacht was zelf aanwezig. De verweerster werd vertegenwoordig door een personeelslid en een lid van het schoolbestuur, en bijgestaan door advocaat D. Amelinckx. 

De Geschillenkamer ontvangt een klacht pas nadat een poging tot bemiddeling is doorlopen bij de afdeling Eerstelijnsdienst en Bemiddeling van het Vlaams Mensenrechteninstituut. [1] Omwille van de vertrouwelijkheid van de bemiddeling mag de Geschillenkamer niet geïnformeerd worden over wat er zich tijdens de bemiddeling heeft afgespeeld. [2] 

De Geschillenkamer beslist om een passage uit het tweede standpunt van de indiener van klacht (op pagina 2) en uit het eerste en tweede standpunt van de verweerster (op pagina 3 en op pagina 4 in het eerste document van het eerste standpunt en op pagina’s 1-3 van het tweede standpunt) te weren omdat die inhoudelijk over de bemiddelingspoging gaan. Dit wil zeggen dat de Geschillenkamer met deze passages geen rekening houdt bij haar beoordeling. Om dezelfde reden weert de Geschillenkamer ook het stuk van de indiener van de klacht uit het dossier.  

Feiten

Een vader diende klacht in voor zijn minderjarige zoon. Zijn zoon was in schooljaar 2024-2025 ingeschreven op het Sint-Jozef-Klein-Seminarie Sint-Niklaas, de verweerster in deze zaak. Het was zijn derde jaar op de school. Hij kreeg al sinds het eerste jaar op de school begeleiding omdat hij mentale moeilijkheden had.  

Vanaf eind februari 2025 ging de leerling omwille van deze moeilijkheden niet meer naar de school. Op 1 april 2025 vond een overleg plaats over de mogelijkheden voor de leerling voor de rest van het schooljaar, met zijn ouders, zijn ergotherapeute, het zorgteam van de school en het CLB. Daar werd als voorstel besproken dat de leerling online lessen zou volgen voor de hoofdvakken.  

Op 24 april 2025 zat ook de klassenraad samen over de mogelijkheden voor de leerling. De klassenraad stelde twee opties voor aan de ouders: 

  • de time-out van de leerling verlengen tot het einde van het schooljaar zodat hij via professionele hulp kon recupereren en meer mentale weerbaarheid krijgen. Hij zou het derde jaar dan hernemen tijdens het volgende schooljaar, met mogelijke vrijstellingen voor de leerstof van het eerste semester. 
  • afstandsonderwijs aanbieden voor alle vakken, waarbij de leerling toetsen en examens voor meerdere vakken moest afleggen zodat hij kon slagen op het einde van het schooljaar. De leerling zou elke vrijdag al zijn vragen van de schoolweek oplijsten en de leerkrachten zouden deze binnen de twee werkdagen beantwoorden. Tijdens de online lessen kon de leerling geen vragen stellen of in interactie gaan.  

De ouders moesten aangeven welk traject zij kozen. Zij kozen het tweede traject. Volgens de indiener van de klacht waren deze opties echter geen redelijke aanpassingen voor zijn zoon.  

Op 28 april 2025 volgde de leerling voor het eerst een les online mee. Later die dag liet de moeder van de leerling, de ex-echtgenote van de indiener van de klacht, aan de school weten dat hij geen lessen kon volgen. Kort daarop ontving de school een afwezigheidsattest van een dokter voor de leerling tot het einde van het schooljaar.  

De Geschillenkamer heeft de klacht ontvangen op 13 januari 2026. 

Standpunten partijen

Standpunt indiener klacht

 

Volgens de indiener van de klacht heeft de school onvoldoende gedaan om redelijke aanpassingen te bieden voor de mentale moeilijkheden van zijn zoon. 

Hoewel de school op de hoogte was van deze mentale moeilijkheden kreeg hij op 21 februari 2025 een straf omdat hij een kap droeg. Na de straf ging zijn zoon maanden niet meer naar school. De indiener van de klacht had de directeur daarover gecontacteerd. Volgens de indiener van de klacht was het antwoord van de directeur neerbuigend en bleek daaruit geen bereidheid tot dialoog.

Bij het overleg op 1 april 2025 werd het voorstel gedaan om zijn zoon enkel de hoofdvakken online te laten volgen, met toetsen en examens op school, wat een werkbaar compromis leek. Dit was een voorstel van het zorgteam. De klassenraad zou dit volgens de indiener van de klacht nog bevestigen op 24 april 2025. De klassenraad kwam toen enkel met twee andere opties. Voor hem is niet duidelijk waarom de oplossing die op 1 april was besproken, niet was overgenomen door de klassenraad. De klassenraad heeft dat niet gemotiveerd. 

De ouders kozen toen noodgedwongen voor de optie om de lessen van alle vakken online bij te wonen. In de praktijk toonde de klastitularis hier echter weinig bereidheid voor. Uit haar houding bij de les bleek dat ze aanstuurde op de volledige afwezigheid van de leerling. Er was geen enkele interactie mogelijk waardoor het zo goed als onmogelijk was de lessen te volgen. Volgens de indiener van de klacht hebben zowel het CLB als de koepel van het katholiek onderwijs bevestigd dat de school meer had kunnen doen. Zij zouden ook hebben aangegeven dat het verbieden van vragen of interactie tijdens online lessen niet hoort. Bij een langdurige afwezigheid moet de school bovendien een leerkracht aan huis voorzien voor enkele uren (tijdelijk onderwijs aan huis of ‘TOAH’), wat niet gebeurd is.

De school is volgens de indiener van de klacht ook tekortgeschoten door niet correct te communiceren met het CLB. Doordat de school het CLB niet op de hoogte gebracht heeft, is er volgens hem geen zinvolle dagbesteding aangereikt aan zijn zoon en zijn geen andere stappen ondernomen. De indiener van de klacht vraagt zich ook af of de school het CLB correct heeft geïnformeerd over de beslissing van de klassenraad van 24 april 2025. Tijdens een gesprek tussen de ouders en een medewerker van het CLB op 4 juni 2025 bleek dat deze medewerker veronderstelde dat de school het voorstel uit het overleg van begin april 2025 had aanvaard. 

De indiener van de klacht stelt daarnaast dat de school hem en de moeder van zijn zoon negatief afschildert in hun standpunt in de plaats van inhoudelijk in te gaan op de kern van de zaak. De school stelt zijn ex-echtgenote voor als iemand die enkel bezorgd is om de attestering van haar zoon, zelfs ten koste van zijn gezondheid, terwijl zij hierover maar één keer met de school heeft gecommuniceerd. De indiener van de klacht wordt neergezet als een onvoldoende betrokken vader, waarbij de school ook gevoelige informatie deelt over zijn beperkte contact met zijn zoon.  

Standpunt verweerster


De school stelt dat ze wel redelijke aanpassingen heeft geboden en de leerling lang en grondig begeleid heeft. Sinds het eerste jaar op de school kreeg de leerling al individuele leerlingenbegeleiding. Toen hij in het tweede jaar op de school zat, organiseerde de school een ‘naadloos flexibel traject’ (‘NAFT’) voor hem. 

De school ontkent dat zij de ouders op een bepaalde manier wil afschilderen. Ze gaat wel degelijk discreet om met de informatie die de vader heeft bezorgd en gebruikt die enkel in deze procedure. De school vond het belangrijk om mee te geven dat de indiener van de klacht en zijn zoon beperkt contact hadden en dat hij met de school ook geen contact had voor zijn e-mail van 21 februari 2025. Voor de school onderstreept dit dat hij niet op de hoogte is van alle stappen die de school voor het welzijn van zijn zoon heeft ondernomen. Tijdens het schooljaar 2024-2025 heeft hij enkel deelgenomen aan het overleg op 1 april 2025. De school verduidelijkt dat het voorstel op het overleg van 1 april 2025 verder door de klassenraad onderzocht moest worden en dat dat ook zo aan de ouders was meegedeeld. Het is immers de klassenraad die voor elke leerling autonoom beslist op basis van de ontvangen input en haar expertise. De directie en leerlingenbegeleiding respecteren hierin de autonomie van de klassenraad. Vanuit haar specifieke expertise en op basis van de informatie van de behandelende orthopedagoge heeft de klassenraad de twee opties voorgesteld.

De klassenraad had daarbij besloten dat er tijdens de online lessen geen vragen konden gesteld worden omwille van de situatie op dat moment en in het belang van alle leerlingen. De leerling was al twee maanden afwezig en was toen volgens zijn moeder niet met school bezig geweest. Hij zou dus veel dingen in de les niet meteen begrijpen terwijl de lessen die hij volgde voor de hele klasgroep waren. Omwille van zijn achterstand en perfectionisme kon volgens de school verwacht worden dat de andere leerlingen geen les meer zouden krijgen als hij zijn vele vragen zou stellen. Daarnaast wilde de school aan de leerling en de leerkrachten structuur bieden door duidelijk af te spreken tegen wanneer hij zijn vragen kon indienen en beantwoord zou krijgen. Zodra hij het grootste deel van de achterstand had ingehaald, zou hij tijdens de online lessen opnieuw vragen kunnen stellen. Hij zou zich dan in dezelfde situatie als de andere leerlingen bevinden.

De school benadrukt dat de leerling op 28 april 2025 een 50-tal minuten online les heeft gevolgd en daar dan mee is gestopt met goedkeuring van zijn moeder. De klastitularis heeft tijdens die les lesgegeven zoals zij altijd doet wanneer leerlingen online les volgen. Ze heeft zich daarbij aan de gemaakte afspraken gehouden. De school vernam later op 28 april 2025 van de moeder van de leerling dat hij niet aanwezig kon zijn op school maar ook niet online kon deelnemen of zelfstandig de leerstof verwerken. Kort daarna ontving de school het afwezigheidsattest tot het einde van het schooljaar. Na 28 april 2025 kwam ook geen vraag meer om nieuwe stappen van de orthopedagoge, van de ouders of het CLB.

De school is bij de ondersteuning van de leerling steeds uitgegaan van wat de orthopedagoge van de leerling voorstelde vanuit haar expertise. Ze kreeg telkens de leiding om te bepalen wat kon, gezien zijn energiepeil en de door haar aangegeven burn-out van de leerling. De orthopedagoge gaf daarbij onderwijs aan huis niet aan als een goede mogelijkheid voor de leerling. Tot aan de paasvakantie in 2025 was haar richtlijn totale deconnectie van school en lessen. Na de paasvakantie raadde zij online les aan, waarbij de leerling enkel voor evaluatiemomenten buiten de gewone lesuren op school zou komen. De orthopedagoge is bovendien geen onderwijspedagoge en kan bijvoorbeeld niet bepalen welke leerstofonderdelen en leerplandoelstellingen belangrijker zijn dan andere voor een leerling om te kunnen overgaan naar een volgend jaar, in tegenstelling tot de klassenraad. Daarnaast was belangrijk dat het genezingsproces van de leerling niet belemmerd zou worden door mogelijke onderwijsverwachtingen. Het was de moeder van de leerling die de nadruk bleef leggen op hervatting van de lessen met het oog op attestering. Volgens de school bevestigt de moeder van de leerling dat de school veel inspanningen heeft geleverd voor hem.

Daarnaast heeft ook het CLB steeds alles opgevolgd. Een CLB-medewerker overlegt elke maandag met de leerlingenbegeleiding en de pedagogische directeurs. Tijdens dat overleg kwam de leerling tot en met maandag 12 mei 2025 aan bod. De CLB-medewerkers hebben volledige toegang tot het leerlingenvolgsysteem, dus ook tot het verslag van de klassenraad van april 2025. Zowel via het leerlingendossier en de wekelijkse vergaderingen was de CLB-medewerker op de hoogte.

Over de straf eind februari 2025 stelt de school dat de problemen van de leerling geen vrijstelling gaven voor elementaire omgangsregels van de school, zoals over het dragen van kappen. Er is geen verband tussen de straf en de lang lopende problematiek van de leerling. De school ontkent dat ze een neerbuigend antwoord stuurde op de e-mail van de indiener van de klacht hierover. De e-mail van de indiener van de klacht getuigde volgens de school van een gebrek aan respect. Het antwoord van de school ging in op de elementen die de indiener van de klacht zelf had aangehaald, zoals de opleiding en het diploma van de directeur.

Beoordeling door de Geschillenkamer 

De indiener van de klacht stelt: 

  • dat zijn zoon omwille van mentale moeilijkheden obstakels ervoer in zijn deelname aan het onderwijs;  
  • waarvoor redelijke aanpassingen mogelijk waren die zijn deelname aan de lessen mogelijk zou maken;  
  • maar die de school niet heeft willen aanbieden om redenen die voor hem onduidelijk zijn. 

De indiener van de klacht heeft tijdens de zitting verduidelijkt dat zijn klacht enkel gaat over de aangevoerde weigering van redelijke aanpassingen in april 2025. De klacht gaat dus niet over de straf die zijn zoon kreeg voor het dragen van een kap in februari 2025. Hij heeft dat voorval enkel vermeld omdat het voor zijn zoon de concrete aanleiding om thuis te blijven in een periode waarin hij het al moeilijk had, maar er had volgens de indiener van de klacht even goed een andere aanleiding kunnen zijn.  

De Geschillenkamer moet in deze zaak beoordelen of er sprake is van een weigering van redelijke aanpassingen voor de leerling door de school in april 2025. 

I. Weigering van redelijke aanpassingen  

A. Algemene beginselen 

Redelijke aanpassingen zijn aanpassingen waarop een persoon met een handicap recht heeft om te verzekeren dat die ten volle, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid kan participeren in de samenleving. Die aanpassingen moeten obstakels voor een gelijkwaardige participatie voor de persoon met een handicap wegnemen. Een gevraagde aanpassing is dus een redelijke aanpassing als die er inderdaad voor kan zorgen dat de persoon met handicap op gelijkwaardige manier kan deelnemen aan bijvoorbeeld het onderwijs. Redelijke aanpassingen in het onderwijs worden afgestemd op de individuele noden van de persoon met een handicap en kunnen onder andere betrekking hebben op het curriculum, de organisatie van het onderwijs, de vorm van lesmateriaal, de infrastructuur van de onderwijsinstelling en de evaluatievormen. [3] Een gevraagde redelijke aanpassing kan alleen worden geweigerd als ze een onevenredige belasting zou betekenen voor degene die de aanpassing moet doen. 

Een discriminerende weigering van redelijke aanpassingen voor personen met een handicap vindt dus plaats wanneer:  

  • personen met een handicap een beperking ervaren in hun gelijkwaardige participatie in de samenleving;  
  • zij hiervoor redelijke aanpassingen vragen die obstakels voor gelijkwaardige participatie wegnemen;  
  • en die redelijke aanpassingen geweigerd worden, ook al betekenen ze geen onevenredige belasting. [4] 

De indiener van de klacht moet feiten aanvoeren die een weigering van redelijke aanpassingen kunnen doen vermoeden. Het is dan aan de verweerder om te bewijzen dat de gevraagde aanpassingen onredelijk zijn of een onevenredige last zouden betekenen. [5] 

B. Begeleiding voor de leerling op school   

De partijen zijn het erover eens dat de leerling al van bij zijn start op de school mentale moeilijkheden heeft ervaren op school die gepaard gaan met een hoge mate van perfectionisme, stress en druk over onder andere zijn prestaties op school. De school betwist niet dat er sprake is van een handicap. Zij stelt dat ze wel heel wat begeleiding en aanpassingen heeft geboden aan de leerling.  

Wanneer een leerling met een handicap zich inschrijft op een school of op een later moment (andere of bijkomende) redelijke aanpassingen vraagt, moet de school nagaan welke redelijke aanpassingen aangewezen zijn. De school voert daartoe een open dialoog met de leerling en diens ouder(s). Die dialoog is erop gericht de belemmeringen die de persoon met een handicap ervaart in de context in kaart te brengen en op zoek te gaan naar aanpassingen om de gelijkwaardige participatie van de persoon met een handicap zoveel als mogelijk te verzekeren. [6] 

De leerling kreeg vanaf zijn eerste jaar op de school individuele begeleiding die ook werd aangepast naargelang zijn behoeften veranderden. In het tweede jaar werd voor hem een naadloos flexibel traject (‘NAFT’) opgestart om hem intensievere begeleiding te kunnen aanbieden. Een NAFT is erop gericht schooluitval te voorkomen en biedt bijkomende ondersteuning aan scholen en hun leerling wanneer de leerling tijdelijk intensieve begeleiding nodig heeft. De school heeft daarnaast aangegeven dat zij wekelijks overlegde met het CLB over de leerling. Het CLB heeft dat bevestigd.  

De school geeft verder aan dat zij zich steeds baseerde op de informatie die ze ontving van de ergotherapeute en de moeder van de leerling over wat mogelijk was op welk moment. Ze stelt ook dat ze regelmatig overlegde met de moeder van de leerling en goede afspraken met haar had. De indiener van de klacht betwist dit.  

De versies van de partijen over het proces van redelijke aanpassingen en de aanloop naar de beslissing van de klassenraad over het onlineonderwijs (zie hieronder) liggen op verschillende vlakken uit elkaar. De communicatie over de redelijke aanpassingen is voor een groot deel gevoerd tussen de school en de moeder van de leerling die toen het ouderlijk gezag over hem uitoefende. De Geschillenkamer heeft geen kennis van hoe de communicatie tussen de moeder en de school is verlopen en hoe zij die heeft ervaren.  

Voor een groot deel van de periode waarin de jongen schoolliep in het Sint-Jozef-Klein-Seminarie had de leerling ook geen contact met zijn vader. De indiener van de klacht heeft op de zitting toegelicht dat hij in februari 2025 een klein jaar geen contact meer had gehad met zijn zoon. Tijdens het schooljaar 2024-2025 was hij op één overleg over zijn zoon aanwezig, namelijk op het overleg van 1 april 2025.  

De indiener van de klacht stelt dat hij de communicatie van de school als neerbuigend heeft ervaren. Op basis van de e-mailwisseling tussen de indiener van de klacht en de directeur van de school die de Geschillenkamer heeft ontvangen, kan de Geschillenkamer echter niet vaststellen dat de directeur de indiener neerbuigend benadert.  

Het antwoord van de school ging in op de elementen die de indiener van de klacht zelf had aangehaald, zoals de opleiding en het diploma van de directeur. 

In deze omstandigheden kan de Geschillenkamer niet vaststellen dat de school zou zijn tekortgeschoten in het proces voor redelijke aanpassingen voor de leerling tijdens de periode dat hij er schoolliep.  

C. Online onderwijs zonder interactie  

De Geschillenkamer onderzoekt vervolgens of de school in april 2025 een redelijke aanpassing heeft geweigerd door voor de leerling online onderwijs zonder interactie voor te stellen.  

Tussen februari en april 2025 was de zoon van de indiener van de klacht afwezig van school en heeft hij ook niet op een andere manier, bijvoorbeeld zelfstandig, leerstof verwerkt. De partijen zijn het erover eens dat hij toen nood had aan totale deconnectie van de school.  

De indiener van de klacht begrijpt niet dat de klassenraad het voorstel van het zorgteam van 1 april 2025 niet heeft gevolgd, waarbij zijn zoon de hoofdvakken via afstandsonderwijs zou volgen. Hij begrijpt ook niet dat zijn zoon bij de online lessen geen vragen mocht stellen. Daarnaast vraagt hij zich af of de school geen andere aanpassingen had moeten bieden, zoals tijdelijk onderwijs aan huis (TOAH). Tijdens de zitting heeft de indiener van de klacht verduidelijkt dat zijn vraag over de mogelijkheid van TOAH enkel gaat over de periode vanaf eind april 2025 waarin zijn zoon opnieuw les zou volgen. 

Het verschil tussen het voorstel over online onderwijs dat tijdens het overleg van 1 april 2025 gedaan werd en het voorstel van de klassenraad van 24 april 2025, zit in het aantal vakken waarvoor de leerling online les zou volgen: de hoofdvakken of alle vakken.  

De school heeft toegelicht tijdens de zitting dat de klassenraad besloten heeft dat de leerling voor alle vakken les zou volgen om te kunnen verzekeren dat de leerling een A-attest zou kunnen behalen aan het einde van het schooljaar, wat ook de vraag was van zijn moeder. De school stelt dat zij wel andere aanpassingen had getroffen om te verzekeren dat dit voor de leerling haalbaar zou blijven, zoals het beperken van het aantal evaluatiemomenten en van de leerstof die effectief geëvalueerd zou worden.  

Volgens de indiener van de klacht is dat nooit aan hem uitgelegd en was de op 1 april 2025 voorgestelde aanpassing beter geweest voor zijn zoon. Hij heeft verder bevestigd dat toen over de mogelijkheid tot vragen en interactie niets besproken was. 

Dat de school de voorgestelde aanpassing niet heeft overgenomen, maakt op zichzelf niet aannemelijk dat de school onvoldoende redelijke aanpassingen heeft geboden. Een school is niet verplicht om elke individuele aanpassing waar om is gevraagd te verrichten, zolang zij aanpassingen treft die de obstakels voor gelijkwaardige participatie in het onderwijs kunnen wegnemen. De Geschillenkamer heeft geen andere informatie ontvangen die aannemelijk maakt dat de aanpassing die de school voorstelde het voor de leerling moeilijker zou maken deel te nemen aan het onderwijs dan de op 1 april 2025 besproken aanpassing. 

Over de afspraak dat de leerling geen vragen kon stellen en niet in interactie kon gaan tijdens de online lessen, geeft de school aan dat zij zich baseerde op haar eerdere ervaring met het perfectionisme van de leerling en met online lessen aan leerlingen met gelijkaardige noden. Om te verzekeren dat het onderwijs nog steeds aan alle leerlingen tegelijk kon worden gegeven en dat de leerling structuur en duidelijkheid had, wilde de school in het begin geen vragen of interactie tijdens de lessen toestaan. Eens de leerling zijn achterstand had kunnen inhalen, zouden volgens de school wel interactie en vragen mogelijk worden. 

De Geschillenkamer meent dat de school duidelijker had kunnen communiceren, bijvoorbeeld door dit vooruitzicht al expliciet mee te geven in het voorstel van de klassenraad. Tegelijk kan de Geschillenkamer begrijpen dat de school deze afspraak aangewezen achtte om de graduele heropstart van de lessen voor de leerling en zijn medeleerlingen zo vlot mogelijk te laten verlopen. De Geschillenkamer stelt daarnaast vast dat de school elke week over de leerling overlegde waardoor bijsturingen en aanpassingen in deze afspraken op korte termijn mogelijk waren.  

Redelijke aanpassingen worden steeds geboden in functie van de noden en mogelijkheden van de leerling op dat moment. Wanneer blijkt dat een voorgestelde aanpassing haar doel, namelijk gelijkwaardige deelname aan het onderwijs, voor de leerling niet kan bereiken, moet de school bijsturen. Wanneer de situatie van een leerling relevant verandert, moeten ook de geboden aanpassingen mee evolueren. In deze situatie is er echter niet de mogelijkheid geweest om een dergelijk proces te doorlopen. Na de eerste online les op 28 april 2025 heeft de moeder van de leerling aangegeven dat hij geen les meer kon volgen. Kort nadien ontving de school een afwezigheidsattest tot het einde van het schooljaar. De Geschillenkamer stelt vast dat er in deze specifieke omstandigheden geen ruimte was om na te gaan of de afspraken over vragen en interactie al dan niet moesten worden bijgestuurd.  De Geschillenkamer kan dan ook niet vaststellen dat de school onvoldoende heeft gedaan om de leerling een redelijke aanpassing te bieden om de lessen te hervatten.  

De indiener van de klacht stelde daarnaast dat de klastitularis zich tijdens de eerste online les zo opstelde dat het zijn zoon wel moest ontmoedigen om verder online deel te nemen. Hij beroept zich daarvoor op zijn eigen verklaring. Aangezien de school deze elementen van zijn verklaring betwist, kan deze enkele verklaring niet volstaan. De indiener van de klacht reikt geen verdere bewijselementen aan die zijn verklaring aannemelijk kunnen maken. 

Over de mogelijkheid van TOAH stelt de Geschillenkamer vast dat niet aannemelijk is gemaakt dat TOAH eind april 2025 een redelijke aanpassing had gevormd voor de leerling of dat de school toen TOAH had moeten voorstellen. Volgens de school gaven de ergotherapeute en de moeder van de leerling online onderwijs als geschikt voor zijn noden aan. De ergotherapeute en de ouders van de leerling hebben niet aangegeven dat onderwijs aan huis voor hem een mogelijkheid was. Het voorstel dat beide ouders op 1 april 2025 ondersteunden, ging ook over klassikaal online onderwijs en geen één-op-één onderwijs aan huis. Na de eerste online les was de mogelijkheid van TOAH ook uitgesloten doordat de school van de moeder van de leerling vernam dat hij geen les meer kon volgen, ook niet op afstand.

Oordeel van de Geschillenkamer

Om die redenen oordeelt de Geschillenkamer dat er geen weigering van redelijke aanpassingen in de zin van het Gelijkekansendecreet kan worden vastgesteld.

Voetnoten
  1. Artikel 13, §5 VMRI-decreet. 
  2. Artikel 13, §4 VMRI-decreet. 
  3. Zie Algemene opmerking nr. 4 (2016) over het recht op inclusief onderwijs van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 30; Europees Hof voor de Rechten van de Mens 23 februari 2016, nr. 51500/08, Çam t. Turkije, § 66. 
  4. Artikel 19 Gelijkekansendecreet
  5. Artikel 36, §1 Gelijkekansendecreet
  6. Zie o.m. Parl. St. Vlaanderen, 2023-2024, nr. 1937/1, p. 39 & 71-73. Algemene opmerking nr. 4 (2016) over het recht op inclusief onderwijs van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 30; Algemene opmerking nr. 6 (2018) over gelijkheid en non-discriminatie van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 24 en 26.  Europees Hof voor de Rechten van de Mens 23 februari 2016, nr. 51500/08, Çam t. Turkije, § 68-69 en 30 januari 2018 nr. 23065/12, Enver Şahin t. Turkije § 69-72. 

Download het oordeel

Ook interessant