Een school discrimineerde door een leerling met autisme niet mee te nemen op schoolreis; geen discriminatie vastgesteld voor andere elementen van de klacht
- Je kan hieronder de samenvatting van het oordeel en het volledige oordeel lezen.
- Je kan het oordeel ook downloaden in pdf-formaat.
Samenvatting oordeel
Situatie
Een vrouw dient klacht in als wettelijk vertegenwoordigster van haar minderjarige zoon, een jongen met autisme. Ze dient klacht in tegen de basisschool waar hij van maart 2022 tot juni 2024 naar school ging. In het schooljaar 2023-2024 startte de leerling bij een voor hem nieuwe klasleerkracht en de aanpassing daaraan verliep moeizaam. Tijdens de naschoolse opvang deden zich geregeld incidenten voor waarin hij betrokken was.
Volgens de indienster van de klacht hield de school tijdens dit schooljaar onvoldoende rekening met het autisme van haar zoon en weigerde ze hem verschillende redelijke aanpassingen. Ze stelt ook dat hij werd uitgesloten van het schoolfeest in dat schooljaar en van de meerdaagse schoolreis in juni 2024 omwille van zijn autisme. Ten slotte stelde ze dat de school haar zoon psychologisch mishandeld had en geen inclusieve omgeving gecreëerd had.
Beoordeling door de Geschillenkamer
De Geschillenkamer moest in deze zaak onderzoeken of er sprake is van een weigering van redelijke aanpassingen aan een leerling met een handicap (I), een directe discriminatie op grond van handicap (II) en een intimidatie op grond van handicap (III).
De indienster van de klacht stelde dat de school op verschillende vlakken redelijke aanpassingen had geweigerd om voor haar zoon met autisme een gelijkwaardige participatie op school te verzekeren. Voor de uitsluiting van de schoolreis stelde de Geschillenkamer vast dat de school niet aangetoond had dat de deelname van de leerling een onevenredige belasting had uitgemaakt als alle mogelijkheden voor aanpassingen op de schoolreis voor hem tijdig waren onderzocht. Daarom oordeelde de Geschillenkamer dat op dat vlak sprake was een discriminerende weigering van redelijke aanpassingen. Op andere vlakken, namelijk met betrekking tot een gevraagde aangepaste invulling van de naschoolse opvang en aangevoerde onaangepaste straffen, kon de Geschillenkamer geen discriminerende weigering van redelijke aanpassingen vaststellen. Ook was voor de Geschillenkamer niet aannemelijk gemaakt dat de school in het algemeen tekortgeschoten zou zijn in de procedure om voor deze leerling redelijke aanpassingen te verzekeren.
De leerling mocht niet deelnemen aan de schoolreis omwille van zijn gedragsproblematiek, die in deze zaak onlosmakelijk verbonden was met zijn autisme. De school had de leerling uitgesloten van de schoolreis voor de veiligheid van de leerling, zijn medeleerlingen en de leerkrachten. Dit is een legitiem doel, dat een minder gunstige behandeling kan rechtvaardigen. Voor de Geschillenkamer is echter niet aangetoond dat de uitsluiting van de schoolreis ook noodzakelijk was om dit doel te bereiken. De school heeft immers niet aangetoond dat er geen redelijke aanpassingen mogelijk waren om de schoolreis voor de betrokken leerling, zijn medeleerlingen en de leerkrachten veilig te laten verlopen. Daarom oordeelde de Geschillenkamer ook dat er sprake is van directe discriminatie wat betreft de uitsluiting van de schoolreis. Een andere aangevoerde discriminatie, de beweerde uitsluiting op het schoolfeest, is voor de Geschillenkamer niet aannemelijk gemaakt.
Ten slotte oordeelde de Geschillenkamer dat de aangevoerde intimidatie, met name psychologische mishandeling en het creëren van een niet-inclusieve leeromgeving, niet aannemelijk gemaakt was en niet bleek uit het dossier.
Oordeel
Om die redenen oordeelt de Geschillenkamer:
- dat er sprake is van een weigering van redelijke aanpassingen en een directe discriminatie op grond van handicap overeenkomstig het Gelijkekansendecreet wat betreft de meerdaagse schoolreis in juni 2024;
- dat er voor het overige geen tekortkomingen op vlak van redelijke aanpassingen, geen directe discriminatie op grond van handicap met betrekking tot het schoolfeest en geen intimidatie op grond van handicap overeenkomstig het Gelijkekansendecreet kan worden vastgesteld.
Aanbevelingen van de Geschillenkamer
Om de vastgestelde discriminatie te beëindigen, beveelt de Geschillenkamer de school aan:
- als structurele aanbeveling, een beleid uit te werken waarbij de school ruim voorafgaand aan een schoolreis nagaat welke redelijke aanpassingen ze kan treffen voor leerlingen met een handicap zodat zij kunnen deelnemen.
Volledig oordeel
De Geschillenkamer, samengesteld uit voorzitter Yves Thiery, bijzitter Sarah Lambrecht en bijzitter Marie Spinoy, en bijgestaan door griffier Dorien Geeroms, spreekt het volgende oordeel uit:
Procedure
De Geschillenkamer heeft de klacht ontvangen op 2 september 2024.
De fase van het uitwisselen van standpunten en overtuigingsstukken werd afgerond op 9 december 2024. De Geschillenkamer ontving volgende stukken:
- het standpunt van de verweerster van 10 oktober 2024
- het antwoord van de indienster van de klacht van 9 november 2024
- het laatste antwoord van de verweerster van 9 december 2024.
De minderjarige zoon van de indienster van de klacht werd gehoord op 8 januari 2025. Een verslag van dit gesprek werd toegevoegd aan het dossier.
De Geschillenkamer behandelde de zaak tijdens een hoorzitting op 16 januari 2025. Op de hoorzitting waren beide partijen aanwezig. De indienster van de klacht was zelf aanwezig, samen met haar dochter (de zus van de jongen). Ze werden bijgestaan door een tolk Nederlands-Frans. De school werd vertegenwoordigd door enkele van haar personeelsleden.
Een klacht wordt pas doorgestuurd naar de Geschillenkamer nadat een (poging tot) bemiddeling is doorlopen bij de afdeling Eerstelijnsdienst en Bemiddeling van het Vlaams Mensenrechteninstituut.[1] Omwille van de vertrouwelijkheid van de bemiddeling mag de Geschillenkamer niet geïnformeerd worden over wat er zich tijdens de bemiddeling heeft afgespeeld.[2]
De Geschillenkamer beslist om passages uit het tweede standpunt van de indienster van de klacht (in het document nr. 1 op pagina 5 en in het document nr. 2 op pagina 5 en 6) en uit de standpunten van de verweerster (in het eerste standpunt op pagina’s 3, 6 en 8 en in het tweede standpunt op pagina’s 7 en 30) uit het dossier te weren omdat deze passages inhoudelijk over de bemiddelingspoging gaan. Om dezelfde redenen weert ze ook stuk 5 van de indienster van de klacht bij de ingediende klacht, stukken 13, 17, 18 en 19 bij het antwoord van de indienster van de klacht en twee passages uit stuk 1 van de verweerder dat is overgemaakt toen de klacht aan de Geschillenkamer werd bezorgd (op pagina’s 1 en 5). Dit wil zeggen dat de Geschillenkamer met deze passages uit de standpunten en stukken geen rekening houdt bij haar beoordeling.
Oordelen van de Geschillenkamer vermelden betrokken rechtspersonen bij naam, tenzij er gewichtige redenen zijn om dat niet te doen.[3] Omdat in deze zaak het risico bestaat dat uit de feiten kan worden afgeleid wie de zoon van de indienster van de klacht en de andere betrokkenen zijn als de school niet geanonimiseerd wordt in het oordeel, beslist de Geschillenkamer de school te anonimiseren in het oordeel.
Feiten
Een vrouw dient klacht in als wettelijk vertegenwoordigster van haar minderjarige zoon, een jongen met autisme. De jongen startte in maart 2022 in het derde leerjaar van de school, de verweerster in deze zaak.
De klacht gaat over het verloop van het schooljaar 2023-2024. De leerling startte toen bij een voor hem nieuwe klasleerkracht en de aanpassing verliep moeizaam. Tijdens de naschoolse opvang deden zich geregeld incidenten voor waarin de leerling betrokken was. In maart 2024 had de school aan de indienster van de klacht laten weten dat haar zoon mocht deelnemen aan de meerdaagse schoolreis die in juni 2024 zou doorgaan. Uiteindelijk bleek dat hij toch niet meekon omdat de school het niet veilig vond dat hij zou deelnemen. Tijdens het schoolfeest van dat schooljaar trad haar zoon op als dj en nam hij geen deel aan klassikale optredens op het podium.
Volgens de indienster van de klacht hield de school tijdens dit schooljaar onvoldoende rekening met het autisme van haar zoon en weigerde ze hem verschillende redelijke aanpassingen. Ze stelt ook dat hij werd uitgesloten van het schoolfeest in dat schooljaar en van de meerdaagse schoolreis in juni 2024 omwille van zijn autisme.
In het schooljaar 2024-2025 ging hij naar een andere school.
De klacht werd op 2 september 2024 aan de Geschillenkamer bezorgd.
Standpunten partijen
Standpunt indienster klacht
Volgens de indienster van de klacht heeft de school haar zoon uitgesloten omwille van zijn autisme en gedrag dat daarmee verband houdt. Ze stelt dat de school hem gediscrimineerd en psychologisch mishandeld heeft. Deze discriminatie was volgens haar te vermijden door redelijke aanpassingen, die de school aan haar zoon geweigerd heeft.
Ze benadrukt dat zowel zijn psycholoog als het CLB meenden dat hij les kon volgen in het gewoon onderwijs, met een aantal redelijke aanpassingen voor zijn autisme. In schooljaar 2022-2023 stelde hij het grotendeels goed op de school. In schooljaar 2023-2024 vonden volgens haar een paar belangrijke veranderingen plaats:
- een nieuwe begeleidster in de opvang en zijn nieuwe leerkracht hadden niet de nodige expertise over autisme;
- de school voerde een nieuw beleid in waarbij de kinderen niet mochten spelen voor 16u30. Ze moesten een uur stil blijven zitten en hun huiswerk maken of in stilte lezen, wat voor haar zoon onmogelijk was omwille van zijn autisme.
Volgens haar blijkt op verschillende manieren dat de school onvoldoende expertise over autisme had en onvoldoende rekening wilde houden met de gevraagde redelijke aanpassingen voor het autisme van haar zoon. Zij stelt dat geen afspraken gemaakt waren om hem te begeleiden en dat hij geen ondersteuning op de school of voor zijn huiswerk kreeg. Hij moest zich voortdurend aanpassen aan de eisen van de school, die zijn gedrag probeerde te ‘corrigeren’ naar dat van een kind zonder autisme. De school probeert haar zoon af te schilderen als een kind met gevaarlijk en onvoorspelbaar gedrag maar hij is net voorzichtig en volwassen voor zijn leeftijd. Hij kan als persoon met autisme wel agressief reageren als hij zich onder druk gezet voelt, wat de school onvoldoende begreep.
Wanneer zij aan de school informatie wilde geven over de noden van haar zoon, werd daar niet naar geluisterd. Al op 27 september 2023, bij een gesprek over het verbod voor haar zoon om in de tuin van de school te spelen als straf, maakte zijn leerkracht haar duidelijk dat hij niet van plan was redelijke aanpassingen te doen. Volgens haar stelde hij haar voor een andere school te zoeken als zij het daar niet mee eens was. De school was niet transparant over haar beslissingen. Ook deed de school onvoldoende om leerkrachten en ander personeel op te leiden over de specifieke behoeften van kinderen met autisme.
In het bijzonder weigerde de school een alternatief te voorzien voor het uur opgelegd stilzitten en stil zijn terwijl deze regel voor haar zoon moeilijk was omwille van zijn autisme. Ondanks herhaalde verzoeken weigerde de school om voor haar zoon een alternatief te voorzien, bijvoorbeeld door hem na de lesdag in de tuin te laten ontspannen. Aan het einde van de lesdag was hij angstig en onrustig omdat hij niet voldoende lange pauzes kreeg om te ontspannen en bij te komen. De school bood geen andere alternatieven en het opvangpersoneel was niet opgeleid om met autisme om te gaan.
Ook legde de school haar zoon een onevenredige zware straf op, die niet aangepast was aan zijn specifieke behoeften. De school had hem verboden in de tuin van de school te spelen, eerst voor twee weken, daarna nog voor een extra week. Hij kreeg toen enkel toegang tot een speelplaats waar hij niets kon doen dat hem interesseerde. Een van zijn autismegerelateerde kenmerken is dat hij een bijzondere interesse kan hebben voor een ding of een activiteit, waarbij hij proactief, creatief, verantwoordelijk en enthousiast wordt. Hij had deze interesse ontwikkeld voor kampen bouwen in de tuin van de school. Het ging niet enkel om de mogelijkheid om daar te spelen: de tuin gaf hem de mogelijkheid om te ontspannen en zich af te zonderen na de lesdag, wat voor hem een echte behoefte was. Omwille van zijn autisme werkt het dreigen met straffen over een bepaalde tijdsduur ook niet aangezien hij zich daar geen goede voorstelling van kan maken.
Toen de moeder dit op 27 september 2023 probeerde uit te leggen aan de leerkracht en voor de toekomst vroeg een ander soort straf toe te passen, weigerde de leerkracht dit. Hij weigerde hierover contact op te nemen met de psycholoog van haar zoon en hij dreigde de leerling uit te sluiten van de meerdaagse schoolreis van juni 2024. Ook in een gesprek in november hierover werd niet naar haar geluisterd en stelde de leerkracht dat de straf haar zoon goed gedaan had.
De indienster van de klacht stelt verder dat de school haar zoon omwille van zijn autisme heeft uitgesloten van de meerdaagse schoolreis van juni 2024. De school heeft volgens haar ook geen redelijke aanpassingen getroffen om mogelijk te maken dat hij meekon op de schoolreis in juni 2024. Hij werd daarover bovendien maanden in onzekerheid gehouden. Tijdens het gesprek op 27 september 2023 had de leerkracht al gedreigd de jongen uit te sluiten van de schoolreis. Volgens haar had de leerkracht toen eigenlijk al beslist. Tussen september 2023 en maart 2024 dreigde de school hem uit te sluiten van de schoolreis. In maart 2024 verklaarde de school dat hij wel mocht deelnemen, om daar in mei weer op terug te komen. De school gaf toen aan dat hij niet mee mocht ‘naar aanleiding van incidenten’ tijdens het schooljaar en stelt dat hij niet meekon voor zijn eigen veiligheid, die van zijn medeleerlingen en leerkrachten.
Het beweerde veiligheidsrisico dat haar zoon zou vormen voor zichzelf en anderen is volgens haar niet aangetoond en incorrect om de volgende redenen:
- Haar zoon vormde nooit een reëel gevaar voor zichzelf of anderen. Hij is net voorzichtig en volwassen voor zijn leeftijd. Hij vertoonde nooit geweld of gevaarlijk gedrag. Wel deden zich soms incidenten voor waarbij hij schreeuwde of verbale bedreigingen uitte. Die kwamen voort uit het gebrek aan inzicht van de school in de hyperemotionaliteit die met zijn autisme gepaard gaat. Hij voelde zich op dergelijke momenten onder druk gezet en in stressvolle situaties is een heftige reactie normaal en voorspelbaar voor een kind met autisme.
- Haar zoon heeft nooit problemen veroorzaakt bij andere activiteiten op school (zoals naar het zwembad wandelen), eerdere reisjes of scouts- of zomerkampen. Hij heeft ook nooit geprobeerd weg te lopen van de school. De school baseert zich hier op loutere veronderstellingen en vooroordelen in verband met zijn handicap in plaats van op een objectieve beoordeling van zijn capaciteiten.
- De school verwijst naar een incident met een andere leerling tijdens een schoolreis in schooljaar 2022-2023 en een incident met een stanleymes. Ze was van deze incidenten niet op de hoogte gebracht en meent, bij gebrek aan concreet bewijs van de school, dat ze niet hebben plaatsgevonden.
- De school stelt dat een andere leerling van school is veranderd vanwege de gedragsproblemen van haar zoon. Dat was niet aan haar gemeld. Ook van de resultaten van de enquête onder ouders waarnaar de school verwijst, was zij niet op de hoogte gebracht. Ze meent dat deze beweringen niet onderbouwd zijn door concreet bewijs.
- Ten slotte zijn eventuele risico’s tijdens de activiteiten niet anders voor haar zoon dan voor anderen en moet de school voor iedereen, ook voor kinderen met speciale behoeften, veilige activiteiten selecteren.
De school stelde daarnaast dat de capaciteit van het personeel overschreden was en dat ze onvoldoende begeleiding kon verzekeren voor beide leerlingen met speciale behoeften. De indienster van de klacht wijst er echter op dat de school acht maanden voorbereidingstijd had om zich voor te bereiden op de meerdaagse schoolreis. Ook mag haar zoon niet de dupe worden van een tekort aan personeel. Dit kan geen rechtvaardiging zijn voor uitsluiting.
Ook nadat ze daarom gevraagd had, had de school op één uitzondering na, geen aanpassingen geboden om hem een volwaardig alternatief op de school aan te bieden tijdens de dagen van de meerdaagse schoolreis. Daarnaast had de school psychologische begeleiding moeten voorzien om met de uitsluiting om te gaan, zowel tijdens de voorbereidingen als nadien toen zijn klasgenoten terugkwamen. Een kind met een handicap heeft ondersteuning nodig om met stressvolle situaties om te gaan.
Daarnaast mocht de jongen volgens haar niet deelnemen aan het groepsoptreden tijdens het schoolfeest van schooljaar 2023-2024. Onder het voorwendsel dat hij moeite heeft met groepswerk, wat verband houdt met zijn autisme, sloot de school hem eerst uit van de deelname. Nadat zij de zorgcoördinator had gecontacteerd, mocht hij dj zijn maar niet deelnemen aan de voorstelling zelf. Ook voor het schoolfeest duurde het lang vooraleer de jongen wist of hij zou mogen deelnemen.
Door de weigering om met zijn noden rekening te houden en de uitsluitingen, creëerde de school voor haar zoon geen inclusieve omgeving. Hij heeft hieraan een diep gevoel van afwijzing en discriminatie overgehouden. De school beging volgens haar op die manier psychologische mishandeling en stuurde zo ook een stigmatiserende en discriminerende boodschap dat leerlingen met een handicap niet volledig mogen deelnemen aan het schoolleven. Ze verwijst in dat verband ook naar onevenredige straffen, zoals het verbod om te spelen in de tuin, het verbod om na de les te ontspannen en spelen, en naar de maanden van onzekerheid voor de jongen over zijn deelname aan de schoolreis.
Ten slotte benadrukt de indienster van de klacht dat haar zoon getraumatiseerd is door de gebeurtenissen. Zijn studieresultaten zijn door het gebrek aan begeleiding ook erg achteruitgegaan en de gebeurtenissen hebben hem essentiële leer- en socialisatiemogelijkheden ontnomen.
Standpunt verweerster
De school stelt dat er geen sprake is van discriminatie op grond van autisme. Ze benadrukt dat de overstap naar een nieuwe graad met een nieuwe leerkracht in schooljaar 2023-2024 veel aanpassingen vroeg van de leerling met autisme. Naast deze leerling zaten in de klas nog twee leerlingen met autisme. De school heeft leerlingen met verschillende zorgnoden en past daarom heel wat maatregelen toe binnen haar brede basiszorg voor alle kinderen. Ze past ook bepaalde maatregelen toe voor al haar leerlingen met autisme naast aanpassingen afgestemd op de specifieke noden van de individuele leerling.
Toen de leerling op de school begon, hebben haar directie, zorgcoördinator en klasleerkracht met de moeder, het CLB, de zorgcoördinator van de vorige school van de leerling en het ondersteuningsteam een handelingsplan opgesteld met redelijke aanpassingen specifiek afgestemd op de zorgnoden van de leerling. Ze heeft voor de leerling elk schooljaar redelijke aanpassingen voorzien en steeds geprobeerd aanpassingen door te voeren om tegemoet te komen aan zijn zorgnoden. Tijdens het schooljaar 2023-2024 werden veertien maatregelen opgenomen in het plan. Zo kreeg de leerling een vluchtplekje, een rustige plaats in de klas en een zak met antistressmiddelen (“tangles”). De leerling had ook nood aan duidelijke grenzen aangezien hij dagelijks de grenzen overschreed. Via dagelijkse “kindgesprekken” werd dit steeds opnieuw doorgenomen en verhelderd voor de leerling. Ondanks de vele aanpassingen waren er veelvuldige en aanhoudende conflicten en bleef het voor de leerling een uitdaging om tot leren te komen. Het gedrag van de leerling vormde een dagelijkse bezorgdheid voor de klasleerkracht, de opvangbegeleidsters, de zorgcoördinator en de directeur. Ook de zorgcoördinator en directeur hadden regelmatig “kindgesprekken” met de leerling. De school heeft ook verschillende visualisaties voor de leerling ontwikkeld om hem te ondersteunen. De ondersteuningsvraag van de leerkracht werd wekelijks besproken met de zorgcoördinator en directie om tegemoet te komen aan de noden van de leerling. Toen de situatie in mei 2024 escaleerde, heeft de school nieuwe maatregelen moeten nemen om de periode tot het einde van het schooljaar te overbruggen. Alle uren van de (halftijdse) zorgleerkracht voor de volledige lagere school werden vanaf mei ingezet in de derde graad. Ze focuste op het gedrag van deze leerling zodat de leerkracht de laatste weken les kon geven en de toetsen kon afnemen.
De school zet in op constructief samenwerken met de ouders van leerlingen. De ouders zijn daarbij de ervaringsdeskundigen die weten hoe het kind handelt en reageert in uiteenlopende situaties. De school heeft daarnaast steeds samengewerkt met externe partners, zoals de psycholoog, het CLB en de begeleiding voor de leerling uit het ondersteuningsteam. Tijdens de jaren dat de leerling bij hun op school zat, heeft de school regelmatig gesprekken georganiseerd met de moeder van de leerling, waarop regelmatig ook externe partners aanwezig waren, zoals het CLB en de het ondersteuningsteam. Ook tijdens schooljaar 2023-2024 had de school verschillende overlegmomenten met de moeder van de leerling. Zoals blijkt uit een e-mail die de indienster van de klacht voorlegde, is de school steeds zelf vragende partij voor overleg en communicatie. Volgens de school zette de moeder de communicatie steeds stop wanneer zij het niet eens was met een beslissing van de school. In mei 2024 kreeg de school via het CLB de vraag niet meer met haar te communiceren.
Het klopt niet dat er na de schooltijd een uur verplichte totale stilte geldt. Van 15u40 tot 16u is er een vieruurtje, van 16 tot 16u30 is er stille werktijd. De stille werktijd maakt al altijd deel uit van de avondopvang maar vindt sinds twee schooljaren plaats in een ander lokaal. Tijdens de stille werktijd moeten de leerlingen zich in stilte bezighouden, bijvoorbeeld met huiswerk of kleuren, lezen of het maken van origami. De leerlingen mogen tijdens de stille werktijd altijd vragen stellen aan de begeleider of aan andere kinderen indien nodig. De begeleiders geven geen bijles maar ondersteunen de leerlingen bij het zelfstandige werk en het bieden van een rustige omgeving. Tijdens de opvang waren er geregeld incidenten met de leerling. Hij wilde niet deelnemen aan de stille werktijd en verstoorde dan de rust.
In mei 2023-2024 ontving de school extra middelen van het Stedelijk Onderwijs Gent voor de avondopvang. Die heeft het onder andere gebruikt voor een tweede opvangbeleider, om de stille werktijd op te splitsen in twee groepen. Zo kon beter worden ingespeeld op de zorgnoden van de leerling. De leerling weigerde echter met de tweede opvangbegeleidster mee te gaan.
De school betwist dat ze de leerling een onaangepaste straf opgelegd heeft. Na verschillende incidenten in september 2023 is met de leerling een gesprek gehouden, zodat hij inzicht zou krijgen in zijn gedrag en daar zelf een passend gevolg voor zou bedenken. De leerling vond twee weken niet in de tuin spelen een goede sanctie voor zichzelf. De leerkracht vond dat te streng en besloot met de leerling dat hij wel in een deel van de tuin kon spelen, namelijk op de speelplaats, de speelberg en in een stuk van het gras. De toegang tot de tuin werd enkel tijdelijk ingeperkt voor de beheersbaarheid van de situatie en het welzijn van alle betrokkenen. In november 2023 was er een gesprek op school met de zorgcoördinator, de directie, de klasleerkracht, het CLB, de psycholoog en de moeder. Hoewel de moeder van de leerling de sanctie erg moeilijk vond, meende de klasleerkracht dat die een positief effect had. De psycholoog adviseerde toen dat straffen af en toe intens mogen zijn en om de leerling in de toekomst meerdere keuzemogelijkheden te bieden. Naar aanleiding van deze gebeurtenissen heeft de school een pedagogische studiedag georganiseerd om haar sanctioneringbeleid verder uit te werken.
Het klopt dat de leerling niet mocht deelnemen aan de meerdaagse schoolreis in juni 2024. De school heeft wel een alternatief programma voorzien op maat van de leerling. De beslissing is genomen naar aanleiding van zijn gedragsproblematiek die tijdens schooljaar 2023-2024 verder is geëscaleerd, om het welzijn en de veiligheid van hemzelf, zijn medeleerlingen en leerkrachten te garanderen. Het was ook niet mogelijk aanpassingen te bieden om de schoolreis te laten doorgaan op een manier die voor iedereen veilig was. De school licht verder toe waarom de uitsluiting van deelname volgens haar noodzakelijk was.
Ten eerste was de school bezorgd over de veiligheid van de leerling zelf. De leerling had verschillende keren tijdens het schooljaar gesteld dat hij zelfmoord ging plegen. Daarnaast luisterde hij niet en was zijn gedrag onvoorspelbaar. Hij kon plots weg zijn. De locatie van de schoolreis was voor de leerling geen gekend gebied. Deze onvoorspelbaarheid zorgde er ook voor dat het schoolteam zijn veiligheid niet zou kunnen garanderen tijdens bepaalde activiteiten van de schoolreis, zoals een oriëntatieloop, een fakkeltocht, tijd waarin de leerlingen “zelfstandig” in een avonturen- en dierenpark zouden mogen rondlopen en een overnachting. Voor de overnachting was op de voorziene locatie geen aparte kamer beschikbaar.
Ten tweede was de school bezorgd om de veiligheid van de andere kinderen. Er gingen ongeveer 60 kinderen mee op de schoolreis met vier begeleiders, waarvan enkel de klasleerkracht impact had op de leerling (maar ook niet altijd). Het gedrag van de leerling had een impact op de groep en zorgde voor onrust bij de andere leerlingen. Zo is een leerling met autisme veranderd van school omwille van de drukte en onrust die dit gedrag in de klas veroorzaakte. Het gedrag van de jongen kwam ook naar voren als probleem voor de klasgroep en de avondopvang in een ouderbevraging.
Ten slotte was de school bezorgd om de veiligheid en de draagkracht van de leerkrachten. De school verwijst daarvoor naar verschillende incidenten waarbij de leerling de leerkrachten en begeleiders vals beschuldigde, bijvoorbeeld dat zij hem pijn zouden hebben gedaan. Volgens de school heeft de leerling de zorgleerkracht tijdens de laatste weken van het schooljaar bedreigd met een stanleymes.
De school wijst er verder op dat de voorbereiding van de schoolreis bij de leerkrachten ligt. De ouders werden op 14 september 2023 geïnformeerd over de datum, kostprijs en doelgroep van de schoolreis. Op 7 mei 2024 was er voor de ouders een specifiek infomoment over de schoolreis. De voorbereiding in de klassen vond plaats de week voor het vertrek. Er was geen maandenlange voorbereiding met de klas of school, in tegenstelling tot wat de moeder van de leerling stelt. De voorziene locatie voor deze schoolreis bood geen mogelijkheid om de leerling een kamer apart te geven. De school bekeek ook of er extra begeleiders konden deelnemen. Eén van de twee leerondersteuners had kunnen meegaan maar die kon zich niet op de twee leerlingen met een gedragsproblematiek tegelijk richten. De school vond het geen optie om maar een van de twee leerlingen te laten deelnemen omwille van het gelijkheidsprincipe.
Al in september 2023 was er bij het volledige schoolteam bezorgdheid over het onveiligheidsgevoel door het gedrag van de leerling. Na de krokusvakantie zagen ze een positieve verandering in zijn gedrag, waardoor ze op 4 maart lieten weten aan de moeder dat hij mocht deelnemen aan de schoolreis en dat de school extra begeleiding zocht daarvoor. Omdat het gedrag van de leerling daarna opnieuw escaleerde, is de school op de beslissing moeten terugkomen. De school heeft inspanningen geleverd om hierover met de moeder van de leerling in gesprek te gaan maar de moeder ging daar niet op in. De school heeft ook de door de psycholoog voorgestelde strategieën toegepast maar die volstonden niet in een klascontext waarbij het welzijn van alle betrokkenen moet worden gewaarborgd.
Verder wijst de school erop dat de leerling tijdens zijn tijd op de school wel aan heel wat andere buitenschoolse schoolactiviteiten kon deelnemen. In het totaal kon hij zijn hele schooltijd aan de meerdaagse schoolreis in juni 2024 en één andere activiteit niet deelnemen omdat de extra begeleiding ontbrak die voor hem noodzakelijk was. In zijn eerste schooljaar op de school nam hij wel deel aan de meerdaagse schoolreis. Toen waren er nog weinig indicaties voor een onveilige situatie en waren er voldoende begeleiders voor de groep. De school had toen voor de overnachting preventieve maatregelen genomen: hij had een aparte slaapkamer, naast die van de klasleerkracht. Tijdens de schoolreis was er een agressievoorval waarbij de leerling een leerling van het zesde leerjaar aanviel en bleef slaan met een tak. De leerkracht kwam tussenbeide en bleef steeds nabij.
Volgens de school is er nooit sprake van geweest dat de leerling niet zou deelnemen aan het schoolfeest. Hij vervulde de rol van dj tijdens de optredens van de klassen en tijdens het hele schoolfeest zelf. Hij wilde dit zelf liever dan deel te nemen aan een klassikaal optreden. De school heeft daarom, in overleg met de leerling, een alternatieve opdracht gevonden die aansloot bij zijn technische vaardigheden en interesses.
De school benadrukt dat de leerling niet mishandeld is. De ontevredenheid van de indienster van de klacht komt voort uit de éénmalige beperking rond het spelen in het bos en rond de meerdaagse schoolreis. De school wijst erop dat de oorzaak van het probleem niet voortkwam uit het autisme van de leerling, maar uit zijn agressieve gedrag, volgens de moeder een reactie van de leerling wanneer hij zich in het nauw gedreven voelt. De school heeft de leerling nooit “in het nauw gedreven” maar steeds aanpassingen voorzien. Ze heeft ook op verschillende manieren ingezet op de technische talenten van de leerling en deze gestimuleerd. Ten slotte ontkent de school dat de klasleerkracht in het schoolrapport zijn tevredenheid heeft geuit dat de leerling van school ging veranderen.
Beoordeling door de Geschillenkamer
De indienster van de klacht stelt dat de school onvoldoende kon omgaan met het autisme van haar zoon en hem verschillende redelijke aanpassingen heeft geweigerd. Ze stelt ook dat de school haar zoon heeft uitgesloten van verschillende activiteiten omwille van zijn autisme. Ten slotte heeft de school haar zoon volgens haar psychologisch mishandeld.
De Geschillenkamer moet in deze zaak onderzoeken of er sprake is van een weigering van redelijke aanpassingen aan een leerling met een handicap (I), een directe discriminatie op grond van handicap (II) en een intimidatie op grond van handicap (III).
I. Weigering van redelijke aanpassingen aan een leerling met een handicap
A. Algemene beginselen
Redelijke aanpassingen in het onderwijs zijn aanpassingen waarop een persoon met een handicap recht heeft om te verzekeren dat die ten volle, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid kan deelnemen aan het onderwijs.
Een discriminerende weigering van redelijke aanpassingen voor leerlingen met een handicap in het onderwijs vindt plaats wanneer:
- een leerling met een handicap een beperking ervaart in diens gelijkwaardige participatie in het onderwijs;
- de leerling redelijke aanpassingen vraagt die de obstakels voor gelijkwaardige participatie in het onderwijs kunnen wegnemen of verminderen;
- en de school de redelijke aanpassingen weigert, ook al betekenen ze geen onevenredige belasting voor de school.[4]
In deze zaak voert de indienster van de klacht aan:
- dat de school weigerde rekening te houden met de behoeften van haar zoon omwille van zijn autisme;
- dat hij geen ondersteuning op de school of voor zijn huiswerk kreeg, dat de school weigerde aangepaste straffen te voorzien voor haar zoon, dat de school geen aanpassingen wilde doen om te zorgen dat haar zoon meekon op meerdaagse schoolreis en hier vervolgens geen volwaardig alternatief op school voor wilde voorzien;
- terwijl die inspanningen wel verwacht konden worden van de school.
De indienster van de klacht moet feiten aanvoeren die een weigering van redelijke aanpassingen kunnen doen vermoeden. Het is dan aan de verweerster om te bewijzen dat de gevraagde aanpassingen onredelijk zijn of een onevenredige belasting zouden betekenen.[5]
Een aanpassing is redelijk als ze ervoor kan zorgen dat de persoon met een handicap gelijkwaardig kan deelnemen in de samenleving. De aanpassing moet, met andere woorden, haar doel bereiken en afgestemd zijn op de behoeften van de persoon met een handicap. De redelijkheid van een aanpassing verwijst dus naar de relevantie, geschiktheid en doeltreffendheid van de aanpassing voor de persoon met een handicap.[6]
Een vraag naar redelijke aanpassingen kan worden geweigerd als die redelijke aanpassingen een onevenredige belasting zouden betekenen. Dit concept lijnt af tot waar redelijke aanpassingen moeten worden geboden.[7] Hierbij wordt de impact van de redelijke aanpassing voor degene die haar moet doorvoeren en voor de ruimere omgeving bekeken in het licht van het doel van de aanpassing (de gelijkwaardige participatie voor de persoon met de handicap). Relevante factoren bij deze afweging zijn onder meer: de financiële en organisatorische impact van de aanpassing, de haalbaarheid van de aanpassing, de aanwezigheid van voor de hand liggende of wettelijk verplichte normen en de positieve of negatieve impact op anderen in de omgeving.[8]
Het is aan de verweerder om te bewijzen dat de gevraagde aanpassingen een onevenredige belasting zouden betekenen.
B. Stille werktijd in de naschoolse opvang
De indienster van de klacht stelt dat haar zoon een alternatief had moeten krijgen voor het uur opgelegd stilzitten in de naschoolse opvang. Ze had voorgesteld om hem na de lesdag in de tuin te laten ontspannen.
Volgens de school was er geen sprake van een volledig verplicht stilzitten, maar wel van een half uur stille werktijd. De school heeft toegelicht dat deze tijd behalve voor huiswerk ook voor verschillende ontspannende alternatieven kon worden gebruikt, zoals lezen, puzzelen, een tangram leggen, origami maken of tekenen. Ze heeft geweigerd de leerling buiten te laten spelen zolang er maar één opvangbegeleidster was omdat het volgens haar met één opvangbegeleidster niet te verantwoorden is één kind buiten te laten spelen en de rest in een klaslokaal te laten werken. De school stelt verder dat ze, zodra ze extra middelen heeft ontvangen voor een tweede opvangbegeleidster, de groep heeft opgesplitst om beter op de noden van de leerling te kunnen inspelen.
De indienster van de klacht maakt niet aannemelijk dat de leerling inderdaad moest stilzitten voor een uur tijdens de naschoolse opvang. Ook komen uit het geheel van het dossier geen elementen naar voren die dit aannemelijk kunnen maken. Tijdens de zitting heeft de indienster van de klacht verder toegelicht dat de aangeboden alternatieven tijdens de stille werktijd voor haar zoon niet konden volstaan om te ontspannen. De Geschillenkamer begrijpt haar vraag om een aanpassing daarom als een vraag om haar zoon toe te laten buiten te spelen tijdens het half uur stille werktijd.
De Geschillenkamer stelt vast dat alle leerlingen tijdens de stille werktijd verschillende mogelijkheden hadden om te ontspannen. In de mate dat die alternatieven voor haar zoon niet zouden hebben volstaan omwille van zijn autisme, stelt de Geschillenkamer vast dat de door haar gevraagde aanpassing een onevenredige belasting had uitgemaakt, zolang de school maar voldoende middelen had voor één opvangbegeleidster.
De school geeft terecht aan dat één opvangbegeleidster niet tegelijk in het klaslokaal en buiten toezicht kan houden op de leerlingen. In die omstandigheden zou de veiligheid niet meer verzekerd kunnen worden voor alle leerlingen. Dit kon wellicht enkel verholpen worden door een extra begeleider aan te werven. Wanneer dit niet voorzien is in de middelen die een school ter beschikking heeft, kan de aanstelling van een extra personeelslid een onevenredige belasting uitmaken. Hierbij moet ook rekening worden gehouden met de middelen die een school zou kunnen krijgen door zelf financiering aan te vragen. De Geschillenkamer stelt vast dat de school bijkomende middelen heeft aangevraagd en die ook heeft gekregen vanaf mei 2024. De Geschillenkamer stelt verder vast dat de school, van zodra zij de middelen ontving om een tweede opvangbegeleider aan te werven, een tweede begeleider aannam en de groepen in twee splitste om de leerling beter te ondersteunen.
De weigering van de gevraagde aanpassing tijdens de stille werktijd is dan ook gerechtvaardigd.
C. Verbod om in de tuin te spelen als straf
De indienster van de klacht stelt dat de straf om twee weken niet in de tuin te mogen spelen niet aangepast was aan de behoeften van haar zoon als leerling met autisme. Volgens haar had hij daardoor geen mogelijkheid meer om zich te ontspannen en af te zonderen na de lessen.
Tussen de partijen is betwist dat de leerling tijdens deze periode geen mogelijkheden meer had om in de hele tuin te spelen. De school stelt dat de leerling ook in die periode wel in een deel van de tuin kon spelen. De indienster van de klacht heeft geen elementen bijgebracht die aannemelijk maken dat de leerling in die periode in geen enkel deel van de tuin mocht spelen en daardoor geen mogelijkheid meer had om zich te ontspannen. Zij verwijst naar wat de leerkracht zou hebben gezegd op 27 september 2023 en in november 2023. De school betwist dat dit toen gezegd is. De indienster van de klacht reikt geen verdere bewijselementen aan die haar verklaring over het verloop van het gesprek kunnen bevestigen. Uit het dossier blijkt verder niet dat de school op andere momenten wel een straf zou hebben opgelegd die niet op de noden van de leerling was afgestemd. Er blijkt ook niet dat de school weigerde rekening te houden met de vragen van de indienster van de klacht over aangepaste straffen.
Voor de Geschillenkamer kan dan ook geen weigering van een redelijke aanpassing worden vastgesteld op dit vlak.
D. Schoolreis in juni 2024
Volgens de indienster van de klacht kon de leerling niet mee op de schoolreis in juni 2024 omdat de school onvoldoende aanpassingen had gedaan om te zorgen dat alle leerlingen mee konden op schoolreis.
De school stelt dat het toelaten van de leerling op de meerdaagse schoolreis een onevenredige belasting zou hebben betekend omwille van het veiligheidsrisico voor alle betrokkenen en de overschreden draagkracht van haar leerkrachten.
De Geschillenkamer stelt ten eerste vast dat voor de leerling op school heel wat aanpassingen afgesproken waren. Uit een verslag van het CLB over de leerling bij het vertrek uit zijn vorige school blijkt dat hij moeite had om zijn emoties te reguleren en daardoor snel agressief kon worden. De school heeft over verschillende incidenten met de leerling, waarbij hij agressief was tegenover medeleerlingen of personeel, documentatie voorgelegd. In die omstandigheden kon de school terecht de inschatting maken dat een gebrek aan specifieke en individuele begeleiding voor deze leerling een reëel en zwaarwegend veiligheidsrisico voor de leerling en de andere deelnemers aan de schoolreis zou inhouden. Een dergelijk veiligheidsrisico kan een onevenredige belasting uitmaken.
Voor de Geschillenkamer heeft de school echter niet aangetoond dat ze alle mogelijke aanpassingen tijdig heeft onderzocht om dit veiligheidsrisico te beperken. De Geschillenkamer heeft er begrip voor dat de capaciteit en middelen van een school niet eindeloos zijn en dat een personeelstekort op een school in de huidige onderwijscontext niet van de ene dag op de andere opgelost raakt, zoals de school tijdens de zitting heeft toegelicht. Tegelijk stelt de Geschillenkamer vast dat de school zelf aangeeft dat ze al van in september 2023 bezorgd was over het gedrag van de leerling en zich afvroeg of de leerling zou meekunnen op schoolreis. Bij de voorgaande buitenschoolse uitstappen en schoolreizen had de school wel extra maatregelen en specifieke begeleiding kunnen voorzien. Op het moment van de eerste twijfel had de school dus nog negen maanden om te bekijken of een alternatieve invulling van de schoolreis mogelijk was, met bijvoorbeeld meer begeleiding. De school stelt dat ze gevraagd heeft aan de leerondersteuners of ze zich konden vrijmaken voor de schoolreis maar uit het dossier blijkt niet wanneer in het schooljaar dit concreet gebeurd is. Uit het dossier kan de Geschillenkamer ook niet afleiden welke andere maatregelen de school overwogen heeft. De school heeft daarom voor de Geschillenkamer niet aangetoond dat het laten deelnemen van de leerling met voorzorgsmaatregelen een onevenredige belasting had uitgemaakt als alle mogelijkheden tijdig waren onderzocht. De Geschillenkamer oordeelt daarom dat voor de deelname aan de schoolreis in juni 2024 sprake is van een discriminerende weigering van redelijke aanpassingen.
De indienster van de klacht stelde daarnaast dat de school onvoldoende had gedaan om de leerling te ondersteunen om met de uitsluiting van de schoolreis om te gaan en om een alternatief lesprogramma te voorzien. De school daarentegen stelt dat zij tijdens de hele meerdaagse een alternatief programma op maat heeft voorzien. De Geschillenkamer kan uit het dossier geen elementen afleiden die aannemelijk maken dat de leerling geen alternatief programma heeft gekregen tijdens de schoolreis. Er kan met betrekking tot het alternatief programma dus geen afzonderlijke schending van het discriminatieverbod vastgesteld worden.
E. Procedure van redelijke aanpassingen
De indienster van de klacht stelt verder dat de school zich niet correct heeft opgesteld in de procedure voor redelijke aanpassingen. Volgens haar heeft de school met haar geen afspraken gemaakt om hem te begeleiden en ondersteunen op school en voor zijn huiswerk. Ze stelt ook dat de school niet luisterde naar haar informatie over de noden van haar zoon.
De school betwist dit en stelt dat zij heel wat aanpassingen voor de jongen heeft gedaan. De school benadrukt verder steeds open te staan voor overleg met ouders en andere betrokken instanties maar stelt dat de indienster van de klacht de communicatie stopzette wanneer ze het niet eens was met een beslissing over haar zoon.
Wanneer een leerling met een handicap zich inschrijft op een school of op een later moment (andere of bijkomende) redelijke aanpassingen vraagt, moet de school nagaan welke redelijke aanpassingen aangewezen zijn. De school moet daartoe een open dialoog voeren met de leerling en diens ouder(s). Die dialoog is erop gericht de belemmeringen die de persoon met een handicap ervaart in de context in kaart te brengen en op zoek te gaan naar aanpassingen om de gelijkwaardige participatie van de persoon met een handicap zoveel als mogelijk te verzekeren.[9]
De indienster van de klacht heeft geen elementen aangereikt die aannemelijk maken dat de school onvoldoende gedaan zou hebben om redelijke aanpassingen voor haar zoon te voorzien. Uit het dossier dat de Geschillenkamer heeft ontvangen, blijkt niet dat de school niet wilde overleggen met of luisteren naar de indienster van de klacht over de noden van haar zoon. Verschillende stukken tonen wel dat haar vragen (om overleg) over haar zoon doorgaans binnen een korte termijn beantwoord werden en dat de school overlegde met de psycholoog van de leerling over haar aanpak. Ook blijkt uit het dossier dat de school voor de leerling elk schooljaar een handelingsplan met individuele aanpassingen opstelde en de lijst met aanpassingen ook aanpaste op basis van zijn ontwikkeling tijdens het schooljaar.
Dat de school niet alle aanpassingen heeft overgenomen die de indienster van de klacht vroeg, maakt op zichzelf niet aannemelijk dat de school haar verplichtingen niet heeft gerespecteerd. Een school is niet verplicht om elke individuele aanpassing waar om is gevraagd te verrichten, zolang zij aanpassingen treft die de obstakels voor gelijkwaardige participatie in het onderwijs kunnen wegnemen.
De indienster van de klacht stelde verder dat de klasleerkracht al op 27 september 2023 zou hebben gezegd dat hij geen redelijke aanpassingen wilde doen en dat ze voor de gevraagde aanpassingen beter een andere school zou zoeken. De school betwist dat dit toen gezegd is. Aangezien de school deze elementen van de verklaring van de indienster van de klacht betwist, kan deze enkele verklaring niet volstaan. De indienster van de klacht reikt geen verdere bewijselementen aan die haar verklaring over het verloop van het gesprek kunnen bevestigen.
Tijdens de zitting heeft de indienster van de klacht ook toegelicht dat de school voor haar tekortschoot op vlak van huiswerkbegeleiding. Haar zoon had volgens haar enkel op deze school problemen met het huiswerk. Ze stelt dat de school veel huiswerk geeft en daar dan ook begeleiding voor moet voorzien.
De school lichtte daarop toe dat ze een huiswerkbeleid hanteert waarbij leerlingen hun huiswerk op maandag krijgen en de maandag erna moeten indienen, zodat leerlingen eventuele vragen over het huiswerk tijdens de week kunnen stellen. Volgens de school had zij wel mogelijkheden bekeken om de leerling te ondersteunen met huiswerk:
- de leerondersteuner van de leerling plande met hem zijn huiswerk in; en
- de school had de moeder van de leerling ook informatie bezorgd over organisaties in de buurt die konden helpen. Iemand moest er dan voor zorgen dat de leerling daarheen kon gaan en dit bleek moeilijk voor de moeder.
De verklaringen van de beide partijen op dit punt komen dus niet overeen. De Geschillenkamer heeft geen stukken ontvangen die aannemelijk maken dat redelijke aanpassingen rond huiswerkondersteuning gevraagd en geweigerd zouden zijn. De Geschillenkamer kan ook uit andere elementen van het dossier niet afleiden dat de school op dit vlak onvoldoende zou hebben gedaan.
Voor de Geschillenkamer is dan ook geen tekortkoming in de procedure voor redelijke aanpassingen aannemelijk gemaakt.
II. Directe discriminatie op grond van handicap
A. Algemene beginselen
Een directe discriminatie op grond van handicap vindt plaats wanneer:
- iemand minder gunstig wordt behandeld dan iemand anders in een vergelijkbare situatie;
- op grond van handicap (oorzakelijk verband);
- tenzij die ongunstige behandeling objectief wordt gerechtvaardigd. Dit is het geval wanneer de ongunstige behandeling een legitiem doel nastreeft en de middelen om dit doel te bereiken passend en noodzakelijk zijn.[10] Een minder gunstige behandeling van een persoon met een handicap, is niet noodzakelijk wanneer de minder gunstige behandeling kan worden vermeden door redelijke aanpassingen.[11] Als aan die voorwaarden is voldaan, moet ten slotte een afweging worden gemaakt tussen het nadeel voor personen met een of meer beschermde kenmerken en het belang van het nagestreefde doel.
In deze zaak voert de indienster van de klacht aan dat:
- de school haar zoon heeft uitgesloten van de meerdaagse schoolreis en het schoolfeest in schooljaar 2023-2024;
- op grond van zijn autisme.
De Geschillenkamer onderzoekt in twee stappen of een discriminatie bewezen is. De eerste stap is vervuld als de indiener van de klacht feiten aanvoert die het bestaan van een discriminatie kunnen doen vermoeden. Als de indiener van de klacht een vermoeden van een minder gunstige behandeling op grond van handicap aanvoert, moet de verweerder vervolgens (in de tweede stap) bewijzen dat er geen sprake is van een discriminatie. De verweerder kan dit doen door het vermoeden van discriminatie te weerleggen of door de minder gunstige behandeling te rechtvaardigen.[12]
Voor de vaststelling van een discriminatie is een bewijs van opzet of enige andere specifieke drijfveer van de verweerder niet vereist.[13]
B. Schoolreis in juni 2024
De leerling mocht niet mee op de schoolreis omwille van zijn gedragsproblematiek. Tijdens de zitting heeft de school erkend dat de genoemde gedragsproblemen verband houden met het autisme van de leerling en onder meer beïnvloed worden door hoe hij spanning oppikt uit zijn omgeving.
Hoewel niet elk kind met autisme gedragsproblemen of gelijkaardige gedragsproblemen heeft, zijn de gedragsproblemen van de leerling in deze zaak onlosmakelijk verbonden met zijn autisme. Door de leerling uit te sluiten van de schoolreis op basis van een criterium dat onlosmakelijk met zijn autisme te maken had, heeft de school de leerling minder gunstig behandeld op grond van zijn autisme.[14]
Er is enkel sprake van een directe discriminatie als voor deze minder gunstige behandeling geen objectieve rechtvaardiging is. De school stelt dat de leerling niet mocht deelnemen voor zijn eigen veiligheid en de veiligheid van de medeleerlingen en leerkrachten. Dit is een legitiem doel, dat een minder gunstige behandeling kan rechtvaardigen.
De uitsluiting had kunnen bijdragen aan het bereiken van dit doel. Voor de Geschillenkamer is echter niet aangetoond dat de uitsluiting van de schoolreis ook noodzakelijk was om dit doel te bereiken. Zoals hierboven uiteengezet (zie I.D) heeft de school immers niet aangetoond dat er geen redelijke aanpassingen mogelijk waren om de schoolreis voor de betrokken leerling, zijn medeleerlingen en de leerkrachten veilig te laten verlopen.
De Geschillenkamer is daarom van oordeel dat er sprake is van directe discriminatie op grond van handicap doordat de leerling niet mee mocht op schoolreis.
C. Deelname aan het schoolfeest in schooljaar 2023-2024
De indienster van de klacht stelt dat haar zoon eerst niet mocht deelnemen aan het groepsoptreden tijdens het schoolfeest en enkel na haar tussenkomst mocht deelnemen als dj. Ook duurde het volgens haar lang voor hij wist of hij zou mogen deelnemen.
De school betwist dat. Ze stelt dat de leerling steeds heeft mogen deelnemen aan het schoolfeest en zelf verkoos dat als dj te doen eerder dan in een klassikaal optreden.
Aangezien de school de verklaring van de indienster van de klacht betwist, kan deze enkele verklaring niet volstaan. De verklaring moet onderbouwd worden met bewijselementen die de aangevoerde uitsluiting aannemelijk kunnen maken. De indienster van de klacht reikt geen verdere bewijselementen aan die haar verklaring kunnen bevestigen of die op een andere manier aannemelijk maken dat de leerling eerst was uitgesloten van het schoolfeest. Uit de standpunten en stukken die de Geschillenkamer heeft ontvangen, blijkt dit ook niet op een andere wijze. De Geschillenkamer stelt vast dat de leerling op een betekenisvolle wijze kon deelnemen aan het schoolfeest, in overeenstemming met zijn eigen voorkeuren.
De Geschillenkamer oordeelt dan ook dat geen directe discriminatie op grond van handicap bij het schoolfeest in schooljaar 2023-2024 kan worden vastgesteld.
III. Intimidatie op grond van handicap
A. Algemene beginselen
Intimidatie op grond van handicap vindt plaats wanneer:
- zich ongewenst gedrag voordoet;
- dat verband houdt met handicap;
- en dat tot doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast en een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd.[15]
De indienster van de klacht voert aan dat:
- de school voor haar zoon geen inclusieve omgeving gecreëerd heeft en haar zoon psychologisch mishandeld heeft;
- door onvoldoende rekening te houden met zijn noden en hem uit te sluiten omwille van zijn autisme;
- waaraan hij een diep gevoel van afwijzing en discriminatie heeft overgehouden.
De Geschillenkamer onderzoekt of een intimidatie bewezen is in twee stappen. De eerste stap is vervuld als de indiener van de klacht feiten kan aanvoeren die het bestaan van een discriminatie kunnen doen vermoeden. Als de indiener van de klacht een vermoeden van discriminatie kan aanvoeren, moet de verweerder vervolgens kunnen bewijzen dat er geen sprake is van een discriminatie, door het vermoeden van discriminatie te weerleggen.[16]
B. Intimidatie niet aannemelijk gemaakt
De indienster van de klacht verwijst naar de volgens haar onevenredige straffen voor haar zoon en naar het verbod om na de les te ontspannen. Ze stelt ook dat de school haar zoon maanden in onzekerheid hield over zijn deelname aan de schoolreis en aan het schoolfeest.
Zoals de Geschillenkamer hierboven (zie I.B-C) heeft geoordeeld, is niet aannemelijk gemaakt dat de leerling onevenredig gestraft werd of dat hij na de les geen mogelijkheden had om te ontspannen. Voor de indienster van de klacht blijkt de intimidatie ook uit de onzekerheid voor de leerling over zijn deelname aan de schoolreis en aan het schoolfeest. Zoals de Geschillenkamer hierboven heeft geoordeeld (zie II.C), is niet aannemelijk gemaakt dat de leerling eerst was uitgesloten van het schoolfeest.
Het feit dat de leerling eerst mee mocht op de schoolreis en dat de school daar later op terugkwam, kan op zichzelf niet volstaan om aannemelijk te maken dat er sprake was van een intimidatie die verband houdt met het autisme van de leerling. De school meende in maart 2024 dat de leerling zou meekunnen op basis van de informatie die de school toen had. Toen ze vaststelde dat ze geen extra begeleiding geregeld kon krijgen en op basis van de dagelijkse klassituatie, maakte ze later de inschatting dat de leerling toch niet op een voor iedereen veilige manier zou kunnen deelnemen. De veranderingen in de boodschap waren dus ingegeven door de veranderingen in de situatie zoals de school die inschatte.
Ten slotte stelt de indienster van de klacht nog dat de klasleerkracht zijn tevredenheid had geuit omdat de leerling van school ging veranderen. Het onderdeel van de boodschap op het rapport van de leerling over zijn schoolwissel, luidde:
“Je gaat nu van school veranderen en ik denk dat dit heel goed voor jou zal zijn. Op die school ga je meer ondersteuning krijgen en ga je in kleinere klasjes zitten. Het is een nieuwe start voor jou en grijp die met je beide handen. Toon daar eens wat je allemaal kan want je kan heel veel!”
Daaruit kan niet worden afgeleid dat de leerkracht blij was dat de leerling naar een andere school zou gaan of op een andere manier negatief naar de leerling wilde communiceren op het einde van het schooljaar. Deze boodschap kan dus niet bijdragen aan een vermoeden van intimidatie.
Uit het dossier komt ook niet naar voren dat de school in het algemeen niet tegemoet wilde komen aan de noden van de leerling (zie hierboven I.E) of dat sprake zou zijn geweest van psychologische mishandeling.
De Geschillenkamer is daarom van oordeel dat er geen intimidatie op grond van handicap kan worden vastgesteld.
Oordeel van de Geschillenkamer
Om die redenen oordeelt de Geschillenkamer:
- dat er sprake is van een weigering van redelijke aanpassingen en een directe discriminatie op grond van handicap overeenkomstig het Gelijkekansendecreet wat betreft de meerdaagse schoolreis in juni 2024;
- dat er voor het overige geen tekortkomingen op vlak van redelijke aanpassingen, geen directe discriminatie op grond van handicap met betrekking tot het schoolfeest en geen intimidatie op grond van handicap overeenkomstig het Gelijkekansendecreet kan worden vastgesteld.
Aanbevelingen van de Geschillenkamer
Om de vastgestelde discriminatie te beëindigen, beveelt de Geschillenkamer de school aan:
- als structurele aanbeveling, een beleid uit te werken waarbij de school ruim voorafgaand aan een schoolreis nagaat welke redelijke aanpassingen ze kan treffen voor leerlingen met een handicap zodat zij kunnen deelnemen.
Voetnoten
- Art. 13, § 5 VMRI-decreet.
- Art. 13, § 4 VMRI-decreet.
- Artikel 16, § 6, VMRI-Decreet.
- Artikel 19 Gelijkekansendecreet.
- Artikel 36, §1 Gelijkekansendecreet.
- Zie Algemene opmerking nr. 6 (2018) over gelijkheid en non-discriminatie van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 25.
- Zie Algemene opmerking nr. 6 (2018) over gelijkheid en non-discriminatie van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 25.
- Zie artikel 19 Gelijkekansendecreet en Algemene opmerking nr. 6 (2018) over gelijkheid en non-discriminatie van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 25- 26.
- Zie o.m. Parl. St. Vlaanderen, 2023-2024, nr. 1937/1, p. 39 & 71-73. Algemene opmerking nr. 4 (2016) over het recht op inclusief onderwijs van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 30; Algemene opmerking nr. 6 (2018) over gelijkheid en non-discriminatie van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 24 en 26. Europees Hof voor de Rechten van de Mens 23 februari 2016, nr. 51500/08, Çam t. Turkije, § 68-69 en 30 januari 2018 nr. 23065/12, Enver Şahin t. Turkije § 69-72.
- Artikel 16, §1 Gelijkekansendecreet.
- Zie bv. Hof van Justitie 15 juli 2021, C-795/19, XX t. Tartu Vangla, § 46-52.
- Artikel 36, §1 Gelijkekansendecreet.
- Artikel 36, §4, Gelijkekansendecreet
- Vergelijk Hof van Justitie 26 januari 2021, C-16/19, VL. t. Szpital Kliniczny im. dra J. Babińskiego Samodzielny Publiczny Zakład Opieki Zdrowotnej w Krakowie, §44-48.
- Artikel 17, §1 Gelijkekansendecreet.
- Artikel 36, §1 Gelijkekansendecreet.