Overslaan en naar de inhoud gaan

School De Berk weigert een redelijke aanpassing door een leerling met een meervoudige beperking een alternatieve route naar de school te weigeren

info

Samenvatting oordeel

Situatie 

Een vrouw diende klacht in als wettelijk vertegenwoordigster van haar minderjarige dochter. Haar dochter heeft een motorische en een verstandelijke beperking. Ze is ingeschreven op basisschool De Berk, de verweerster in deze zaak.

De school heeft de voorbehouden plaatsen voor personen met een parkeerkaart voor personen met een handicap, zoals de indienster van de klacht, verplaatst van de personeelsparking naar de parking voor bezoekers. Voor de dochter van de indienster van de klacht is de route van en naar de school daardoor langer geworden. De indienster van de klacht stelt dat de verplaatsing bijkomende obstakels creëert voor haar dochter omwille van haar beperking. Ze heeft de school gevraagd om voor haar dochter een alternatieve route toe te staan als redelijke aanpassing. Volgens de school zijn aangepaste routes niet mogelijk om veiligheidsredenen. 

Beoordeling door de Geschillenkamer

 De Geschillenkamer moest in deze zaak onderzoeken of er sprake was van een discriminerende weigering van redelijke aanpassingen aan een persoon met een handicap.

Redelijke aanpassingen in het onderwijs zijn aanpassingen waarop een persoon met een handicap recht heeft om te verzekeren dat die ten volle, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid kan deelnemen aan het onderwijs. De Geschillenkamer stelde vast dat de dochter van de indienster van de klacht beperkingen ervaart in haar toegang tot de school wanneer zij haar schooldag begint en eindigt op het schoolterrein en dus in haar gelijkwaardige participatie aan het onderwijs. 

Volgens de school maakte de voorgestelde redelijke aanpassing, namelijk een kortere toegangsroute afgestemd op de noden van de dochter van de indienster van de klacht vanaf de personeelsparking of de parking voor de bussen, een onevenredige belasting uit. De school stelde dat de voorgestelde alternatieven niet op een veilige manier voor alle weggebruikers in de schoolomgeving gerealiseerd kunnen worden. Voor de Geschillenkamer toont de school echter niet aan dat de gevraagde redelijke aanpassing daar afbreuk aan zou doen. 

Als een heel aantal (groot)ouders van kinderen tegen de doelstellingen van de school zouden gebruik maken van de personeelsparking en de parking voor bussen, kunnen inderdaad onveilige verkeerssituaties ontstaan. De Geschillenkamer stelt echter vast dat de gevraagde aanpassing geen dergelijke voorzienbare impact heeft aangezien die wordt gevraagd omwille van een specifieke handicapsituatie die zich voor de overgrote meerderheid van de leerlingen op de school niet stelt. Een uitzondering op de parkeerafspraken op de schoolcampus zou voor een zeer beperkte groep zijn. 

De school heeft niet aangetoond dat een alternatief waarbij de indienster van de klacht een voorbehouden parkeerplaats op de personeelsparking kan gebruiken, op een tijdstip kort voor of na de verkeersvrije momenten op die parking, de verkeerscirculatie en bijhorende veiligheidsrisico’s significant zou verhogen. Buiten de verkeersvrije momenten wordt de parking ook door leveranciers gebruikt. Bovendien bleek dat de school ook nu en in het verleden toegelaten heeft dat ouders in bepaalde situaties de personeelsparking gebruiken. Ook de mogelijkheden om op de parking voor de bussen een beperkte afzonderlijke parkeerzone te voorzien voor wie omwille van een handicap nood heeft aan een kortere route, zeker wanneer hiervoor een ander tijdstip dan voor het busverkeer wordt afgesproken, leken nog niet volledig onderzocht. 

De school kan bij de handhaving van het systeem bijkomende waarborgen tegen misbruik invoeren door de uitzonderingsregeling verder te formaliseren. Zo kan zij in de communicatie van de parkeerafspraken aangeven dat beperkte uitzonderingen op het parkeerbeleid op grond van bepaalde specifieke ondersteuningsnoden aangevraagd kunnen worden. Zij kan deze toestemming ook schriftelijk geven in een visueel makkelijk te herkennen document zodat ze met een eenvoudige visuele controle kan vaststellen aan wie de uitzondering is toegestaan. Ook op vlak van handhaving en organisatorische impact is dus geen onevenredige belasting aangetoond. 

Oordeel

Om die redenen oordeelt de Geschillenkamer dat er sprake is van een weigering van redelijke aanpassingen voor een persoon met een handicap overeenkomstig het Gelijkekansendecreet.

Aanbevelingen van de Geschillenkamer 

Om deze discriminaties te beëindigen, beveelt de Geschillenkamer de school aan om:

  • als individuele maatregel, voor de indienster van de klacht een kortere route op maat van de noden van haar dochter mogelijk te maken, bijvoorbeeld door haar toe te laten te parkeren op een voorbehouden plaats op de parking voor personeel op tijdstippen kort voor of na de verkeersvrije momenten of voor bussen kort voor of na de tijdstippen voor het busverkeer;
  • als structurele maatregel, de redelijke aanpassing ook te bieden aan de andere ouders, wiens kinderen gelijkaardige noden hebben;
  • als structurele maatregel, bij een vraag om een uitzondering op haar parkeerbeleid, steeds na te gaan of sprake is van een redelijke aanpassing omwille van handicap die geen onevenredige belasting zou uitmaken.

Volledig oordeel

De Geschillenkamer, samengesteld uit voorzitter Yves Thiery, bijzitter Sarah Lambrecht en bijzitter Marie Spinoy, en bijgestaan door griffier Dorien Geeroms, spreekt het volgende oordeel uit:

Procedure

De Geschillenkamer heeft de klacht ontvangen op 26 september 2025.

De fase van het uitwisselen van standpunten en overtuigingsstukken werd afgerond op 12 januari 2026.

De Geschillenkamer ontving volgende stukken: 

  • het standpunt van de verweerster van 4 november 2025
  • het antwoord van de indienster van de klacht van 4 december 2025
  • het antwoord van de verweerster van 12 januari 2026.

De Geschillenkamer behandelde de zaak tijdens een hoorzitting op 24 februari 2026. De indienster van de klacht was zelf aanwezig. De verweerster werd vertegenwoordigd door twee personeelsleden. 

Een klacht wordt pas doorgestuurd naar de Geschillenkamer nadat een (poging tot) bemiddeling is doorlopen bij de afdeling Eerstelijnsdienst en Bemiddeling van het Vlaams Mensenrechteninstituut.[1] Omwille van de vertrouwelijkheid van de bemiddeling mag de Geschillenkamer niet geïnformeerd worden over wat er zich tijdens de bemiddeling heeft afgespeeld.[2] 

De Geschillenkamer beslist om een passage uit het eerste standpunt van de verweerster (op pagina 24) uit het dossier te weren omdat deze passage inhoudelijk over de bemiddelingspoging gaat.

Feiten

Een vrouw diende klacht in als wettelijke vertegenwoordigster van haar minderjarige dochter. Haar dochter heeft een motorische en een verstandelijke beperking. Omwille van haar motorische beperking kan ze maar heel moeizaam stappen. Deze inspanning wordt ook groter naargelang ze een verdere afstand moet afleggen. Haar dochter gaat naar basisschool De Berk, een school voor buitengewoon onderwijs in Hasselt met onder meer een onderwijsaanbod voor kinderen met een verstandelijke beperking (‘type 2’ in de indeling van het buitengewoon basisonderwijs). De Berk is de verweerster in deze zaak. 

Het schoolcomplex van De Berk bestaat uit meerdere gebouwen en is gelegen in een rustig gebied achter een aantal huizen die grenzen aan een smalle straat. Tot 2016 had de school één parking voor personeel en bezoekers. Ouders die hun kinderen afzetten aan de school, parkeerden hun wagen in de smalle straat waaraan de school ligt. Ook bussen voor leerlingenvervoer stopten in die straat. Sinds 2016 heeft de school drie parkings:

  • de bestaande parking die nog steeds gebruikt wordt door personeelsleden en leveranciers. Deze parking ligt vlak naast de schoolpoort. De toegang tot deze parking verloopt via de nieuwe parking voor bezoekers.
  • Een nieuwe parking voor bezoekers, in de eerste plaats (groot)ouders die hun (klein)kinderen komen afzetten. Deze parking ligt iets verder van de school en grenst aan de oude parking en aan de smalle straat waaraan de school ligt.
  • Een afzonderlijke parking voor de schoolbussen. Deze parking ligt aan de andere kant van het schoolcomplex, naast het gebouw waarin leerlingen met meervoudige beperkingen les krijgen. 

In 2017 heeft de school twee parkeerplaatsen op de personeelsparking, aan de kant van de schoolpoort, bestemd tot plaatsen voorbehouden voor wie een parkeerkaart heeft voor personen met een handicap. Ook ouders met een parkeerkaart konden die plaatsen gebruiken. In 2022 heeft de school die plaatsen verplaatst naar de andere kant van de personeelsparking. 

Eind 2024 heeft de school de twee voorbehouden parkeerplaatsen verplaatst van de personeelsparking naar de parking voor bezoekers, wat de route van deze plaatsen tot de ingang van de school ongeveer 70 meter langer maakte. In 2025 heeft de school het aantal voorbehouden parkeerplaatsen op de bezoekersparking verdubbeld (naar vier). 

Voor de dochter van de indienster van de klacht is de route van en naar de school daardoor dus langer geworden. Ze stelt dat de verplaatsing bijkomende obstakels creëert voor haar dochter en heeft de school gevraagd om alternatieven toe te staan als redelijke aanpassing. De school heeft dit geweigerd. 

De Geschillenkamer heeft de klacht ontvangen op 26 september 2025.

Standpunten partijen

Standpunt indienster klacht

Volgens de indienster van de klacht is er sprake van een weigering van redelijke aanpassingen voor haar dochter die een meervoudige beperking heeft. De veranderde locatie van de voorbehouden plaatsen maakt de route van de parkeerplaats naar de ingang van de school voor haar dochter, omwille van haar meervoudige beperking, erg moeilijk en bemoeilijkt haar deelname aan het onderwijs. 

Volgens de indienster van de klacht brengen de nieuwe parkeerplaatsen een grotere belasting met zich mee voor kinderen met motorische beperkingen, zoals haar dochter. De nieuwe route gaat door een drukke speelplaats, via een smalle doorgang en met verhoogde prikkelbelasting en fysieke obstakels. Voor kinderen met motorische beperkingen gaat het niet zozeer om ‘maar’ 70 meter verder stappen, zoals de school stelt. Het gaat om verhoogd energieverbruik, verhoogde spierbelasting, hogere kans op vermoeidheid, en pijn of overprikkeling. Op die manier moeten kinderen met een motorische beperking aan het begin van de schooldag een grote inspanning leveren die hun volledige schooldag beïnvloedt. Dit vormt een dagelijkse belasting, zowel bij de aankomst op als het vertrek van de school. De belasting heeft een impact op het concentratievermogen, het gedrag en de regulatie, de fysieke draagkracht en de mogelijkheid van de betrokken kinderen om deel te nemen aan het onderwijs. 

Volgens de indienster van de klacht zijn er wel haalbare, veilige en minder belastende alternatieven die de school niet heeft onderzocht. Ze vraagt geen terugkeer naar de oude situatie maar stelt een alternatieve toegang via de achterzijde van het schooldomein voor, aan de busparking. Dat alternatief ligt vlak bij de gebouwen van de betrokken kinderen, is minder prikkelrijk en vereist maximaal 90 (in plaats van de huidige 280) stappen. Het alternatief zorgt dus voor een minder belastende route en kan worden uitgevoerd zonder nieuwe infrastructuurwerken.

De indienster van de klacht geeft daarnaast aan dat het gratis busvervoer voor haar dochter geen gelijkwaardig alternatief uitmaakt. Ze wijst erop dat niet alle kinderen met motorische beperkingen veilig op een bus kunnen. Sommige kinderen hebben medische nood aan ouderbegeleiding. Busvervoer verhoogt ook de prikkelbelasting en onzekerheid voor het kind. De route die zij voorstelt, is veilig voor iedereen. De school erkent dit volgens haar ook door de route te omschrijven als veilig voor de kinderen die van de bus stappen. 

Volgens de indienster van de klacht weigert de school in dialoog te gaan over deze voorgestelde aanpassing en weigert het deze en andere voorstellen die ze gedaan heeft zonder enige analyse of risico-inschatting. Het enige tegenargument dat de school heeft gegeven, namelijk dat de bussen die op dezelfde route rijden gevaarlijk zouden zijn, is volgens haar niet onderbouwd. Zij wijst erop dat de bussen maar in één richting rijden op de parking en volledig stilstaan totdat alle kinderen van boord zijn. Er is ook een zebrapad aanwezig. 

Voor de indienster van de klacht vindt de school 98% van de leerlingen belangrijker dan de 2% die omwille van hun beperking extra nood hebben aan dichtere parkeerplaatsen. De school geeft zelf aan dat het om slechts 2% van de leerlingen gaat maar stelt dan ten onrechte dat bijna 50% van de ouders op de school een parkeerkaart zou kunnen hebben. Volgens de indienster van de klacht gebruikt de school deze uitspraak om geen redelijke aanpassing te moeten doen. Ze wijst erop dat slechts twee categorieën van kinderen een parkeerkaart voor kinderen met een handicap kunnen krijgen en dat deze twee groepen ook onderling verschillende noden hebben:

  • kinderen met motorische beperkingen: deze groep is heel beperkt in aantal binnen type 2-onderwijs en heeft nood aan verkorte, veilige en prikkelarme routes;
  • kinderen vanaf ongeveer 12 jaar met zeer zware verstandelijke beperkingen die niet zelfstandig aan het verkeer mogen deelnemen: deze kinderen hebben nood aan een veilige maar niet aan een verkorte route. 

De school maakte in haar standpunt en in eerdere gesprekken onterecht de vergelijking tussen enerzijds ouders van kinderen met motorische beperkingen en anderzijds ouders die simpelweg dichterbij willen parkeren, personen die tijdelijk slecht te been zijn of grootouders die uit comfort dichtbij willen parkeren. De indienster van de klacht wijst erop dat een parkeerkaart voor kinderen met motorische beperkingen is gebaseerd op strikte medische criteria, permanent is, en geen kwestie is van voorkeur of comfort. Hun situatie verschilt dan ook van deze andere groepen. De school spreekt volgens haar onterecht over al die situaties alsof ze allemaal vergelijkbaar zijn. Het gelijkstellen van een ernstige, erkende ondersteuningsnood met het gemaksgedrag van andere gebruikers is onjuist en draagt volgens de indienster van de klacht bij aan indirecte discriminatie. 

Volgens de indienster van de klacht blijkt de discriminerende houding van de school ten slotte uit de stelling van de school dat zij niet tegemoet moet komen aan motorische beperkingen (‘type 4’ in de indeling van het buitengewoon basisonderwijs) omdat zij geen type 4-school zou zijn. Volgens haar heeft de directie gezegd dat kinderen in dat geval “thuishoren in type 4”. 

Standpunt verweerster

Volgens de school is er geen sprake van discriminatie en bevat de klacht foute en ongenuanceerde uitspraken en valse beschuldigingen. De school ontkent ook dat zij op discriminerende wijze over de dochter van de indienster van de klacht heeft gesproken.

De school wil ten eerste benadrukken dat ze sinds 2015 veel tijd, energie en (financiële) inspanningen heeft geleverd om een veilige schoolomgeving voor alle kinderen te creëren. De huidige parkeersituatie is er gekomen op advies van de preventie-adviseur en is volgens de school veel veiliger voor alle kinderen, ouders, collega’s en fietsers. De school benadrukt dat ze moet denken aan ieders veiligheid en zeker aan de zwakke weggebruikers en kinderen. De school heeft daarvoor veel van haar spaargeld ingezet, dat daarom niet voor schoolse zaken kon worden gebruikt. Hoewel de parkeerplaatsen inderdaad 70 meter verder liggen van de toegang tot het klaslokaal (300 meter stappen in plaats van 230 meter), zijn de plaatsen veiliger. De deelname aan de lessen wordt hierdoor niet bemoeilijkt, in tegenstelling tot wat de indienster van de klacht beweert. De afstand van de parking tot de klas verandert immers niets aan het onderwijs in de klas. 

De school wijst er ook op dat scholen niet wettelijk verplicht zijn parkeerplaatsen te voorzien voor bezoekers of parkeerplaatsen voor personeel open te stellen voor wie een parkeerkaart voor personen met een handicap heeft. 

In 2015 kreeg de school toestemming om, naast de bestaande personeelsparking naast de schoolpoort, de bezoekersparking en de parking voor bussen aan te leggen. Deze parking wordt ook gebruikt door twee andere scholen voor buitengewoon onderwijs die aan die parking grenzen. De nieuwe bezoekersparking werd voor 70% gesubsidieerd door de overheid. De overige 30% moest de school zelf betalen. Vanaf 1 september 2016 konden ouders de nieuwe bezoekersparking gebruiken en hun kinderen veiliger begeleiden tot aan de schoolpoort. Voordien moesten ze immers op straat parkeren, zonder toegang tot een voetpad of fietspad, en een smalle toegangsweg gebruiken waardoor veel verkeer reed. 

In 2017 heeft de school op de personeelsparking, vlak aan de schoolpoort, twee plaatsen voor houders van een parkeerkaart voor personen met een handicap voorzien. Deze situatie bleek volgens de school gevaarlijk te zijn omdat die auto’s dan achteruitreden terwijl er nog veel voetgangers en fietsers op die weg waren. Er waren ook te veel gebruikers voor de voorbehouden parkeerplaatsen, zodat er te veel extra circulatie was op de oude parking. Verschillende groepen gebruikten de parkeerkaart: (groot)ouders die minder mobiel zijn en een kaart hebben, (groot)ouders van kinderen die minder mobiel zijn en geen kaart hebben, (groot)ouders van kinderen die tijdelijk in een rolstoel zitten en vinden dat zij ook recht hebben op die plekken, en ouders die het gemakkelijker vinden om dichterbij te staan. Volgens de school konden bovendien te veel (groot)ouders gebruik maken van de plaatsen omdat veel ouders een parkeerkaart hebben voor hun kind met een beperking. 

Na meerdere overlegmomenten met het Comité ter Preventie en Bescherming op het Werk (CPBW), heeft de school in 2022 een preventie-adviseur aangeworven. Met de preventie-adviseur heeft de school besloten om de voorbehouden parkeerplaatsen te verplaatsen naar de andere kant van de personeelsparking. Ook hierna bleef de situatie echter gevaarlijk bij de start en het einde van de schooldag, tussen 8u30 en 9u en van 15u tot 15u30, wanneer daar veel kinderen, ouders en personeelsleden langsliepen. Veel ouders wilden nog altijd zo dicht mogelijk parkeren, ook zonder een parkeerkaart. Ouders bleven soms ook rondjes rijden tot er een plekje vrijkwam. Dat zorgde voor onveilige en levensgevaarlijke situaties voor fietsers en wandelaars. Deze problemen werden aangekaart tijdens het CPBW, op personeelsvergaderingen, op het oudercomité, tijdens de schoolraad en op andere overlegmomenten.

Uiteindelijk besloot de school in december 2024 om, vanaf januari 2025, de parkeerplaatsen voor personen met een parkeerkaart voor personen met een handicap te verplaatsen naar de parking voor bezoekers. De school heeft toen ook besloten dat er geen wagens op de toegangsweg naar de personeelsparking en de schoolpoort mochten rijden tussen 8u30 en 9u00 en tussen 15u00 en 15u30. Dat verbod geldt ook voor personeelsleden en voor leveranciers. De school wilde namelijk een verkeersarme situatie creëren op die tijdstippen. De nieuwe verkeerssituatie werd toegelicht op de verschillende overlegcomités en opgenomen in het infoboekje voor ouders van december 2024. In januari 2025 bleek de maatregel volgens de school voor een veiligere toegangsweg te hebben gezorgd. Wel werd duidelijk dat verschillende (groot)ouders met een parkeerkaart voor personen met een handicap ontevreden waren over de aanpassing. 

Om aan de wensen van ouders met een parkeerkaart voor personen met een handicap tegemoet te komen, heeft de school het aantal voorbehouden parkeerplaatsen verdubbeld (naar vier) na de paasvakantie in 2025. Ze heeft de parkeerplaatsen toen ook breder gemaakt, zodat ze voldoen aan de voorschriften.  Op eigen kosten heeft de school in de zomer van 2025 ook twee nieuwe voetpaden aangelegd op de bezoekersparking, om de voetgangers nog meer te scheiden van de auto’s en fietsers. Vanaf de parkeerplaatsen voor personen met een handicap loopt er sinds augustus 2025 ook een beklinkerd paadje naar de toegangsweg naar de schoolpoort. Zo hebben alle bezoekers, ook met een rolstoel of buggy, een vaste ondergrond tot aan de schoolpoort. 

De school erkent dat ze de ouders met een parkeerkaart voor personen met een handicap had moeten betrekken bij de beslissing en had kort na de verandering in januari 2025 een overleg met drie betrokken ouders, waaronder de indienster van de klacht. De directeur heeft zich daarvoor ook verontschuldigd en op verschillende momenten samengezeten met de betrokken ouders. De school is bij haar standpunt gebleven omdat de voorgestelde aanpassingen niet veilig zijn voor alle leerlingen. Het voorstel om de parking voor bussen te gebruiken en daar eventueel extra parkeerplaatsen voor de ouders te creëren, is volgens de school gevaarlijk omdat ze dan op een plaats waar tweemaal per dag 36 bussen moeten passeren, extra verkeer moet toelaten. De school stelt daarnaast vast dat één van de drie betrokken ouders zich niet aan de afspraken houdt en de toegangsweg toch blijft gebruiken. 

De school stelt daarnaast dat veel ouders een parkeerkaart hebben voor hun kind met een beperking. Het gebruik van voorbehouden parkeerplaatsen op de personeelsparking zorgde ervoor dat te veel ouders die parking gebruikten. Alle kinderen op de school hebben een beperking, soms een meervoudige beperking, maar niet alle ouders hebben een parkeerkaart. Veel ouders willen zo dicht mogelijk parkeren en zo weinig mogelijk tijd verliezen. Dat zorgde voor onveilige en levensgevaarlijke situaties. 

De school geeft aan dat de meerderheid van haar leerlingen een meervoudige beperking heeft. Op de school zitten 530 kinderen waarvan volgens haar bijna 50% een ontwikkelingsachterstand of leerstoornis heeft in combinatie met autisme. Er zijn ook kinderen met een ontwikkelingsachterstand en een visuele of auditieve beperking. Bijna al deze kinderen hebben recht op gratis busvervoer naar school. Zij worden thuis opgehaald en waar nodig zorgt de school voor speciale zetels of veiligheidsriemen in de bus. Wanneer de kinderen van de bus afstappen worden zij door een groot team vrijwillige collega’s geholpen op weg naar de speelplaats of naar de klas. De afstapplaats van de bussen ligt ook vlak bij het schoolgebouw voor leerlingen met een meervoudige beperking. Volgens de school kan de dochter van de indienster van de klacht gebruik maken van deze gratis bussen.

De school benadrukt ten slotte dat zij een school voor buitengewoon onderwijs is voor drie types: basisaanbod, type 2 en type 9. Omdat zij geen type 4-school is, heeft zij onvoldoende voorzieningen en aanpassingen voor kinderen met een motorische beperking of voor kinderen in een rolstoel. De meeste klaslokalen en therapieruimtes liggen wel op het gelijkvloers, maar de school kan niet dezelfde dienstverlening aanbieden als een type 4-school. De school geeft daarbij aan dat de kinderen in een gelijkaardige situatie als de dochter van de indienster van de klacht geen 2% van haar leerlingenaantal uitmaken. Dat is een overdreven hoog aantal. 

Beoordeling door de Geschillenkamer 

De indienster van de klacht stelt dat de huidige locatie van de parkeerplaatsen voor personen met een parkeerkaart voor personen met een handicap obstakels creëert voor haar dochter die een meervoudige beperking heeft. Volgens haar zijn er aanpassingen mogelijk die de obstakels zouden wegnemen en weigert de school die onterecht. 

De Geschillenkamer moet in deze zaak onderzoeken of er sprake is van een weigering van redelijke aanpassingen voor een persoon met een handicap. 

I. Weigering van redelijke aanpassingen

A. Algemene beginselen

Redelijke aanpassingen in het onderwijs zijn aanpassingen waarop een persoon met een handicap recht heeft om te verzekeren dat die ten volle, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid kan deelnemen aan het onderwijs. Die aanpassingen moeten obstakels voor een gelijkwaardige participatie voor de persoon met een handicap wegnemen.

Een weigering van redelijke aanpassingen voor leerlingen met een handicap in het onderwijs vindt plaats wanneer: 

  • een leerling met een handicap een beperking ervaart in diens gelijkwaardige participatie in het onderwijs;
  • de leerling redelijke aanpassingen vraagt die de obstakels voor gelijkwaardige participatie in het onderwijs kunnen wegnemen of verminderen;
  • en de school de redelijke aanpassingen weigert, ook al betekenen ze geen onevenredige belasting voor de school. [3]

De indienster van de klacht moet feiten aanvoeren die een weigering van redelijke aanpassingen kunnen doen vermoeden. Het is dan aan de verweerster om te bewijzen dat de gevraagde aanpassingen onredelijk zijn of een onevenredige last zouden betekenen.

De indienster van de klacht stelt:

  • dat haar dochter, die meerdere beperkingen heeft, obstakels ondervindt in haar toegang tot de school als gevolg van de verplaatste locatie van de parkeerplaatsen voor personen met een parkeerkaart voor personen met een handicap (beperking in gelijkwaardige participatie in de samenleving);
  • dat er volgens haar aanpassingen mogelijk zijn waardoor zij te voet een traject van de auto naar de school kan doen met haar dochter dat voor haar dochter haalbaar is, bijvoorbeeld door een aantal voorbehouden parkeerplaatsen toe te voegen op de parking voor bussen (aanpassing die obstakels voor de gelijkwaardige participatie voor de persoon met een handicap wegnemen); en
  • dat de school aanpassingen afwijst hoewel er eenvoudige en haalbare alternatieven zijn (geen onevenredige belasting).   

Volgens de school zijn er geen aanpassingen mogelijk zonder de veiligheid van anderen in gevaar te brengen.

B. Beperking in de gelijkwaardige participatie

De indienster van de klacht heeft op de zitting verder toegelicht op welke manier haar dochter obstakels ondervindt op de huidige toegangsweg van de parkeerplaatsen voor personen met een parkeerkaart voor personen met een handicap. Haar dochter heeft zowel een verstandelijke beperking als een motorische beperking waardoor ze voor het CLB op het kruispunt zit van het onderwijsaanbod voor type 2 en type 4 in het buitengewoon onderwijs. Uiteindelijk hebben haar ouders haar ingeschreven op een type 2 school en geven ze thuis extra ondersteuning voor de motorische beperking. 

Haar dochter heeft heel lang niet gestapt. Intussen kan ze stappen maar vraagt elke stap veel energie en inzet. De inspanning wordt zwaarder hoe langer de afstand is maar ook wanneer er oneffenheden (bijvoorbeeld door een onverhard wegdek) of hoogteverschillen op de route zijn. Haar dochter is omwille van haar beperkingen ook gevoelig voor prikkels waardoor een verplaatsing moeilijker is als die door een prikkelrijke omgeving, zoals de toegangsweg voor alle bezoekers, loopt. Tegelijk is het belangrijk voor haar ontwikkeling dat haar ouders haar stimuleren om vooruit te gaan in het stappen. Daarom is het ook geen alternatief dat haar ouders haar telkens vanuit een rolstoel naar de school rijden. Op de huidige langere toegangsroute moesten ze dat nu soms toch doen omdat de afstand te lang was. Daarom heeft zij de school gevraagd een aanpassing toe te staan waardoor zij met haar dochter van de auto naar de school kan stappen op een traject dat voor haar dochter effectief bewandelbaar is.

De school betwist niet dat de dochter van de indienster van de klacht deze beperkingen ervaart in haar route naar de school. 

De Geschillenkamer stelt dan ook vast dat de dochter van de indienster van de klacht beperkingen ervaart wanneer zij haar schooldag begint en eindigt op het schoolterrein en dus in haar gelijkwaardige participatie aan het onderwijs. 

Volgens de school hebben die obstakels geen impact op haar deelname aan het onderwijs in de klas en verandert de afstand van de parking tot de klas niets aan het onderwijs in de klas.

De Geschillenkamer kan de visie van de school op dit vlak niet bijtreden. Het is aannemelijk dat de zwaardere inspanning van de dochter van de indienster van de klacht aan het begin van de schooldag ook een impact heeft op haar concentratievermogen, gedrag, fysieke draagkracht en energie om deel te nemen aan het onderwijs. De school weerlegt dit niet. 

C. Redelijke aanpassingen

De Geschillenkamer onderzoekt in deze stap of de aanpassing die de indienster van de klacht vraagt, met name het beschikbaar maken van een toegankelijke route voor haar dochter, redelijk is. In haar standpunt wees ze als alternatief op de mogelijkheid van voorbehouden parkeerplaatsen op de parking voor bussen, aangezien die parking vlak bij het lesgebouw van haar dochter ligt, minder prikkelrijk is en haar dochter dan aanzienlijk minder stappen moet zetten. Tijdens de zitting verduidelijkte ze dat ook andere alternatieven die een kortere verplaatsing met geen of minder andere obstakels vragen een redelijke aanpassing zouden kunnen vormen, zoals het mogen gebruiken van een parkeerplaats op de personeelsparking.

Een aanpassing is redelijk als ze ervoor kan zorgen dat de persoon met een handicap gelijkwaardig kan deelnemen in de samenleving. De aanpassing moet, met andere woorden, haar doel bereiken en afgestemd zijn op de behoeften van de persoon met een handicap. De redelijkheid van een aanpassing verwijst dus naar de relevantie, geschiktheid en doeltreffendheid van de aanpassing voor de persoon met een handicap.[4] 

De term “redelijkheid” slaat niet op de beoordeling van de kosten van de gevraagde aanpassingen of de beschikbare middelen. Dit gebeurt in een eventuele volgende stap (voor zover de gevraagde aanpassingen redelijk zijn), waarin de Geschillenkamer nagaat of er sprake is van een onevenredige belasting.[5]

De indienster van de klacht heeft aannemelijk gemaakt dat de voorgestelde aanpassing redelijk is: de andere locaties zijn dichter bij de toegang tot de school voor haar dochter, er zijn minder prikkels omdat daar minder mensen langskomen en ze kunnen de obstakels verminderen die zij ervaart bij de verplaatsing. De Geschillenkamer oordeelt dat de voorgestelde aanpassingen redelijke aanpassingen zijn. 

De Geschillenkamer stelt daarnaast vast dat het alternatief dat de school voorstelt, namelijk om de gratis bus te gebruiken en dan via de parking voor de bussen de school binnen te gaan, geen redelijke aanpassing is. De dochter van de indienster van de klacht kan geen lange busrit doen zonder individuele begeleiding tijdens de rit. Die is niet voorzien op de gratis bussen. Ook zijn de zitplaatsen op de bus niet aangepast aan haar individuele noden. De aanpassing is dus niet afgestemd op haar behoeften en kan het doel om de obstakels weg te nemen niet bereiken. 

De school betwist niet dat de voorgestelde aanpassingen redelijke aanpassingen zijn, maar stelt wel dat ze een onevenredige belasting zouden uitmaken. 

D. Onevenredige belasting

Een vraag naar redelijke aanpassingen kan worden geweigerd als die redelijke aanpassingen een onevenredige belasting zouden betekenen. Dit concept lijnt af tot waar redelijke aanpassingen moeten worden geboden.[6] Hierbij wordt de impact van de redelijke aanpassing voor degene die haar moet doorvoeren en voor de ruimere omgeving bekeken in het licht van het doel van de aanpassing (de gelijkwaardige participatie voor de persoon met de handicap). Relevante factoren bij deze afweging zijn onder meer: de financiële en organisatorische impact van de aanpassing, de haalbaarheid van de aanpassing, de aanwezigheid van voor de hand liggende of wettelijk verplichte normen en de positieve of negatieve impact op anderen in de omgeving.[7]

De school stelt dat de voorgestelde alternatieven niet op een veilige manier voor alle weggebruikers in de schoolomgeving gerealiseerd kunnen worden en daarom een onevenredige belasting inhouden. Het is aan de school om dit te bewijzen.

De veiligheid van alle weggebruikers is een belangrijke overweging. Een redelijke aanpassing die daar afbreuk aan zou doen kan een onevenredige belasting uitmaken. De Geschillenkamer onderzoekt of is aangetoond dat dit in deze zaak het geval is.

De Geschillenkamer stelt ten eerste vast dat de school over de jaren heen heel wat inspanningen geleverd heeft en middelen heeft ingezet om voor alle leerlingen, hun (groot)ouders, het personeel en bezoekers aan de school een veilige toegang tot de school te verzekeren. De school heeft, met haar preventie-adviseur, stappen gezet om twee nieuwe parkings te kunnen aanleggen. Ze heeft ervoor gekozen om daarbij plaatsen voor te behouden voor personen met een parkeerkaart voor personen met een handicap en voor een beklinkerd pad te zorgen van deze plaatsen naar de toegangsweg naar de schoolpoort. 

De algemene inspanningen van de school tonen echter op zich niet aan dat deze individuele gevraagde aanpassing een onevenredige belasting zou uitmaken. Daarvoor moet worden nagegaan wat de impact van die aanpassing zou zijn. Wanneer een leerling met een handicap redelijke aanpassingen vraagt, moet de school nagaan welke redelijke aanpassingen aangewezen zijn en daartoe een open dialoog voeren met de leerling en diens ouder(s). Die dialoog is erop gericht de belemmeringen die de persoon met een handicap ervaart in die context in kaart te brengen en op zoek te gaan naar aanpassingen om de gelijkwaardige participatie van de persoon met een handicap zoveel als mogelijk te verzekeren.[8] De verplichting om redelijke aanpassingen te onderzoeken en te bieden wanneer die geen onevenredige belasting zouden uitmaken, geldt voor alle scholen, ook wanneer zij voor bepaalde onderwijs- en ondersteuningsnoden een bijzonder aanbod heeft. 

De Geschillenkamer heeft begrip voor de bezorgdheid van de school dat moet worden vermeden dat een heel aantal (groot)ouders van kinderen tegen de doelstellingen van de school zouden gebruik maken van de personeelsparking en de parking voor bussen. Als dat het geval zou zijn, kan de school haar doelstellingen inderdaad niet bereiken en kunnen onveilige verkeerssituaties ontstaan. De Geschillenkamer stelt echter vast dat de gevraagde aanpassing geen dergelijke voorzienbare impact heeft. De aanpassing wordt gevraagd omwille van een specifieke handicapsituatie die zich voor de overgrote meerderheid van de leerlingen op de school niet stelt. Op de zitting heeft de school bevestigd dat twee leerlingen op de school onderwijs- en ondersteuningsnoden hebben die zowel bij die van leerlingen in type 2-onderwijs als bij die van leerlingen in type 4-onderwijs aansluiten en zich dus op het kruispunt van die twee beperkingen bevinden. De indienster van de klacht en de school wezen nog op een vijftal kinderen voor wie een kortere verplaatsing ook wenselijk kan zijn omwille van een zware mentale beperking of een ernstige gedragsproblematiek. Een uitzondering op de parkeerafspraken op de schoolcampus zou dus voor een heel beperkte groep zijn. 

Uit het dossier blijkt voor de Geschillenkamer niet dat er geen mogelijkheden zijn om, zonder een onevenredige belasting op veiligheidsvlak, een gemotiveerde uitzondering op de parkeerafspraken toe te staan aan de indienster van de klacht en aan de enkele weggebruikers op de school in haar situatie. Zo heeft de school niet aangetoond dat een alternatief waarbij de indienster van de klacht een voorbehouden parkeerplaats op de personeelsparking kan gebruiken, op een tijdstip kort voor of na de verkeersvrije momenten op die parking, een aanzienlijke impact zou hebben op de schoolomgeving. Buiten de verkeersvrije momenten wordt de parking ook door leveranciers gebruikt. De verkeerscirculatie en de bijhorende veiligheidsrisico’s verhogen dus niet significant door een dergelijke uitzondering.

Tijdens de zitting bleek dat de school ook nu toelaat en in het verleden toegelaten heeft dat ouders de personeelsparking gebruiken wanneer tijdelijke situaties zoals een gebroken been of een epilepsie-aanval dat wenselijk maken. Dit gebeurt dan doordat de directeur dit zo afspreekt met de betrokken ouders. Ook heeft de school aangegeven dat zij in de praktijk gedoogt dat een van de andere ouders in een gelijkaardige situatie als de indienster van de klacht de personeelsparking op die manier gebruikt. Ze legt in een aantal situaties, wat betreft het gebruik van de personeelsparking, dus een welwillendheid aan de dag die in de praktijk een gelijkaardige belasting uitmaken als de gevraagde redelijke aanpassingen. Ook de mogelijkheden om op de parking voor de bussen een beperkte afzonderlijke parkeerzone te voorzien voor wie omwille van handicap nood heeft aan een kortere route, zeker wanneer hiervoor een ander tijdstip dan voor het busverkeer wordt afgesproken, leken nog niet volledig onderzocht op het moment van de zitting. De school heeft dus niet aangetoond dat de gevraagde redelijke aanpassing een onevenredige belasting zou uitmaken. 

De Geschillenkamer heeft begrip voor de bezorgdheden van de school dat veel (groot)ouders dichter bij de school willen parkeren en misbruik van de uitzondering zouden maken. De Geschillenkamer heeft echter vastgesteld dat de specifieke nood aan een toegankelijke en kortere route omwille van handicap, voor een zeer beperkte groep geldt. De school stelt dat heel veel ouders op de school een parkeerkaart voor personen met een handicap hebben. Het is voor de aanpassing echter niet nodig met de parkeerkaart voor personen met een handicap te werken. Niet iedereen met een parkeerkaart ondervindt immers diezelfde specifieke obstakels omwille van hun handicap als in de situatie van de indienster van de klacht. De situatie van de indienster van de klacht is bovendien makkelijk objectief af te grenzen van andere vragen om dichterbij te parkeren: de specifieke meervoudige beperking en de bijhorende noden blijken ook uit CLB-verslagen. 

De handhaving van het systeem lijkt bovendien niet wezenlijk te verschillen van wat de school aangeeft nu ook in tijdelijke situaties toe te staan. De school kan ook bijkomende waarborgen tegen misbruik invoeren door de uitzonderingsregeling verder te formaliseren. Zo kan zij in de communicatie van de parkeerafspraken aangeven dat beperkte uitzonderingen op het parkeerbeleid op grond van bepaalde specifieke ondersteuningsnoden aangevraagd kunnen worden. Zij kan deze toestemming ook schriftelijk geven in een visueel makkelijk te herkennen document zodat ze met een eenvoudige visuele controle kan vaststellen aan wie de uitzondering is toegestaan. Ook op vlak van handhaving en organisatorische impact is dus geen onevenredige belasting aangetoond.  

De school heeft ten slotte nog de bezorgdheid geuit dat zij zou discrimineren door aan ouders in de situatie van de indienster van de klacht toe te staan dichterbij te parkeren. De Geschillenkamer wijst erop dat een redelijke aanpassing, per definitie, vraagt dat aanpassingen gebeuren in een bepaalde context, op maat van een persoon met een handicap, telkens in functie van de noden van die persoon.[9] Die aanpassing verwijdert een drempel voor de persoon met een handicap, die andere personen niet ondervinden, omdat zij geen handicap of een andere handicap, met andere noden, hebben. Er is dus geen sprake van een discriminatie naar andere personen met een andere handicap om een uitzondering toe te staan voor noden die die andere personen niet (op dezelfde manier) hebben. De Geschillenkamer herinnert er in dat verband ook aan dat de vraag naar een aanpassing van een persoon met een handicap omwille van de handicap niet vergelijkbaar is met vragen van andere personen louter omwille van hun comfort.

Aangezien de school een redelijke aanpassing weigert voor een leerling met een handicap en niet heeft aangetoond dat deze een onevenredige belasting zou vormen, is er sprake van een discriminatie. 

Oordeel van de Geschillenkamer                               

Om die redenen oordeelt de Geschillenkamer dat er sprake is van een weigering van redelijke aanpassingen voor een persoon met een handicap overeenkomstig het Gelijkekansendecreet.

Aanbevelingen van de Geschillenkamer

Om deze discriminaties te beëindigen, beveelt de Geschillenkamer de school aan om:

  • als individuele maatregel, voor de indienster van de klacht een kortere route op maat van de noden van haar dochter mogelijk te maken, bijvoorbeeld door haar toe te laten te parkeren op een voorbehouden plaats op de parking voor personeel op tijdstippen kort voor of na de verkeersvrije momenten of op de parking voor bussen kort voor of na de tijdstippen voor het busverkeer;
  • als structurele maatregel, de redelijke aanpassing ook te bieden aan andere ouders wiens kinderen gelijkaardige noden hebben;
  • als structurele maatregel, bij een vraag om een uitzondering op haar parkeerbeleid steeds na te gaan of er sprake is van een redelijke aanpassing omwille van handicap die geen onevenredige belasting zou uitmaken.
Voetnoten
  1. Art. 13, § 5 VMRI-decreet.
  2. Art. 13, § 4 VMRI-decreet.
  3. Artikel 19 Gelijkekansendecreet.
  4. Zie Algemene opmerking nr. 6 (2018) over gelijkheid en non-discriminatie van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 25.
  5. Algemene opmerking nr. 6 (2018) over gelijkheid en non-discriminatie van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 25.
  6. Zie Algemene opmerking nr. 6 (2018) over gelijkheid en non-discriminatie van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 25.
  7. Zie artikel 19 Gelijkekansendecreet en Algemene opmerking nr. 6 (2018) over gelijkheid en non-discriminatie van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 25- 26.
  8. Zie o.m. Parl. St. Vlaanderen, 2023-2024, nr. 1937/1, p. 39 & 71-73. Algemene opmerking nr. 4 (2016) over het recht op inclusief onderwijs van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 30; Algemene opmerking nr. 6 (2018) over gelijkheid en non-discriminatie van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 24 en 26.  Europees Hof voor de Rechten van de Mens 23 februari 2016, nr. 51500/08, Çam t. Turkije, § 68-69 en 30 januari 2018 nr. 23065/12, Enver Şahin t. Turkije § 69-72.
  9. Zie artikel 19 Gelijkekansendecreet en Algemene opmerking nr. 6 (2018) over gelijkheid en non-discriminatie van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 25-26.

Download het oordeel

Ook interessant