Overslaan en naar de inhoud gaan

Weigering van toegang tot beroepsopleiding is indirecte discriminatie op grond van nationaliteit

info

Samenvatting oordeel

Situatie 

De indienster van de klacht heeft de Franse nationaliteit en woont in Vilvoorde. Ze vroeg als werkzoekende toestemming aan VDAB om een Franstalige opleiding tot kinderbegeleider te volgen in Brussel. Ze wilde zo snel mogelijk terug aan het werk en zou samen met het volgen van de beroepsopleiding haar Nederlands verbeteren. Het is in principe mogelijk voor klanten van VDAB om een beroepsopleiding te volgen in een ander gewest. VDAB gaf in dit geval echter geen toestemming en besloot dat de indienster van de klacht een Nederlandstalig traject van VDAB moest doorlopen om kinderbegeleider te kunnen worden. VDAB gaf aan dat dit het traject is dat alle klanten met hetzelfde profiel moeten volgen, namelijk Franstalige personen die kinderbegeleider willen worden en die wonen in Vlaanderen.

Beoordeling door de Geschillenkamer

De Geschillenkamer is niet bevoegd om een beweerde discriminatie op grond van taal te onderzoeken. Het VMRI-decreet sluit deze bevoegdheid uitdrukkelijk uit. De Geschillenkamer kan de klacht dan ook niet beoordelen voor wat betreft het beschermde kenmerk taal, zoals opgeworpen door de indienster van de klacht. De Geschillenkamer onderzoekt de klacht dus alleen als een beweerde indirecte discriminatie op grond van nationaliteit bij de toegang tot een beroepsopleiding.

De Geschillenkamer stelt vast dat VDAB algemene en neutraal geformuleerde criteria heeft toegepast op de aanvraag van de indienster van de klacht. Deze criteria zijn gericht op het kortste traject naar de arbeidsmarkt en de verwachte tewerkstellingskansen.

De indienster van de klacht maakt aannemelijk dat deze neutrale praktijk haar als persoon met een andere nationaliteit, die vanuit het buitenland naar België is verhuisd, kan benadelen in vergelijking met (onder meer) Franstalige Belgen. Zij heeft immers een beperktere voorkennis van het Nederlands dan Franstalige en Duitstalige Belgen.

De praktijk van VDAB heeft tot doel om de snelste en zekerste weg naar werk te ondersteunen en met beperkte overheidsmiddelen zoveel mogelijk werkzoekenden een beroepsopleiding te laten volgen. Dit zijn legitieme doelen. De criteria die VDAB heeft toegepast op de aanvraag van de indienster van de klacht zijn ook passend om deze doelen te bereiken.

Voor de Geschillenkamer heeft VDAB echter niet aangetoond dat strikte toepassing van de criteria in dit concrete geval ook noodzakelijk was om haar doelen te bereiken. VDAB heeft met name onvoldoende getoetst welke impact de weigering van toegang tot de beroepsopleiding zou hebben op de indienster van de klacht. VDAB stelt dat haar kans op tewerkstelling in Brussel na het volgen van de Franstalige opleiding klein zou zijn omwille van subsidiemaatregelen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. VDAB brengt echter geen bewijsstukken aan op dit punt. Uit het dossier blijkt in ieder geval dat de indienster van de klacht ook in Vlaanderen wil werken en bereid is om Nederlands te leren, samen met het volgen van de beroepsopleiding van haar voorkeur. Om die reden is het traject dat zij wilde volgen ook niet langer dan het traject dat VDAB heeft voorgesteld. De Geschillenkamer stelt verder vast dat VDAB niet heeft nagegaan of de aanleg voor taal van de indienster van de klacht, waarnaar VDAB uitdrukkelijk verwijst, haar in staat zou hebben gesteld om op eigen initiatief Nederlands te leren.

In haar standpunt vermeldde de indienster van de klacht ook nadelige maatregelen (represailles) die zouden zijn genomen nadat zij een discriminatieklacht had ingediend tegen VDAB. Tijdens de zitting kan de indienster van de klacht echter geen represailles benoemen. Uit het dossier blijkt ook dat zij via VDAB lessen Nederlands volgt en volop bezig is aan een vooropleiding. De Geschillenkamer stelt dan ook vast dat er geen sprake is van represailles.

Oordeel

Om die redenen oordeelt de Geschillenkamer dat:  

  • er sprake is van indirecte discriminatie op grond van nationaliteit overeenkomstig het Gelijkekansendecreet; 
  • er geen sprake is van represailles overeenkomstig het Gelijkekansendecreet. 

Aanbevelingen van de Geschillenkamer 

Om de vastgestelde discriminatie te beëindigen, beveelt de Geschillenkamer VDAB aan: 

  • als individuele maatregel: in overleg met de indienster van de klacht nagaan welke beroepsopleiding in de huidige omstandigheden haar de beste kans zou geven om opnieuw toegang te krijgen tot de arbeidsmarkt;
  • als structurele maatregel: meer ruimte laten om specifieke omstandigheden die verband houden met de beschermde kenmerken in het Gelijkekansendecreet, met uitzondering van taal, in rekening te brengen bij het beoordelen van aanvragen om een beroepsopleiding in een ander gewest te volgen. 

Volledig oordeel

De Geschillenkamer, samengesteld uit voorzitter Stijn Smet, bijzitter Line Hellemans en bijzitter Koen Lemmens, en bijgestaan door griffier Dorien Geeroms, spreekt het volgende oordeel uit:

Procedure

De Geschillenkamer heeft de klacht ontvangen op 21 november 2025.

De fase van het uitwisselen van standpunten en overtuigingsstukken werd afgerond op 17 februari 2026. 

De Geschillenkamer ontving volgende stukken: 

  • het standpunt van de verweerster van 6 januari 2026
  • het antwoord van de indienster van de klacht van 18 januari 2026
  • het antwoord van de verweerster van 17 februari 2026 

De Geschillenkamer behandelde de zaak tijdens een hoorzitting op 1 april 2026. De indienster van de klacht nam online deel en kreeg bijstand van een tolk Frans. De verweerster werd vertegenwoordigd door drie personeelsleden. 

Feiten

De indienster van de klacht heeft de Franse nationaliteit en woont in Vilvoorde. Ze vroeg als werkzoekende toestemming aan VDAB, de verweerster, om een Franstalige opleiding tot kinderbegeleider te volgen in Brussel. Daarbij gaf ze aan dat het haar prioriteit was om zo snel mogelijk terug aan het werk te gaan. Omdat ze het Nederlands onvoldoende machtig was, wilde ze een Franstalige opleiding volgen en ondertussen haar Nederlands verbeteren. 

Het is in principe mogelijk voor klanten van VDAB om een beroepsopleiding te volgen in een ander gewest. Deze zogenaamde interregionale mobiliteit wordt mogelijk gemaakt door een samenwerkingsakkoord tussen de gewesten en gemeenschappen[1] en een kaderovereenkomst tussen de diensten voor arbeidsbemiddeling van de verschillende gewesten. 

VDAB gaf geen toestemming aan de indienster van de klacht om de Franstalige opleiding tot kinderbegeleider in Brussel te volgen en besloot dat zij een traject van VDAB in Vlaanderen moest doorlopen om kinderbegeleider te kunnen worden. VDAB legde haar uit dat dit het traject is dat alle VDAB-klanten met haar profiel moeten volgen, namelijk Franstalige personen die kinderbegeleider willen worden en die wonen in Vlaanderen.

Standpunten partijen

Standpunt indienster klacht

De indienster van de klacht voert aan dat er sprake is van indirecte discriminatie op grond van nationaliteit, taal en afkomst bij arbeidsbemiddeling en bij toegang tot een beroepsopleiding. Ze stelt dat de door VDAB toegepaste regels wel als neutraal worden voorgesteld, maar in de praktijk een bijzonder nadelig effect hebben op Franstalige personen die in het Vlaamse Gewest wonen, vooral op Franstalige buitenlandse onderdanen. Voor deze benadeling bestaat volgens haar geen proportionele rechtvaardiging.

De indienster van de klacht licht toe dat ze vanuit Frankrijk naar België is verhuisd, negen jaar in Brussel heeft gewerkt en zich na haar ontslag bij VDAB heeft ingeschreven als werkzoekende. Vanaf het begin heeft ze een project geformuleerd, namelijk kinderbegeleider worden. Ze heeft ook duidelijk gemaakt dat ze volledig bereid is om Nederlands te leren, omdat ze begrijpt hoe belangrijk deze taal is in Vlaanderen. 

Ze heeft aan de VDAB gevraagd om de opleiding kinderbegeleider in het Frans te kunnen volgen, omdat ze zo sneller een diploma zou kunnen behalen terwijl ze verder Nederlands zou leren. Ze benadrukt dat de Franstalige opleiding erkend is in Vlaanderen en leidt tot een diploma dat gelijkwaardig is aan het diploma dat in het Nederlands wordt behaald. 

VDAB heeft haar niettemin verplicht om een langdurig traject in het Nederlands te volgen. Zij betwist dat dit traject korter zou zijn dan het traject dat zij wilde volgen, zoals VDAB beweert. Bovendien is het traject dat zij van VDAB moet volgen niet aangepast aan haar taalniveau. Dit heeft haar kansen op een snelle re-integratie op de arbeidsmarkt in gevaar gebracht, terwijl er in Brussel een toegankelijke oplossing bestaat.

Ze geeft verder aan dat VDAB haar traject plots heeft gewijzigd in functie van federale maatregelen over de beperking van werkloosheidsuitkeringen in de tijd. Zij had zelf al aan VDAB gezegd dat ze zich zorgen maakte over deze nieuwe maatregelen, waardoor er een reëel risico bestond dat zij zonder inkomen zou vallen. Eerst stelde VDAB dat het hiermee geen rekening kon houden omdat de nieuwe federale wetgeving nog niet van kracht was. Zodra dat wel het geval was, heeft VDAB plots besloten dat zij geen lang traject meer mocht volgen, maar meteen moest overgaan naar de volgende stap. Hierdoor moest zij onmiddellijk een selectiegesprek doen voor de vooropleiding (VOSPA) en voor de Nederlandstalige opleiding kinderbegeleider. Op dat ogenblik, begin juli 2025, had zij nog maar net het niveau 1.2 Nederlands bereikt. Dit bleek onvoldoende tijdens het selectiegesprek, dat zeer slecht verliep. De persoon die het gesprek deed was begripvol en legde haar uit dat het minimumniveau voor het selectiegesprek 2.2 is. De indienster van de klacht geeft aan dat ze de verplichting door VDAB om deel te nemen aan het selectiegesprek als vernederend heeft ervaren. Ze heeft de indruk dat ze in een voorgeprogrammeerde mislukking werd geplaatst, zonder rekening te houden met haar werkelijke capaciteiten of noden. 

Ze stelt tot slot dat een personeelslid van VDAB haar heeft gezegd dat haar discriminatieklacht bij het Vlaams Mensenrechteninstituut haar “geen enkel voordeel” zou opleveren. Die opmerking voelde voor haar ontmoedigend en bijna bestraffend aan.

Standpunt verweerster

De verweerster voert aan dat er geen sprake is van discriminatie, aangezien zij de indienster van de klacht op dezelfde manier heeft behandeld als elke andere werkzoekende in een vergelijkbare situatie. 

VDAB stelt dat haar beleid erop is gericht elke werkzoekende te begeleiden die zich bij haar inschrijft, ongeacht nationaliteit. Bij het nemen van beslissingen over beroepsopleidingen houdt VDAB onder meer rekening met de arbeidsmarktvereisten en arbeidsmarktbehoeften, om zo de snelste en zekerste weg naar werk te ondersteunen. Dit geldt ook als een werkzoekende vraagt om een opleiding te volgen in een ander gewest, zoals de indienster van de klacht heeft gedaan. De beroepsopleidingen worden bovendien gefinancierd met gemeenschapsgelden. Omdat de beschikbare middelen beperkt zijn, moet VDAB ze doelgericht gebruiken om zoveel mogelijk werkzoekenden die nood hebben aan een opleiding de mogelijkheid te geven er één te volgen.

VDAB heeft in dit geval geen toestemming gegeven om een Franstalige opleiding kinderbegeleider te volgen in Brussel. Deze weigering houdt geen verband met de nationaliteit van de indienster van de klacht, maar is ingegeven door de regelgeving in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn er namelijk twee subsidiemaatregelen die een grote impact hebben op Franstalige klanten van de VDAB die kinderbegeleider willen worden en die in Vlaanderen wonen, zoals de indienster van de klacht. Om in aanmerking te komen voor deze subsidiemaatregelen moet de kandidaat-werknemer gedomicilieerd zijn in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. In het merendeel van de vacatures voor Franstalige kinderbegeleider in Brussel wordt bovendien gevraagd dat kandidaten voldoen aan de voorwaarden van minstens één van deze subsidiemaatregelen. Daarom kan VDAB Franstalige klanten die wel het Franstalige diploma van kinderbegeleider hebben maar in Vlaanderen wonen, niet in Brussel tewerkstellen. Zij worden dan ook langdurig werkzoekend als ze onvoldoende kennis van het Nederlands hebben.

VDAB benadrukt dat zij wel tegemoet wilde komen aan de wens van de indienster van de klacht om een opleiding tot kinderbegeleider te volgen. Voor klanten in haar situatie heeft de VDAB interne richtlijnen. Voor de indienster van de klacht volgde hieruit het volgende traject: 

  • Starten met lessen Nederlands 1.1 en 1.2 via een Centrum voor Volwassenenonderwijs (CVO), gedurende ongeveer één semester.
  • De vooropleiding Social Profit Anderstaligen (VOSPA) volgen, gedurende één semester. Deze opleiding wordt aangeboden in Vilvoorde en in Halle.
  • De opleiding tot kinderbegeleider volgen via een CVO, gedurende twee semesters. 

VDAB benadrukt dat het traject dat de indienster van de klacht zelf had voorgesteld langer zou duren. De Franstalige opleiding kinderbegeleider duurt vier semesters. De indienster van de klacht zou daarnaast ook de opleiding Nederlands tot niveau 2.4 moeten doorlopen, wat minstens twee semesters zou duren. Het gehele traject dat zij voorstelde zou dus minstens een jaar langer duren dan het traject met een Nederlandstalige opleiding. Het zou dan ook niet het kortste traject naar de arbeidsmarkt zijn.

Beoordeling door de Geschillenkamer 

De Geschillenkamer moet in deze zaak beoordelen of er sprake is van indirecte discriminatie op grond van nationaliteit (I) en van represailles (II). 

I. Indirecte discriminatie op grond van nationaliteit 

VDAB en de indienster van de klacht zijn het erover eens dat twee elementen nodig zijn opdat de indienster van de klacht terug aan het werk kan gaan:

  • een beroepsopleiding volgen voor omscholing tot kinderbegeleider; en
  • als zij met het behaalde certificaat in Vlaanderen werk wil vinden, voldoende kennis van het Nederlands opdoen.

De klacht gaat over het eerste element: toegang tot de beroepsopleiding. 

De indienster van de klacht stelt dat hierbij sprake is van indirecte discriminatie op grond van taal, afkomst en nationaliteit. 

De Geschillenkamer is niet bevoegd om een beweerde discriminatie op grond van taal te onderzoeken. Het VMRI-decreet bepaalt uitdrukkelijk dat de Geschillenkamer bevoegd is om te beoordelen of er sprake is van een discriminatie als vermeld in het Gelijkekansendecreet, “met uitzondering van een discriminatie op grond van taal”.[2] De Geschillenkamer kan de klacht dan ook niet beoordelen voor wat betreft het beschermde kenmerk taal. 

De Geschillenkamer onderzoekt de klacht verder als een beweerde indirecte discriminatie op grond van nationaliteit bij de toegang tot een beroepsopleiding. De Geschillenkamer acht nationaliteit het relevante beschermde kenmerk in deze zaak en laat het beschermd kenmerk afkomst verder buiten beschouwing. 

Op beweerde discriminatie in de toegang tot een beroepsopleiding op grond van nationaliteit is het Decreet evenredige participatie op de arbeidsmarkt niet van toepassing.[3] De Geschillenkamer onderzoekt de klacht dan ook alleen onder het Gelijkekansendecreet.[4]

A. Algemene beginselen 

Een indirecte discriminatie op grond van nationaliteit vindt plaats wanneer: 

  • een op het eerste gezicht neutrale praktijk;
  • personen op grond van hun nationaliteit in vergelijking met andere personen kan benadelen;
  • tenzij die praktijk objectief wordt gerechtvaardigd. Dit is het geval wanneer de praktijk een legitiem doel nastreeft en de middelen om dit doel te bereiken passend en noodzakelijk zijn.[5] Als aan die voorwaarden is voldaan, moet ten slotte een afweging worden gemaakt tussen het nadeel voor personen met een of meer beschermde kenmerken en het belang van het nagestreefde doel (evenredigheid in de strikte zin).

Voor het vaststellen van een indirecte benadeling hoeft niet te worden vastgesteld dat personen met een beschermd kenmerk in de praktijk benadeeld worden, maar volstaat het om vast te stellen dat de betrokken praktijk zo’n effect kan hebben.[6]

De indienster van de klacht voert aan dat:

  • VDAB heeft geweigerd om haar een Franstalige opleiding tot kinderbegeleider in Brussel te laten volgen, omdat de tewerkstellingskansen na deze opleiding beperkt zouden zijn voor personen die in Vlaanderen wonen en het leertraject langer zou duren dan een gelijkwaardige opleiding bij VDAB (op het eerste gezicht neutrale praktijk);
  • deze praktijk een bijzonder nadelig effect heeft op Franstalige buitenlandse personen, zoals zijzelf, die in het Vlaamse Gewest wonen (benadeling); en
  • hiervoor geen proportionele rechtvaardiging bestaat. 

VDAB stelt dat de weigering van de gevraagde beroepsopleiding geen verband hield met de nationaliteit van de indienster van de klacht, maar het gevolg was van het gebruik van algemene criteria die VDAB op dezelfde manier toepast op alle vergelijkbare aanvragen.

De Geschillenkamer onderzoekt in twee stappen of een discriminatie bewezen is. De eerste stap is vervuld als de indienster van de klacht feiten aanvoert die het bestaan van een discriminatie kunnen doen vermoeden. Als de indienster van de klacht een vermoeden van discriminatie aanvoert, moet de verweerster vervolgens (in de tweede stap) bewijzen dat er geen sprake is van een discriminatie. De verweerster kan dit doen door het vermoeden van discriminatie te weerleggen of door de benadelende praktijk te rechtvaardigen.[7]

B. Op het eerste gezicht neutrale praktijk

De Geschillenkamer stelt vast dat VDAB algemene en neutraal geformuleerde criteria heeft toegepast op de aanvraag van de indienster van de klacht. Tijdens de hoorzitting is gebleken dat het om twee criteria gaat: 

  • het kortste traject naar de arbeidsmarkt als VDAB zelf een gelijkwaardige opleiding aanbiedt; en
  • de verwachte tewerkstellingskansen na afloop van de gevolgde opleiding.

VDAB verklaart dat uit toepassing van deze criteria volgde dat de indienster van de klacht de gelijkwaardige opleiding tot kinderbegeleider bij VDAB moest volgen. Bij de weigering van toegang tot de gevraagde beroepsopleiding heeft VDAB dus een algemene en op het eerste gezicht neutrale praktijk toegepast op de concrete aanvraag van de indienster van de klacht.

C. Benadeling

De indienster van de klacht voert aan dat zij door deze praktijk wordt benadeeld. Ze stelt dat haar situatie verschilt van Franstalige Belgen die in de Vlaamse rand rond Brussel wonen aangezien deze groep van personen, in tegenstelling tot haar, al een zekere kennis van het Nederlands hebben. Zij is in Frankrijk geboren en had geen enkele kennis van het Nederlands toen zij naar België verhuisde. Ze heeft tot voor kort ook altijd in Brussel gewerkt, in het Frans. VDAB betwist deze feiten niet.

Voor de Geschillenkamer is het aannemelijk dat personen van een andere nationaliteit die vanuit het buitenland naar België verhuizen, over het algemeen een beperktere voorkennis van het Nederlands hebben dan Franstalige of Duitstalige Belgen. De indienster van de klacht heeft dan ook aannemelijk gemaakt dat de neutrale praktijk van VDAB haar als persoon met een andere nationaliteit kan benadelen in vergelijking met (onder meer) Franstalige Belgen.

De indienster van de klacht wijst verder ook op obstakels bij deelname aan een selectiegesprek voor de vooropleiding social profit voor anderstaligen. De Geschillenkamer beschikt echter over onvoldoende informatie om na te gaan wat er precies is gebeurd tijdens of in de aanloop naar dit selectiegesprek. Dit specifieke onderdeel van de klacht zou in ieder geval geen invloed hebben op de beoordeling van de kern van de klacht. De Geschillenkamer houdt er in het verdere verloop van de beoordeling dan ook geen rekening mee.

D. Rechtvaardiging

De hierboven vastgestelde benadeling maakt indirecte discriminatie uit tenzij VDAB kan aantonen dat de door haar toegepaste praktijk passend en noodzakelijk is om legitieme doelen te bereiken.

De Geschillenkamer stelt vast dat de praktijk van VDAB tot doel heeft om de snelste en zekerste weg naar werk te ondersteunen en met beperkte overheidsmiddelen zoveel mogelijk werkzoekenden een beroepsopleiding te laten volgen. Dit zijn legitieme doelen.

De criteria die VDAB toepast op aanvragen om een beroepsopleiding in een ander gewest te volgen, zoals de aanvraag van de indienster van de klacht, zijn passend om deze doelen te bereiken. VDAB heeft voor de Geschillenkamer aangetoond dat haar praktijk kan bijdragen aan het verhogen van de tewerkstellingskansen en aan een efficiënt gebruik van beperkte middelen. 

Voor de Geschillenkamer heeft VDAB echter niet aangetoond dat de manier waarop de praktijk is toegepast op de concrete aanvraag van de indienster van de klacht ook noodzakelijk was om deze legitieme doelen te bereiken. 

De Geschillenkamer erkent het belang van een beleid dat erop is gericht om zoveel mogelijk werkzoekenden terug aan het werk te brengen en efficiënt om te springen met overheidsmiddelen. De Geschillenkamer stelt echter vast dat VDAB haar beleid op rigide wijze heeft toegepast op de aanvraag van de indienster van de klacht, zonder afdoende rekening te houden met de benadeling op grond van nationaliteit die hieruit volgde, hoewel de indienster van de klacht VDAB hierop uitdrukkelijk had gewezen. 

Tijdens de hoorzitting stelde VDAB dat de bemiddelaar die de aanvraag van de indienster van de klacht beoordeelde verplicht was om vaststaande criteria te volgen en dus ook verplicht was om de aanvraag te weigeren. VDAB verklaarde ook dat het volgen van een beroepsopleiding een mogelijkheid is en geen recht. VDAB bracht verder aan dat iedereen een beroepsopleiding mag volgen, maar dat dit altijd gebeurt in een contract met VDAB en dat VDAB hier een zeg in heeft. Uit deze verklaringen blijkt dat VDAB haar beleid op rigide wijze heeft toegepast en onvoldoende ruimte heeft gelaten om te toetsen wat de impact van haar beslissing zou zijn in het licht van de specifieke omstandigheden van de indienster van de klacht.

Het beleid van VDAB vloeit volgens haar rechtstreeks voort uit een kaderovereenkomst tussen de verschillende diensten voor arbeidsbemiddeling over interregionale mobiliteit. Uit deze kaderovereenkomst, zoals neergelegd als bewijsstuk door VDAB, blijkt dat wanneer een dienst voor arbeidsbemiddeling een aanvraag van een werkzoekende ontvangt om een opleiding te volgen in een ander gewest, zij deze aanvraag beoordeelt aan de hand van een aantal criteria. In de kaderovereenkomst worden enkele niet-limitatieve voorbeelden van criteria gegeven, waaronder taalkennis, de motivatie van de werkzoekende en het toereikend karakter van de aangevraagde opleiding. De specifieke criteria die VDAB heeft toegepast op de aanvraag van de indienster van de klacht staan niet vermeld in de kaderovereenkomst. Uit het dossier blijkt dat VDAB de voorbeeldcriteria uit de kaderovereenkomst verder heeft vertaald in specifieke criteria opgenomen in interne richtlijnen. Vervolgens heeft VDAB deze specifieke criteria toegepast op de aanvraag van de indienster van de klacht. 

In haar verweer stelt VDAB over de toepassing van deze criteria dat de kans op tewerkstelling in Brussel na het volgen van de Franstalige opleiding klein zou zijn omwille van subsidiemaatregelen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Deze subsidiemaatregelen gelden enkel voor inwoners van dat gewest en dus niet voor de indienster van de klacht. VDAB stelt dat vacatures voor kinderbegeleider in Brussel als voorwaarde stellen dat minstens één van deze subsidiemaatregelen van toepassing is, waardoor de kans op tewerkstelling in Brussel voor de indienster van de klacht beperkt is. 

Voor de Geschillenkamer heeft geen van beide partijen bewijsstukken bijgebracht op dit punt. De Geschillenkamer kan dan ook enkel vaststellen dat tewerkstelling in Brussel niet uitgesloten is, nu VDAB aangeeft dat "het merendeel" van de vacatures een voorwaarde zou stellen waaraan de indienster van de klacht niet kan voldoen. De indienster van de klacht geeft ook aan dat ze een aantal vacatures in Brussel heeft gevonden die de subsidievoorwaarde niet stellen, maar dat zij hiervoor niet in aanmerking komt zolang zij de opleiding niet heeft voltooid. 

Uit het dossier blijkt in ieder geval dat de indienster van de klacht ook in Vlaanderen wil werken en volledig bereid is om Nederlands te leren, samen met het volgen van de Franstalige opleiding waarvoor ze een aanvraag had gedaan bij VDAB. VDAB erkent dat de Franstalige opleiding toegang geeft tot de arbeidsmarkt in Vlaanderen, aangezien het gaat om een erkend diploma van een gelijkwaardige opleiding.

VDAB stelt ook dat het traject dat de indienster van de klacht wilde volgen langer zou duren dan het modeltraject bij VDAB. Deze conclusie lijkt te zijn gebaseerd op een veronderstelling dat de indienster van de klacht eerst de Franstalige opleiding zou volgen en pas nadien zou starten met lessen Nederlands. Tijdens de hoorzitting heeft de indienster van de klacht echter bevestigd dat het haar intentie was om Nederlands te leren samen met het volgen van de Franstalige beroepsopleiding, bijvoorbeeld in avondschool. VDAB heeft voor de Geschillenkamer niet aangetoond dat de nodige vaardigheden om als kinderbegeleider te werken niet zouden kunnen worden aangeleerd door een Franstalige beroepsopleiding te combineren met lessen Nederlands.

VDAB verwijst tot slot naar taaltests die de indienster van de klacht heeft afgelegd en waaruit blijkt dat zij aanleg heeft voor het leren van nieuwe talen. Voor VDAB toont dit op objectieve wijze aan dat de indienster van de klacht het Nederlandstalige traject van VDAB kon volgen. Tijdens de hoorzitting is gebleken dat de indienster van de klacht effectief een deel van het traject bij VDAB heeft doorlopen. Zij heeft taalniveau 1.2 in het Nederlands bereikt en is bezig aan de vooropleiding social profit voor anderstaligen. Zij verklaart evenwel dat zij veel moeilijkheden ervaart om deze vooropleiding te volgen omwille van haar beperktere taalkennis in vergelijking met haar klasgenoten. De Geschillenkamer stelt in dat kader ook vast dat VDAB niet heeft nagegaan of haar aanleg voor taal de indienster van de klacht in staat zou hebben gesteld om op eigen initiatief Nederlands te leren, samen met de inhoudelijke opleiding tot kinderbegeleider die zij wilde volgen. 

In de bovenstaande omstandigheden stelt de Geschillenkamer vast dat VDAB onvoldoende heeft getoetst welke impact de beslissing over toegang tot de aangevraagde beroepsopleiding zou hebben op de indienster van de klacht, rekening houdend met haar specifieke omstandigheden. Voor de Geschillenkamer heeft VDAB dan ook niet aangetoond dat strikte toepassing van de criteria van VDAB op de concrete situatie van de indienster van de klacht noodzakelijk was om haar legitieme doelstellingen te bereiken. 

De weigering van toegang tot de gevraagde beroepsopleiding maakt om die redenen indirecte discriminatie op grond van nationaliteit uit. 

II. Represailles 

Het Gelijkekansendecreet verbiedt nadelige maatregelen of zogenaamde represailles tegen degene die, intern of extern, een discriminatie meldt of een discriminatieklacht indient. 

Represailles vinden plaats wanneer:  

  • door of in het voordeel van iemand een melding of klacht wordt gedaan over een beweerde discriminatie zoals verboden in het Gelijkekansendecreet;
  • en degene waartegen de klacht is gericht (‘de verweerder’) nadelige maatregelen treft tegen die persoon: 
  • behalve als deze nadelige maatregelen vreemd zijn aan (de inhoud van) de klacht of de melding.[8]

Het verbod op represailles betekent dus dat wie stappen onderneemt omdat die meent dat er sprake is van een discriminatie, daardoor geen nadeel mag ondervinden. Dat is zo ongeacht of de discriminatieklacht gegrond is, dus ook wanneer volgens een persoon sprake is van discriminatie maar uiteindelijk wordt vastgesteld dat dat niet het geval is. De vrees voor represailles kan immers ontmoedigend werken om een melding te doen of klacht in te dienen, en kan daarom de effectieve bescherming tegen discriminatie ernstig in gevaar brengen.[9]

In haar standpunt stelt de indienster van de klacht dat een personeelslid van VDAB haar heeft gezegd dat haar discriminatieklacht bij het Vlaams Mensenrechteninstituut haar “geen enkel voordeel” zou opleveren. Die opmerking voelde voor haar ontmoedigend en bijna bestraffend aan.

Tijdens de hoorzitting heeft de indienster van de klacht echter verduidelijkt dat ze geen enkele nadelige maatregel heeft ondervonden nadat het personeelslid van VDAB de betrokken opmerking had gemaakt. Uit het dossier blijkt ook dat zij via VDAB lessen Nederlands volgt en volop bezig is aan de vooropleiding social profit voor anderstaligen. De Geschillenkamer stelt dan ook vast dat er geen sprake is van represailles in deze zaak. 

Oordeel van de Geschillenkamer

Om die redenen oordeelt de Geschillenkamer dat: 

  • er sprake is van indirecte discriminatie op grond van nationaliteit overeenkomstig het Gelijkekansendecreet;
  • er geen sprake is van represailles overeenkomstig het Gelijkekansendecreet.

Aanbevelingen van de Geschillenkamer

Om de vastgestelde discriminatie te beëindigen, beveelt de Geschillenkamer VDAB aan:

  • als individuele maatregel: in overleg met de indienster van de klacht nagaan welke beroepsopleiding in de huidige omstandigheden haar de beste kans zou geven om opnieuw toegang te krijgen tot de arbeidsmarkt;
  • als structurele maatregel: meer ruimte laten om specifieke omstandigheden die verband houden met de beschermde kenmerken in het Gelijkekansendecreet, met uitzondering van taal, in rekening te brengen bij het beoordelen van aanvragen om een beroepsopleiding in een ander gewest te volgen.
Voetnoten
  1. Samenwerkingsakkoord van 24 februari 2005 tussen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, de Vlaamse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de interregionale mobiliteit van de werkzoekenden.
  2. Art. 14 VMRI-decreet.
  3. Art. 2, lid 1, 9° Decreet evenredige participatie op de arbeidsmarkt (“Voor de toepassing van dit decreet verstaat men onder […] indirecte discriminatie: wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een bepaald geslacht, een zogenaamd ras, een bepaalde etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, in vergelijking met andere personen bijzonder kan benadelen, tenzij die bepaling, maatstaf of handelswijze objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.”)
  4. Artikel 16 Gelijkekansendecreet, samen gelezen met artikel 20 Gelijkekansendecreet.
  5. Artikel 16, § 2, Gelijkekansendecreet.
  6. Zie bv. Hof van Justitie 23 mei 1996, C-237/94, John O’Flynn t. Adjudication Officer, § 20-21.
  7. Artikel 36, §1 Gelijkekansendecreet
  8. Artikel 37, §1 Gelijkekansendecreet
  9. Zie ook Hof van Justitie 22 september 1998, C-185/97, B.J. Coote t. Granada Hospitality Ltd., §24; Hof van Justitie 20 juni 2019, C-404/18, Jamina Hakelbracht e.a. t. WTG Retail BVBA, §33.  

Download het oordeel

Ook interessant