Arteveldehogeschool discrimineert door student van 41 jaar niet toe te laten tot een opleiding op basis van zijn leeftijd
- Je kan hieronder de samenvatting van het oordeel en het volledige oordeel lezen.
- Je kan het oordeel ook downloaden in pdf-formaat.
Samenvatting oordeel
Situatie
De indiener van de klacht is 41 jaar. Hij heeft de Turkse nationaliteit en woont in Turkije.
Op 5 juli 2025 stelde hij zich kandidaat voor het postgraduaat School of Branding aan de Arteveldehogeschool.
Zijn aanvraag werd in een eerste mail afgewezen omdat de opleiding zich vooral richt op jonge ontwerpers (21 – 24 jaar) en dat het leeftijdsverschil problemen zou opleveren voor de groepsdynamiek.
De hogeschool stelt dat de beslissing niet was gebaseerd op leeftijd, maar op het gegeven dat de indiener van de klacht niet voldeed aan het inhoudelijke instapniveau voor de opleiding. De verweerder erkent dat in communicatie met de indiener van de klacht naar leeftijd werd verwezen, maar stelt dat het gaat om ongelukkige communicatie die nadien werd rechtgezet en waarvoor de verweerder zich heeft verontschuldigd. Volgens de hogeschool was deze beslissing gebaseerd op de kwaliteit van het portfolio dat de indiener had overgezonden.
Beoordeling door de Geschillenkamer
De Geschillenkamer stelt in deze zaak vast dat de indiener van de klacht aannemelijk maakt dat de weigering gegrond is op zijn leeftijd. De e-mail-communicatie tussen de indiener van de klacht en de verantwoordelijke docent geeft dit aan.
Hierdoor staat voor de Geschillenkamer het vermoeden van discriminatie op basis van leeftijd vast. Er moet nu nagegaan worden of de hogeschool dit vermoeden heeft weerlegd door aan te tonen dat er geen oorzakelijk verband was tussen de beslissing en de leeftijd van de indiener. De hogeschool stelt dat er sprake is van ongelukkige communicatie door de docent, dat deze communicatie nadien werd rechtgezet en dat de hogeschool zich hiervoor ook heeft verontschuldigd. Maar op basis van het schriftelijk dossier heeft de hogeschool niet het nodige bewijs aangeleverd om het vermoeden van directe discriminatie te weerleggen. Ter zitting erkent de hogeschool dat ze geen documenten heeft waaruit blijkt dat de beslissing uitsluitend gebaseerd is op het portfolio.
Oordeel
De Geschillenkamer oordeelt dat er sprake is van een ongerechtvaardigde weigering van toelating tot de opleiding en dus van discriminatie op grond van leeftijd overeenkomstig het Gelijkekansendecreet.
Aanbevelingen van de Geschillenkamer
De Geschillenkamer beveelt aan om in de toekomst discriminaties te vermijden door:
- de communicatie structureel transparant te maken;
- geen studenten te weigeren op basis van hun leeftijd, tenzij hier gegronde redenen voor zouden bestaan;
- in geval van afwijzing helder aan te geven wat de gebruikte criteria zijn en waarom niet werd voldaan aan een of meerdere van de inschrijvingscriteria.
Volledig oordeel
De Geschillenkamer, samengesteld uit voorzitter Koen Lemmens, bijzitter Eva Brems en bijzitter Jelle Flo, en bijgestaan door griffier Dorien Geeroms, spreekt het volgende oordeel uit:
Procedure
De Geschillenkamer heeft de klacht ontvangen op 9 januari 2026.
De fase van het uitwisselen van standpunten en overtuigingsstukken werd afgerond op 13 februari 2026.
De indiener van de klacht verzocht om een versnelde procedure zoals voorzien in artikel 34 Procedurebesluit. De Geschillenkamer heeft dit verzoek ingewilligd en stelde verkorte termijnen vast.
De Geschillenkamer ontving volgende stukken:
- het standpunt van de verweerder van 9 januari 2026
- het antwoord van de indiener van de klacht van 9 februari 2026
- het antwoord van de verweerder van 13 februari 2026.
De Geschillenkamer behandelde de zaak tijdens een hoorzitting op 25 maart 2026. De indiener nam online deel en kreeg bijstand van een tolk Turks. Verweerder werd vertegenwoordigd door enkele personeelsleden.
Feiten
De indiener van de klacht is 41 jaar. Hij heeft de Turkse nationaliteit en woont in Turkije.
Op 5 juli 2025 stelde hij zich kandidaat voor het postgraduaat School of Branding aan de Arteveldehogeschool.
Op 19 augustus 2025 liet de verantwoordelijke docent hem via e-mail weten dat hij niet werd geselecteerd voor de opleiding. De docent verwees daarbij naar het gegeven dat de School of Branding een intensief programma is voor recent afgestudeerden in visueel ontwerp, die doorgaans een leeftijd hebben van 21 tot 24 jaar (deze leeftijden staan tussen haakjes in de e-mail), met een sterke focus op zeer ontwikkelde ontwerpportfolio’s in dat stadium van hun carrière. Hij verwees ook naar het leeftijdsverschil, dat het moeilijker zou maken voor de indiener van de klacht om in de groepsdynamiek te passen als belangrijk onderdeel van de ervaring.
In een e-mail van dezelfde dag uitte de indiener van de klacht zijn teleurstelling in het feit dat de beslissing over zijn kandidatuur uitsluitend was gebaseerd op zijn leeftijd. In een e-mail van 20 augustus 2025 stelde de docent dat de beslissing niet alleen op leeftijd was gebaseerd en gaf hij aan dat hij misschien niet voldoende duidelijk was geweest in zijn eerdere e-mail. Hij verduidelijkte vervolgens dat de hoofdreden voor de niet-selectie de kwaliteit van het portfolio was dat de indiener van de klacht had ingediend als onderdeel van de aanvraagprocedure.
In een e-mail van 1 september 2025 stelde ook de opleidingsverantwoordelijke dat het portfolio het beslissend element was geweest in de beoordeling van de aanvraag. De opleidingsverantwoordelijke erkende daarbij dat de formulering in de eerdere communicatie vanuit de hogeschool de nadruk had gelegd op leeftijd. Zij verontschuldigde zich hiervoor en gaf aan dat ze het persoonlijk zou opnemen met de verantwoordelijke docent.
Standpunten partijen
Standpunt indiener klacht
De indiener van de klacht voert aan dat hij werd gediscrimineerd bij de toelating tot de opleiding School of Branding aan de Arteveldehogeschool. Hij stelt dat er minstens sprake is van indirecte discriminatie op grond van leeftijd, aangezien de hogeschool uitdrukkelijk naar zijn leeftijd heeft verwezen als reden voor zijn uitsluiting van de opleiding.
Hij benadrukt dat hij de nodige academische en professionele kwalificaties heeft voor de opleiding. Hij heeft drie relevante masterdiploma's, runt zijn eigen bedrijf en is actief betrokken bij merkmanagement, onder meer in samenwerking met bedrijven in België. Hij heeft zich in juli 2025 aangemeld voor de opleiding en heeft daarbij alle vereiste documenten ingediend, waaronder zijn CV, portfolio en motivatiebrief. Zijn leeftijd stond duidelijk vermeld in zijn sollicitatie en cv. Niettemin werd hij pas half augustus, na herhaaldelijk navragen, ingelicht dat zijn aanvraag was afgewezen. De hogeschool gaf daarbij als reden dat de opleiding bedoeld is voor pas afgestudeerden “meestal tussen 21 en 24 jaar oud” en dat zijn leeftijd het moeilijk zou maken om in de groepsdynamiek te passen.
Deze reden was voor hem buitengewoon ontmoedigend. Hij heeft nadien van alumni ook vernomen dat in het verleden een 31-jarige internationale freelancer tot dezelfde opleiding is toegelaten. Dit maakt de beslissing om zijn kandidatuur te weigeren inconsistent en discriminerend.
Hij betwist de bewering van de hogeschool dat de weigering van zijn kandidatuur uitsluitend was gebaseerd op de inhoudelijke beoordeling van het portfolio dat hij moest indienen als onderdeel van de toelatingsprocedure. Uit schriftelijke communicatie tussen hemzelf en de hogeschool blijkt dat deze voorstelling van de feiten niet klopt. De beoordeling van zijn portfolio werd immers pas naar voren geschoven nadat hij verschillende vragen had gesteld over de leeftijdsgebonden motivering die hij eerst had ontvangen. De oorspronkelijke motivering was wel degelijk gebaseerd op zijn leeftijd en werd pas nadien aangevuld of gewijzigd.
Hij stelt dat de weigering van zijn kandidatuur hem emotionele en praktische schade heeft berokkend. Hij was al bezig met de voorbereiding van zijn verhuis naar België toen hij plots werd uitgesloten op basis van zijn leeftijd. Hij wil een eerlijke oplossing bekomen, zoals een garantie dat hij zonder extra kosten alsnog wordt toegelaten tot de opleiding.
Standpunt verweerder
De hogeschool voert aan dat er geen discriminatie op basis van leeftijd heeft plaatsgevonden. De beslissing van de hogeschool was namelijk niet gebaseerd op de leeftijd van de indiener van de klacht, maar op het inhoudelijke instapniveau dat noodzakelijk is voor de opleiding.
De hogeschool erkent de verwijzing naar leeftijd in de initiële communicatie, maar stelt dat dit een ongelukkige formulering was die aanleiding kon geven tot misinterpretatie. Een dergelijke communicatiefout betekent ook niet dat er sprake is van discriminatie. De hogeschool heeft de communicatie rechtgezet door aan de indiener van de klacht te verduidelijken dat de afwijzing van zijn kandidatuur uitsluitend was gebaseerd op het portfolio dat hij had ingediend en op het niveau van zijn visuele ontwerpvaardigheden.
De beoordeling van kandidaturen voor de betrokken opleiding gebeurt op basis van legitieme, inhoudelijke en objectieve toelatingscriteria: een portfolio, de motivatie en het inzicht in de wereld van branding. Toelating gebeurt altijd individueel en op basis van inhoudelijke geschiktheid: kandidaten moeten een solide basis hebben in visueel design. Dit is een minimale toelatingsvoorwaarde voor het programma en sluit aan bij de focus op het aantrekken van getalenteerde en capabele ontwerpers. Kandidaten van verschillende leeftijden worden toegelaten als ze voldoen aan het vereiste designniveau. Het portfolio is daarbij het centrale beoordelingsinstrument. Dit wordt duidelijk aangegeven in de aanmeldingsdocumenten en werd ook expliciet vermeld door de verantwoordelijke docent in individuele communicatie met de indiener van de klacht.
De hogeschool benadrukt ook dat leeftijd geen deel uitmaakt van de formele of informele toelatingscriteria voor de opleiding. De beslissing om de indiener van de klacht niet toe te laten tot de opleiding was leeftijdsneutraal. Deze beslissing was gebaseerd op de kwaliteit van het portfolio dat hij had ingediend. Bij de beoordeling van dit portfolio stelden de verantwoordelijke docenten vast dat het niet voldeed aan de toelatingsvoorwaarden van het postgraduaat. Het portfolio sloot onvoldoende aan bij het instapniveau dat verwacht wordt voor de gevorderde opleiding. Bovendien had de indiener van de klacht de voorpagina van het portfolio niet zelf ontworpen, maar bestanden uit een stock databank gebruikt. Dit is niet toegelaten binnen de betrokken opleiding, omdat het in strijd is met de richtlijnen over originaliteit die de opleiding hanteert.
De hogeschool wijst er ook op dat de indiener van de klacht aan de verantwoordelijke docent had aangegeven dat hij geen professioneel designer is. Hij erkende daarbij dat de opleiding bedoeld is voor sterke designers, maar benadrukte dat de opleiding ook zeer waardevol zou zijn voor marketingprofessionals zoals hij die hun designvaardigheden willen versterken.
De hogeschool verduidelijkt verder dat de verantwoordelijke docent op 19 augustus 2025 aan de indiener van de klacht had meegedeeld dat de conclusie, na beoordeling van zijn motivatiebrief en portfolio, was dat de opleiding geen optimale match vormde. In dezelfde e-mail werd verwezen naar het gegeven dat de opleiding zich in de praktijk voornamelijk richt op recent afgestudeerde visuele ontwerpers in een vroege loopbaanfase (doorgaans tussen 21 en 24 jaar), met een nadruk op zeer sterk ontwikkelde designportfolio’s binnen die vroege loopbaanfase. De verantwoordelijke docent wees er ook op dat een verschil in loopbaanfase werd vastgesteld ten opzichte van de typische deelnemersgroep, wat volgens de docenten een belangrijke invloed kan hebben op de groepsdynamiek en de beoogde leerervaring. De hogeschool stelt dat deze verwijzingen sloegen op de loopbaanfase waarin de meeste kandidaten zich bevinden en benadrukt dat dit geen selectievoorwaarde vormt.
Nadat de indiener van de klacht vragen had gesteld over de vermelding van leeftijd in de communicatie, heeft de verantwoordelijke docent verduidelijkt dat het portfolio onvoldoende ontwerpkwaliteit en een eigen visuele signatuur vertoont om toelating tot de opleiding te verantwoorden. Op 1 september 2025 heeft de hogeschool de communicatie nog verder verduidelijkt, door te melden dat de afwijzing uitsluitend was gebaseerd op het portfolio en het aantoonbare niveau van visuele ontwerpvaardigheden. Daarbij heeft de hogeschool de eerdere verwijzing naar leeftijd erkend als ongelukkig geformuleerd en dit rechtgezet. De opleidingsverantwoordelijke heeft hiervoor ook haar verontschuldigingen aangeboden.
De hogeschool verzoekt dat zijn naam niet wordt vermeld in het oordeel van de Geschillenkamer. De hogeschool verwijst hierbij naar verschillende motieven:
- bescherming van de reputatie van individuele medewerkers die bij naam worden genoemd in het dossier;
- het ging om een eenmalig geval waarin de hogeschool de communicatie al heeft rechtgezet en al verbeteracties heeft genomen, waardoor publicatie van zijn naam in het oordeel onevenredige gevolgen zou hebben; en
- ook zonder vermelding van zijn naam blijft de transparantie verzekerd.
Beoordeling door de Geschillenkamer
I. Vooraf: te weren stukken
De Geschillenkamer ontvangt een klacht pas nadat een poging tot bemiddeling is doorlopen bij de afdeling Eerstelijnsdienst en Bemiddeling van het Vlaams Mensenrechteninstituut.[1] Omwille van de vertrouwelijkheid van de bemiddeling mag de Geschillenkamer niet geïnformeerd worden over wat er zich tijdens de bemiddeling heeft afgespeeld.[2]
De Geschillenkamer beslist om een passage uit het standpunt van de verweerder die inhoudelijk over de bemiddelingspoging gaat (pagina 4 van het standpunt van de verweerder), te weren. Dit wil zeggen dat de Geschillenkamer met deze passage geen rekening houdt bij haar beoordeling.
II. Verzoek tot anonimisering
De hogeschool verzoekt dat zijn naam niet wordt vermeld in het oordeel van de Geschillenkamer. De hogeschool verwijst hierbij naar verschillende motieven:
- bescherming van de reputatie van individuele medewerkers die bij naam worden genoemd in het dossier;
- het ging om een eenmalig geval waarin de hogeschool de communicatie al had rechtgezet en ook al verbeteracties heeft genomen, waardoor publicatie van zijn naam in het oordeel onevenredige gevolgen zou hebben; en
- ook zonder vermelding van zijn naam blijft de transparantie verzekerd.
Oordelen van de Geschillenkamer vermelden betrokken rechtspersonen bij naam, tenzij er gewichtige redenen zijn om dat niet te doen.[3]
De verweerder verzoekt om zijn naam niet te vermelden in het oordeel om de reputatie van individuele medewerkers te beschermen en omdat het om een eenmalig geval ging waarin de verweerder de betrokken communicatie al had rechtgezet. In die omstandigheden zou publicatie van zijn naam volgens de verweerder onevenredige gevolgen hebben.
De decreetgever heeft bepaald dat de Geschillenkamer haar oordelen steeds publiek bekendmaakt en dat de anonimisering van betrokken rechtspersonen daarbij slechts uitzonderlijk kan gebeuren.[4] De verweerder toont niet aan dat vermelding van zijn naam in het oordeel onevenredige gevolgen zou hebben. De verweerder verduidelijk met name niet waaruit die onevenredige gevolgen zouden bestaan. De reputatie van individuele medewerkers van de verweerder wordt beschermd doordat namen van natuurlijke personen in ieder geval niet worden vermeld in oordelen van de Geschillenkamer. De Geschillenkamer wijst het verzoek om anonimisering af vanwege een gebrek aan gewichtige redenen.
II. Directe discriminatie op grond van leeftijd
A. Algemene beginselen
De Geschillenkamer moet in deze zaak beoordelen of er sprake is van directe discriminatie op grond van leeftijd.
Een directe discriminatie op grond van leeftijd vindt plaats wanneer:
- iemand minder gunstig wordt behandeld dan iemand anders in een vergelijkbare situatie;
- op grond van leeftijd (oorzakelijk verband);
- tenzij die ongunstige behandeling objectief wordt gerechtvaardigd. Dit is het geval wanneer de ongunstige behandeling een legitiem doel nastreeft en de middelen om dit doel te bereiken passend en noodzakelijk zijn.[5] Als aan die voorwaarden is voldaan, moet ten slotte een afweging worden gemaakt tussen het nadeel voor personen met een of meer beschermde kenmerken en het belang van het nagestreefde doel.
Voor de vaststelling van een discriminatie is een bewijs van opzet of enige andere specifieke drijfveer van de verweerder niet vereist.[6]
De Geschillenkamer onderzoekt in twee stappen of een discriminatie bewezen is. De eerste stap is vervuld als de indiener van de klacht feiten aanvoert die het bestaan van een discriminatie kunnen doen vermoeden. Als de indiener van de klacht een vermoeden van discriminatie aanvoert, moet de verweerder vervolgens (in de tweede stap) bewijzen dat er geen sprake is van een discriminatie. De verweerder kan dit doen door het vermoeden van discriminatie te weerleggen of door de minder gunstige behandeling te rechtvaardigen.[7]
B. Toepassing
In deze zaak voert de indiener van de klacht aan:
- dat de hogeschool hem niet heeft toegelaten tot de opleiding waarvoor hij zich had willen inschrijven (minder gunstige behandeling); en
- dat de beslissing van de hogeschool uitdrukkelijk was gebaseerd op leeftijd (oorzakelijk verband).
De verweerder stelt dat de beslissing niet was gebaseerd op leeftijd, maar op het gegeven dat de indiener van de klacht niet voldeed aan het inhoudelijke instapniveau voor de opleiding. De verweerder erkent dat in communicatie met de indiener van de klacht naar leeftijd werd verwezen, maar stelt dat het gaat om ongelukkige communicatie die nadien werd rechtgezet en waarvoor de verweerder zich heeft verontschuldigd.
De Geschillenkamer stelt in deze zaak vast dat de indiener van de klacht niet werd toegelaten tot de opleiding. Hij maakt, op basis van de communicatie, aannemelijk dat deze weigering gegrond is op zijn leeftijd. De e-mail-communicatie tussen de indiener van de klacht en de verantwoordelijke docent geeft dit aan.
De oorspronkelijke e-mail van de docent van 19 augustus 2025 verwijst bij de motivering van de beslissing tot niet-toelating uitdrukkelijk naar de leeftijd van de indiener van de klacht in dubbele zin: (1) onrechtstreeks door te vermelden dat de gemiddelde leeftijd van deelnemers aan de opleiding 21-24 jaar is (en dus lager dan de leeftijd van de indiener); en (2) rechtstreeks door te verwijzen naar een leeftijdsverschil (tussen indiener klacht en andere deelnemers) waardoor het moeilijker zou zijn voor hem om in te passen in de groepsdynamiek.
Ook de latere e-mail van de docent verwijst nog steeds naar leeftijd, door te stellen dat “the decision was not only based on your age”. De latere e-mail van de opleidingsverantwoordelijke verwijst niet naar leeftijd, maar laat ook in het midden of er naast de kwaliteit van het portfolio andere redenen waren (“So the decisive element in our evaluation was your portfolio.”).
Hierdoor staat voor de Geschillenkamer het vermoeden van discriminatie op basis van leeftijd vast. Er moet nu nagegaan worden of de hogeschool dit vermoeden heeft weerlegd door aan te tonen dat er geen oorzakelijk verband was tussen de beslissing en de leeftijd van de indiener. De hogeschool stelt dat er sprake is van ongelukkige communicatie door de docent, dat deze communicatie nadien werd rechtgezet en dat de hogeschool zich hiervoor ook heeft verontschuldigd. Maar op basis van het schriftelijk dossier heeft de hogeschool niet het nodige bewijs aangeleverd om het vermoeden van directe discriminatie te weerleggen. De hogeschool brengt enkel het volgende aan: de e-mailcommunicatie met de indiener, zijn portfolio en de algemene beoordelingscriteria voor het portfolio. De hogeschool brengt geen stukken aan (bijvoorbeeld interne e-mails of concrete beoordelingsformulieren) waaruit duidelijk blijkt dat de inhoudelijke beoordeling van de kandidatuur van de indiener van de klacht uitsluitend was gebaseerd op de kwaliteit van het portfolio, en dat het criterium leeftijd niet zou hebben gespeeld in de beoordeling.
Ter zitting erkent de hogeschool dat ze geen documenten heeft waaruit blijkt dat de beslissing uitsluitend gebaseerd is op het portfolio.
De hogeschool stelt verder wel nog in algemene termen dat leeftijd geen selectiecriterium is en benadrukt daarbij dat de indiener zelf verwijst naar een voorbeeld uit het verleden, waarbij een persoon van 31 jaar werd toegelaten tot de opleiding. Dat ene voorbeeld (van iemand die tien jaar jonger is dan de indiener van de klacht) volstaat echter niet om op die basis het aannemelijk gemaakte vermoeden van discriminatie te weerleggen in deze zaak.
Oordeel van de Geschillenkamer
Om die redenen oordeelt de Geschillenkamer dat er sprake is van een ongerechtvaardigde weigering van toelating tot de opleiding en dus van discriminatie op grond van leeftijd overeenkomstig het Gelijkekansendecreet.
Aanbevelingen van de Geschillenkamer
De Geschillenkamer vernam op de zitting dat de hogeschool zijn communicatie onder de loep neemt en voortaan transparanter wil zijn. De Geschillenkamer apprecieert deze demarche zeer en beveelt aan om in de toekomst discriminaties te vermijden door:
- de communicatie structureel transparant te maken;
- geen studenten te weigeren op basis van hun leeftijd, tenzij hier gegronde redenen voor zouden bestaan;
- in geval van afwijzing helder aan te geven wat de gebruikte criteria zijn en waarom niet werd voldaan aan een of meerdere van de inschrijvingscriteria.
Voetnoten
- Art. 13 §5 VMRI-decreet.
- Art. 13 §4 VMRI-decreet.
- Art. 16, §6, VMRI-Decreet.
- Art. 16, §6, VMRI-Decreet.
- Artikel 16, §1 Gelijkekansendecreet.
- Artikel 36, §4, Gelijkekansendecreet
- Artikel 36, §1 Gelijkekansendecreet.