School heeft onvoldoende maatregelen genomen om een leerling te beschermen tegen racisme, pesterijen en geweld
- Je kan hieronder de samenvatting van het oordeel en het volledige oordeel lezen.
- Je kan het oordeel ook downloaden in pdf-formaat.
Samenvatting oordeel
Situatie
Een vader stelt dat de school waar zijn zoon leerling was onvoldoende heeft opgetreden tegen beweerd racisme, pesten en geweld tegen zijn zoon door andere leerlingen. Zijn zoon zat op het ogenblik van de feiten in het eerste leerjaar van het secundair onderwijs.
De vader en zoon hebben een afkomst die gelegen is in Sub-Sahara Afrika. Zij hebben een zwarte huidskleur. De leerlingen die het beweerde gedrag hebben gesteld, hebben een afkomst die gelegen is in Noord-Afrika.
Aan het einde van het schooljaar ontving de zoon een oriënteringsattest C. Op het attest gaf de school aan dat hij het eerste leerjaar in het secundair onderwijs zou moeten overdoen. De school gaf het advies om dit in een andere school te doen. Hij gaat nu naar een andere school.
Beoordeling door de Geschillenkamer
De indiener van de klacht meent niet dat de school zijn zoon actief heeft gediscrimineerd op grond van zijn huidskleur, zogenaamd ras en/of etnische afstamming. Zijn klacht houdt in essentie in dat de school onvoldoende maatregelen heeft genomen om zijn zoon te beschermen tegen discriminatie door medeleerlingen. De Geschillenkamer heeft zich dan ook uitgesproken over twee overlappende vragen:
- Heeft de school de meldingen van de indiener van de klacht en van zijn zoon over racisme, pesterijen en geweld zorgvuldig onderzocht?
- Heeft de school gepaste en noodzakelijke maatregelen genomen om een discriminatievrije leeromgeving te creëren voor de leerling?
Het staat vast dat de feiten zeer ernstig waren en dat er meerdere leerlingen bij waren betrokken. Het gaat om herhaalde racistische uitspraken, agressie, pesterijen en geweld met blessures tot gevolg. In deze context, die werd gekenmerkt door een patroon van terugkerende racistische uitspraken, pesterijen en geweld, had de school een verhoogde verantwoordelijkheid en zorgplicht ten aanzien van de betrokken leerling.
De Geschillenkamer stelt vast dat de school de meldingen van de betrokken leerling en zijn vader zorgvuldig heeft onderzocht en ook maatregelen heeft genomen. Daarbij heeft de school resoluut gekozen voor herstelbemiddeling. Hoewel de Geschillenkamer het belang van herstelbemiddeling zeker erkent, stelt zij vast dat de herstelgesprekken in dit geval geen einde hebben kunnen maken aan het racisme, pesten en geweld. Om een patroon van discriminatie te doorbreken, is het op een gegeven ogenblik ook gepast en noodzakelijk om andere maatregelen te overwegen, wanneer blijkt dat herstelbemiddeling op haar grenzen botst. De enige ruimere maatregel die de school blijkt te hebben genomen, is dat de betrokken leerling op een gegeven moment zelf niet meer naar de speelplaats mocht gaan.
De Geschillenkamer besluit dan ook dat de school de meldingen over discriminatie wel zorgvuldig heeft onderzocht, maar onvoldoende maatregelen heeft genomen om de leerling effectief te beschermen tegen ernstig en herhaald racisme, pesten en geweld door andere leerlingen. De school heeft niet aangetoond dat het andere gepaste en noodzakelijke maatregelen heeft overwogen en genomen, zodra duidelijk werd dat herstelbemiddeling geen einde kon maken aan de discriminatie. Op dit vlak is er dan ook sprake van een schending van het Gelijkekansendecreet.
De Geschillenkamer heeft ook onderzocht of de school nadelige maatregelen heeft genomen tegen de vader en/of zijn zoon; en is tot de vaststelling gekomen dat dit niet het geval is. Op dit vlak kan er dus geen schending van het Gelijkekansendecreet worden vastgesteld.
Oordeel
Om die redenen oordeelt te Geschillenkamer:
- dat de school onvoldoende maatregelen heeft genomen om de zoon van de indiener van de klacht te beschermen tegen directe discriminatie, zodat er op procedureel vlak sprake is van een schending van het Gelijkekansendecreet; en
- dat de school geen represailles heeft genomen tegen de indiener van de klacht en/of zijn zoon, zodat er op dat vlak geen sprake is van een schending van het Gelijkekansendecreet.
Aanbevelingen
Om de vastgestelde discriminatie te beëindigen, beveelt de Geschillenkamer de school aan:
- als structurele maatregel, om sneller gepaste en noodzakelijke maatregelen te nemen wanneer zich een duidelijk patroon van racisme, pesten en geweld voordoet waarbij een leerling door medeleerlingen wordt geviseerd om redenen die onmiddellijk verband houden met diens beschermde kenmerken, en waarbij herstelbemiddeling niet effectief of gepast blijkt om het patroon te doorbreken.
Volledig oordeel
De Geschillenkamer, samengesteld uit voorzitter Stijn Smet, bijzitter Line Hellemans en bijzitter Koen Lemmens, en bijgestaan door griffier Dorien Geeroms, spreekt het volgende oordeel uit:
Procedure
De Geschillenkamer heeft de klacht ontvangen op 29 september 2025.
De fase van het uitwisselen van standpunten en overtuigingsstukken werd afgerond op 6 januari 2026.
De Geschillenkamer ontving volgende stukken:
- het standpunt van de verweerster van 3 november 2025
- het antwoord van de indiener van de klacht van 3 december 2025
- het antwoord van de verweerster van 6 januari 2026.
De minderjarige zoon van de indiener van de klacht werd gehoord op 18 maart 2026. Een verslag van dit horen werd toegevoegd aan het dossier.
De Geschillenkamer behandelde de zaak tijdens een hoorzitting op 3 juni 2026. De indiener van de klacht was zelf aanwezig en hij werd bijgestaan door een tolk Frans. Verweerster werd vertegenwoordigd door een personeelslid en advocaat B. De Man.
De Geschillenkamer ontvangt een klacht pas nadat een poging tot bemiddeling is doorlopen bij de afdeling Eerstelijnsdienst en Bemiddeling van het Vlaams Mensenrechteninstituut.[1] Omwille van de vertrouwelijkheid van de bemiddeling mag de Geschillenkamer niet geïnformeerd worden over wat er zich tijdens de (poging tot) bemiddeling heeft afgespeeld.[2] De Geschillenkamer beslist om een stuk uit het dossier dat inhoudelijk over de bemiddelingspoging lijkt te gaan, te weren (stuk 3 van de indiener van de klacht). Dit wil zeggen dat de Geschillenkamer met dit stuk geen rekening houdt bij haar beoordeling.
De decreetgever heeft bepaald dat de Geschillenkamer haar oordelen steeds publiek bekendmaakt en dat de anonimisering van betrokken rechtspersonen daarbij slechts uitzonderlijk kan gebeuren.[3] De Geschillenkamer is in deze zaak van oordeel dat er gewichtige redenen zijn om de naam van de verweerster (een school) niet te vermelden in het oordeel, met name om de identiteitsgegevens te beschermen van natuurlijke personen, in het bijzonder de identiteit van de betrokken leerlingen.
Feiten
De indiener van de klacht dient de klacht in voor zijn minderjarige zoon. Zijn zoon was op het ogenblik van de feiten leerling in een secundaire school in de provincie Antwerpen en de verweerster in deze zaak.
De indiener van de klacht stelt dat de school onvoldoende heeft opgetreden tegen beweerd racisme, pesten en geweld tegen zijn zoon door andere leerlingen in het schooljaar 2024-2025. Zijn zoon zat toen in het eerste leerjaar van het secundair onderwijs.
De indiener van de klacht en zijn zoon hebben een afkomst die gelegen is in Sub-Sahara Afrika. Zijn zoon heeft een zwarte huidskleur. De leerlingen die het beweerde gedrag hebben gesteld hebben een afkomst die gelegen is in Noord-Afrika.
Aan het einde van het schooljaar ontving de zoon van de indiener van de klacht een oriënteringsattest C. Op het attest gaf de school aan dat hij het eerste leerjaar in het secundair onderwijs zou moeten overdoen. De school gaf het advies om dit in een andere school te doen.
De Geschillenkamer heeft de klacht ontvangen op 29 september 2025.
Standpunten partijen
Standpunt indiener klacht
De indiener van de klacht stelt dat zijn zoon tijdens het schooljaar 2024-2025 het slachtoffer was van pesterijen, racistische beledigingen en fysieke mishandelingen door andere leerlingen. Volgens hem viseerden andere leerlingen zijn zoon omwille van zijn huidskleur, zogenaamd ras en etnische afstamming.
Hij stelt dat zijn zoon systematisch werd vernederd met racistische scheldwoorden zoals “zwarte aap”, “neger”, “aap hersenen” en “slaaf”. Dit gebeurde in persoon maar ook in berichten in een WhatsApp groep. Hij stelt dat andere leerlingen ook herhaaldelijk geweld gebruikten tegen zijn zoon, onder meer op de speelplaats, in de toiletten en tijdens een uitstap. Als gevolg van dit geweld moest zijn zoon meermaals naar het ziekenhuis. Hij verwijst tot slot naar een specifiek incident waarbij leerlingen de pennenzak van zijn zoon hebben weggenomen van zijn schoolbank, terwijl zijn zoon even weg was. Dit had een grote impact op zijn zoon, omdat hij vreesde dat hij geen toetsen kon maken zonder pennenzak.
De indiener van de klacht benadrukt dat zijn zoon fysieke blessures en ernstige mentale problemen had omwille van de pesterijen, het racisme en het gebruik van geweld. Hij belandde verschillende keren in het ziekenhuis en weigerde nog naar school te gaan. Zijn schoolprestaties leidden ook ernstig onder de situatie. Zijn zoon zou ook buiten de schoolmuren zijn gevolgd, bedreigd en geslagen door de betrokken leerlingen. Er loopt een klacht bij de politie tegen een aantal van de betrokken leerlingen.
De indiener van de klacht voert aan dat de school op de hoogte was van het probleem, maar nauwelijks actie ondernam. Hij stelt dat zijn zoon niet in deze situatie zou hebben gezeten als de school sneller en beter had opgetreden tegen het racisme, de pesterijen en het geweld.
Voor de indiener van de klacht had de school disciplinaire maatregelen moeten nemen tegen de betrokken leerlingen. Hij stelt dat de directeur aangaf bang te zijn voor escalatie als hij zou optreden tegen de leerlingen. Als vader mocht hij zijn zoon van de directie ook niet meer zelf ophalen aan de school. De directie weigerde verder een gesprek te organiseren met de ouders van de betrokken leerlingen, terwijl dit voor hem een noodzakelijke stap was om tot een oplossing te komen. Met een leerling van een andere klas had de school wel een gesprek georganiseerd. Na dat gesprek stopte het pesten door die ene leerling, waardoor zijn zoon weer liever naar school ging. Zijn punten waren na dit gesprek ook beter. Dit toont voor de indiener van de klacht aan dat de school dergelijke gesprekken met de andere leerlingen had moeten organiseren.
De school had volgens de indiener van de klacht ook transparanter moeten zijn in het opvolgen van klachten en meldingen. Hij erkent dat de school een dossier heeft opgemaakt, maar benadrukt dat de directie geen sancties heeft genomen. Zolang de pesterijen voortduurden en de verantwoordelijke leerlingen vrij rondliepen, had het opgemaakte dossier voor hem dan ook geen waarde. Bovendien had een leerkracht per ongeluk één van zijn meldingen over pesten en racisme getoond aan de hele klas van zijn zoon, via de projector. Hierdoor werd zijn zoon nog harder gepest door zijn medeleerlingen.
Zijn zoon heeft uiteindelijk een C-attest gekregen. Daarbij hield de school volgens de indiener van de klacht geen rekening met de moeilijke omstandigheden die zijn zoon tijdens het schooljaar heeft moeten trotseren. Hij wijst er ook op dat de klastitularis aan zijn vrouw heeft gezegd dat hij een slecht beeld had van de school en dat het beter was dat zijn zoon naar een ander school zou gaan. Hij benadrukt verder dat de school zijn zoon bewust slecht heeft neergezet omdat hij als vader de media en het Vlaams Mensenrechteninstituut op de hoogte had gebracht van de situatie.
Standpunt verweerster
Het is voor de school onduidelijk of de indiener van de klacht de school zelf beschuldigt van racisme en discriminatie of dat hij de school verwijt dat zij niet heeft opgetreden tegen racisme en discriminatie door medeleerlingen van zijn zoon. De school betwist in ieder geval dat zij zelf schuldig zou zijn aan racisme. De school stelt dat in de klacht en bijhorende bewijsstukken hiervan geen blijk wordt gegeven.
De school betwist ook dat zij vragen of klachten over vermeend racisme en vermeende discriminatie door medeleerlingen niet zou hebben opgevolgd. De school heeft elke vraag van de indiener van de klacht en zijn zoon consequent en snel behandeld. De school heeft verschillende bemiddelingsgesprekken georganiseerd tussen de zoon van de indiener van de klacht en de andere betrokken leerlingen. Waar nodig heeft de school leerlingen ook gesanctioneerd. Verschillende incidenten werden uitgepraat en werden daarom door de school als gesloten beschouwd. De school verwijst hiervoor naar uittreksels uit het leerlingvolgsysteem die zij bijbrengt als overtuigingsstuk.
De school erkent dat de indiener van de klacht disciplinaire maatregelen verwachtte voor de betrokken leerlingen. De school is er echter van overtuigd dat zij de juiste aanpak heeft gebruikt, in overeenstemming met haar geloof in herstelbemiddeling zoals geïnspireerd door haar opvoedingsproject. Tijdens de hoorzitting heeft de school ook verduidelijkt dat zij gesprekken tussen ouders onderling, zoals de indiener van de klacht verwachtte, niet gepast vond omdat het de ervaring van de school is dat dergelijke gesprekken tussen ouders onderling voor verdere escalatie zorgen in conflictsituaties.
De school benadrukt tot slot dat het C-attest het resultaat was van zware tekorten bij verschillende vakken. De delibererende klassenraad oordeelde dat de zoon van de indiener van de klacht niet klaar was om de overstap te maken naar het tweede leerjaar van het secundair onderwijs. De school heeft de indiener van de klacht duidelijk geïnformeerd over de beroepsmogelijkheden tegen het C-attest, maar hij heeft deze niet gebruikt.
Beoordeling door de Geschillenkamer
De Geschillenkamer moet in deze zaak beoordelen of er sprake is van directe discriminatie op grond van huidskleur, zogenaamd ras en etnische afstamming (I); en van represailles na het indienen van een discriminatieklacht (II).
I. Directe discriminatie op grond van huidskleur, zogenaamd ras en etnische afstamming
A. Algemene beginselen
Een directe discriminatie op grond van huidskleur, zogenaamd ras en etnische afstamming in het onderwijs vindt plaats wanneer:
- iemand minder gunstig wordt behandeld dan iemand anders in een vergelijkbare situatie;
- op grond van huidskleur, zogenaamd ras en etnische afstamming (oorzakelijk verband).
Een directe discriminatie op grond van huidskleur, zogenaamd ras en etnische afstamming in het onderwijs kan niet worden gerechtvaardigd.[4]
Voor de vaststelling van een directe discriminatie onder het Gelijkekansendecreet is geen bewijs van opzet of enige andere specifieke drijfveer van de verweerster vereist.[5]
De Geschillenkamer onderzoekt in twee stappen of een discriminatie is bewezen. De eerste stap is vervuld als de indiener van de klacht feiten aanvoert die het bestaan van een discriminatie kunnen doen vermoeden. Als de indiener van de klacht een vermoeden van discriminatie aanvoert, moet de verweerster vervolgens (in de tweede stap) bewijzen dat er geen sprake is van een discriminatie. Aangezien een directe discriminatie op grond van huidskleur, zogenaamd ras en etnische afstamming in het onderwijs niet kan worden gerechtvaardigd, kan de verweerster enkel aantonen dat er geen sprake is van discriminatie door het vermoeden van discriminatie te weerleggen.[6]
Het discriminatieverbod houdt niet alleen in dat geen discriminerende handelingen mogen worden gesteld, maar brengt ook positieve verplichtingen met zich mee. Dat betekent dat voor wie onderwijs aanbiedt er ook plichten bestaan om discriminatie te voorkomen, aan te pakken en, als er melding van wordt gemaakt, deze meldingen zorgvuldig te onderzoeken.[7]
B. Toepassing
De indiener van de klacht voert aan:
- dat leerlingen van de school zijn zoon hebben gepest, racistische uitspraken tegen en over hem hebben gedaan, en hem fysiek hebben mishandeld;
- dat dit gedrag onmiddellijk verband hield met beschermde kenmerken van zijn zoon, met name zijn huidskleur, zogenaamd ras en etnische afstamming; en
- dat de school onvoldoende maatregelen heeft genomen om een einde te maken aan de pesterijen, het racisme, en het geweld.
De Geschillenkamer stelt vast dat de indiener van de klacht niet meent dat de school zijn zoon actief heeft gediscrimineerd op grond van zijn huidskleur, zogenaamd ras en/of etnische afstamming. Zijn klacht, zoals verduidelijkt tijdens de hoorzitting, houdt in essentie in dat de school onvoldoende maatregelen heeft genomen om zijn zoon te beschermen tegen discriminatie door medeleerlingen.
De Geschillenkamer merkt op dat de indiener van de klacht daarnaast ook stelt dat zijn zoon nog meer werd gepest nadat een leerkracht één van zijn meldingen over racisme had getoond aan de hele klas, via de projector. De Geschillenkamer stelt vast dat de melding schijnbaar per ongeluk werd getoond aan de klas, dat de leerkracht zich hiervoor heeft verontschuldigd en dat hij heeft erkend dat het niet professioneel was om het leerlingvolgdossier te bekijken tijdens de les. Er zijn verder geen elementen aanwezig in het dossier waaruit een vermoeden van directe discriminatie door de leerkracht, als personeelslid van de school, zou kunnen blijken.
De Geschillenkamer moet zich in het verdere verloop van de beoordeling uitspreken over twee overlappende vragen:
- Heeft de school de meldingen van de indiener van de klacht en van zijn zoon over racisme, pesterijen en geweld zorgvuldig onderzocht?
- Heeft de school gepaste en noodzakelijke maatregelen genomen om een discriminatievrije leeromgeving te creëren voor de leerling?
Zoals eerder aangehaald houdt het discriminatieverbod immers niet alleen in dat geen discriminerende handelingen mogen worden gesteld, maar brengt het ook positieve verplichtingen met zich mee. Dat betekent dat voor wie onderwijs verstrekt, zoals de school in deze zaak, er ook plichten bestaan om meldingen van discriminatie zorgvuldig te onderzoeken en, als blijkt dat er discriminatie heeft plaatsgevonden, gepaste en noodzakelijke maatregelen te nemen om de discriminatie aan te pakken en verder te voorkomen.
De school stelt dat zij elke vraag van de indiener van de klacht en zijn zoon consequent en snel heeft behandeld. De school stelt ook dat zij gepaste maatregelen heeft genomen, in de vorm van bemiddelingsgesprekken tussen de zoon van de indiener van de klacht en de andere betrokken leerlingen.
De Geschillenkamer erkent dat het niet haar rol is om zich in de plaats van de school te stellen bij het bepalen van haar pedagogische project of het gepaste algemene beleid rond omgaan met conflicten tussen leerlingen. De Geschillenkamer stelt vast dat de school een groot belang hecht aan, en veel vertrouwen heeft in, herstelbemiddeling als onderdeel van haar pedagogisch en opvoedkundig project. Het is ook duidelijk dat de school veronderstelde dat de conflicten in dit geval deels wederkerig waren, in de zin dat ook de zoon van de indiener van de klacht een bepaalde rol zou hebben gespeeld. De Geschillenkamer stelt verder vast dat de school oordeelde dat, minstens in een aantal gevallen, de betrokken leerlingen de draagwijdte en impact van hun uitspraken en gedrag niet geheel konden inschatten.
Tezelfdertijd staat het vast dat de feiten zeer ernstig waren en dat er meerdere leerlingen bij waren betrokken. Het gaat om ernstige en herhaalde racistische uitspraken, agressie, pesterijen en geweld met blessures tot gevolg. De school betwist de feiten niet. Een aanzienlijk deel van de feiten is ook goed gedocumenteerd in stukken die zijn bijgebracht door de school. De ernst van de situatie wordt verder benadrukt door het gegeven dat de school de politie inschakelde om escalatie aan de schoolpoort te vermijden.
In deze context, die werd gekenmerkt door een patroon van terugkerende racistische uitspraken, pesterijen en geweld, had de school een verhoogde verantwoordelijkheid en zorgplicht ten aanzien van de zoon van de indiener van de klacht. Zelfs als de betrokken leerlingen, die relatief jong zijn, zich niet altijd volledig bewust waren van de draagwijdte en impact van hun uitspraken en gedrag, bleef het de verantwoordelijkheid van de school om gepaste en noodzakelijke maatregelen te nemen om de zoon van de indiener van de klacht te beschermen.
De Geschillenkamer stelt vast dat de school de verschillende meldingen van de indiener van de klacht en zijn zoon zorgvuldig heeft onderzocht. De school is dus niet tekortgeschoten in haar verplichting om meldingen van discriminatie zorgvuldig te onderzoeken.
De school heeft ook zekere maatregelen genomen als reactie op de meldingen. Daarbij heeft de school resoluut gekozen voor herstelbemiddeling. Zij organiseerde per incident eerst 1-op-1 gesprekken met de betrokken leerlingen, om na te gaan wat er precies was gebeurd. Hierna volgde doorgaans een herstelgesprek tussen beide leerlingen, waarbij minstens in een aantal gevallen excuses werden aangeboden. Tijdens de hoorzitting heeft de school verduidelijkt dat zij over het algemeen wegblijft van vragen over wie wat heeft gedaan, tracht vooruit te kijken en nagaat hoe leerlingen na een conflict terug met elkaar kunnen omgaan. De school heeft ook verduidelijkt dat zij in beginsel geen sancties neemt en een groot vertrouwen heeft in de effectiviteit van herstelbemiddeling.
Hoewel de Geschillenkamer het belang van herstelbemiddeling zeker erkent, stelt zij vast – samen met de indiener van de klacht en de school – dat de herstelgesprekken in dit geval geen einde hebben kunnen maken aan het racisme, pesten en geweld. Uit het dossier blijkt een duidelijk patroon van ernstige en herhaalde feiten dat zich doorheen het gehele schooljaar heeft doorgezet. Om dit patroon van discriminatie te doorbreken, is het op een gegeven ogenblik gepast en noodzakelijk om andere maatregelen te overwegen, wanneer blijkt dat herstelbemiddeling op haar grenzen botst.
De Geschillenkamer stelt vast dat de school niettemin heeft vastgehouden aan haar geloof dat herstelbemiddeling de beste aanpak was voor de situatie. Tijdens de hoorzitting heeft de school erkend dat dit niet tot het verhoopte resultaat heeft geleid. Zij heeft daarbij aangegeven dat de situatie zeer uitzonderlijk was en dat zij eruit tracht te leren naar de toekomst toe. De school heeft ook erkend dat zij geen ruimere maatregelen heeft genomen, zoals een klasgesprek of gesprekken met ouders. Zij kan ook niet aantonen dat zij disciplinaire maatregelen heeft genomen ten aanzien van de betrokken leerlingen. Uit het dossier blijkt enkel dat de school in één geval strafstudie heeft opgelegd, waarbij het opvalt dat deze sanctie aan zowel de zoon van de indiener van de klacht als de andere leerling werd opgelegd.
De Geschillenkamer stelt verder vast dat in het dossier een filmpje zit waarop twee leerlingen, waaronder de zoon van de indiener van de klacht, aan het vechten zijn op de speelplaats. Het filmpje is gemaakt door een andere leerling, geeft een fragment weer van een ruimere situatie (waarover de partijen geen verdere informatie konden geven), en werd gedeeld met andere leerlingen. In het dossier zitten ook racistische berichten over de zoon van de indiener van de klacht, die werden gedeeld in een WhatsApp groep. Uit het dossier blijkt echter niet dat de school enige maatregel heeft genomen tegen het filmpje en/of de WhatsApp berichten, zoals de ouders van de betrokken leerlingen uitnodigen voor een gesprek, een klasgesprek organiseren en/of gepaste disciplinaire maatregelen nemen tegen de betrokken leerlingen.
De enige ruimere maatregel die uit het dossier blijkt, is dat de zoon van de indiener van de klacht op een gegeven moment niet meer naar de speelplaats mocht gaan. De school stelt dat dit een bewarende maatregel was om de leerling tegen zichzelf te beschermen. De Geschillenkamer acht het evenwel niet gepast om het slachtoffer van racisme, pesterijen en geweld van de speelplaats te verwijderen in een situatie waarin verder geen ruimere maatregelen worden genomen, zoals klasgesprekken, oudergesprekken of disciplinaire maatregelen tegen de betrokken leerlingen. Zelfs als de school de bedoeling had om de zoon van de indiener van de klacht te beschermen, is het begrijpelijk dat dit op hem overkwam als een sanctie die alleen aan hem werd opgelegd en niet aan de leerlingen die het racistische gedrag stelden.
In het licht van het bovenstaande is de Geschillenkamer van oordeel dat de school de meldingen over discriminatie wel zorgvuldig heeft onderzocht, maar onvoldoende maatregelen heeft genomen om de zoon van de indiener van de klacht effectief te beschermen tegen ernstig en herhaald racisme, pesten en geweld door andere leerlingen. De school heeft niet aangetoond dat het andere gepaste en noodzakelijke maatregelen heeft overwogen en genomen, zodra duidelijk werd dat herstelbemiddeling geen einde kon maken aan de discriminatie waarvan de zoon van de indiener van de klacht het slachtoffer was.
Er is dan ook sprake van een schending van het Gelijkekansendecreet.
II. Represailles
A. Algemene beginselen
Het Gelijkekansendecreet verbiedt nadelige maatregelen of (zogenaamde represailles) tegen degene die, intern of extern, een discriminatie meldt of een discriminatieklacht indient.
Represailles vinden plaats wanneer:
- door of in het voordeel van iemand een melding of klacht wordt gedaan over een beweerde discriminatie zoals verboden in het Gelijkekansendecreet;
- en degene waartegen de klacht is gericht (‘de verweerder’) nadelige maatregelen treft tegen die persoon:
- behalve als deze nadelige maatregelen vreemd zijn aan (de inhoud van) de klacht of de melding.[8]
Het verbod op represailles betekent dat wie stappen onderneemt omdat die meent dat er sprake is van een discriminatie, daardoor geen nadeel mag ondervinden. De vrees voor represailles kan immers ontmoedigend werken om een melding te doen of klacht in te dienen, en kan daarom de effectieve bescherming tegen discriminatie ernstig in gevaar brengen.[9]
De bescherming tegen represailles geldt voor interne en externe discriminatieklachten, dus zowel voor klachten bij de organisatie waar de beweerde discriminatie plaatsvond als voor een klacht bij het Vlaams Mensenrechteninstituut.[10] Om bescherming tegen represailles te genieten, moet de betrokken persoon aantonen dat er een discriminatieklacht werd ingediend.[11]
Als een verweerder represailles treft tegen een indiener van de klacht, binnen de twaalf maanden nadat de verweerder op de hoogte was of redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de klacht, moet die bewijzen dat de nadelige maatregel geen verband houdt met de discriminatieklacht of de inhoud ervan.[12]
B. Toepassing
Uit het standpunt van de indiener van de klacht en de verduidelijking die hij heeft geboden tijdens de hoorzitting, blijkt dat hij meent dat de school verschillende nadelige maatregelen heeft genomen die rechtstreeks verband houden met zijn meldingen en klachten over discriminatie.
Hij wijst in het bijzonder op:
- de maatregel waarbij zijn zoon niet meer naar de speelplaats mocht gaan;
- een maatregel waarbij hij van de politie, volgens hem op vraag van de school, zijn zoon niet meer mocht ophalen aan de schoolpoort;
- het gegeven dat leerkrachten zijn zoon in een slecht daglicht hebben geplaatst nadat hij een klacht had ingediend bij het Vlaams Mensenrechteninstituut; en
- het gegeven dat de school zijn zoon een oriënteringsattest C (C-attest) heeft gegeven, specifiek met het advies om naar een andere school te gaan.
Voor de bewarende maatregel over de speelplaats heeft de school aangetoond dat zij deze maatregel heeft genomen met als doel de leerling te beschermen. Er zijn geen elementen in het dossier waaruit kan blijken dat de school deze maatregel heeft genomen als represaille voor het melden van discriminatie. De Geschillenkamer heeft deze maatregel voor het overige al onderzocht bij de beoordeling van de aangevoerde directe discriminatie.
Voor de maatregel waarbij de indiener van de klacht zijn zoon niet mocht ophalen aan de schoolpoort, blijkt dat dit het gevolg was van een tussenkomst door de politie en niet de school. De school erkent dat zij de politie heeft ingeschakeld. De school stelt dat zij dit heeft gedaan omdat zij vreesde voor escalatie aan de schoolpoort, in het bijzonder dat de indiener van de klacht en familieleden de betrokken leerlingen rechtstreeks zouden aanspreken aan de schoolpoort. De indiener van de klacht ontkent dit en stelt dat hij enkel hun ouders wilde aanspreken om het probleem onder ouders op te lossen. In ieder geval staat het voor de Geschillenkamer vast dat het inschakelen van de politie was ingegeven door andere redenen dan het gegeven dat de indiener van de klacht melding had gemaakt van discriminatie. Ook deze maatregel kan dus niet worden beschouwd als een represaille.
Tijdens de hoorzitting kon de indiener van de klacht niet verduidelijken waarop de verwijzing naar zijn zoon in een slecht daglicht plaatsen precies sloeg. De Geschillenkamer is van oordeel dat deze beweerde maatregel nauw samenhangt met het C-attest.
Voor het C-attest, met advies om naar een andere school te gaan, stelt de Geschillenkamer vast dat de school heeft aangetoond dat deze maatregel werd genomen om redenen die geen verband hielden met een discriminatieklacht. De school heeft aangetoond dat het C-attest het gevolg was van verschillende tekorten op het eindrapport van de zoon van de indiener van de klacht. De school heeft ook aangetoond dat deze tekorten zich doorheen het gehele schooljaar voordeden. Aldus blijkt uit het geheel van evaluaties dat de leerling de leerdoelen niet behaalde. De school heeft ook verduidelijkt dat het niet ongebruikelijk is om als advies bij een C-attest aan te geven dat de leerling beter naar een andere school zou gaan. De school heeft dat advies in dit geval ook gegeven, omdat zij van oordeel was dat de leerling geen enkele van de richtingen zou aankunnen die de school aanbiedt vanaf de tweede graad, gezien zijn resultaten. De school was van oordeel dat hij betere kansen zou hebben in andere richtingen, die enkel door andere scholen worden aangeboden. De school heeft ook verduidelijkt dat het louter een advies was en dat de indiener van de klacht het naast zich neer had kunnen leggen en zijn zoon op de school had kunnen houden. Voor de Geschillenkamer heeft de school aangetoond dat er ook op dit vlak geen sprake was van een represaille.
De Geschillenkamer is van oordeel dat de school geen nadelige maatregelen heeft genomen tegen de indiener van de klacht en/of zijn zoon. Op dit vlak kan er dan ook geen schending van het Gelijkekansendecreet worden vastgesteld.
Oordeel van de Geschillenkamer
Om die redenen oordeelt te Geschillenkamer:
- dat de school onvoldoende maatregelen heeft genomen om de zoon van de indiener van de klacht te beschermen tegen directe discriminatie, zodat er op procedureel vlak sprake is van een schending van het Gelijkekansendecreet; en
- dat de school geen represailles heeft genomen tegen de indiener van de klacht en/of zijn zoon, zodat er op dat vlak geen sprake is van een schending van het Gelijkekansendecreet.
Aanbevelingen van de Geschillenkamer
Om de vastgestelde discriminatie te beëindigen, beveelt de Geschillenkamer de school aan:
- als structurele maatregel, om sneller gepaste en noodzakelijke maatregelen te nemen wanneer zich een duidelijk patroon van racisme, pesten en geweld voordoet waarbij een leerling door medeleerlingen wordt geviseerd om redenen die onmiddellijk verband houden met diens beschermde kenmerken, en waarbij herstelbemiddeling niet effectief of gepast blijkt om het patroon te doorbreken.
Voetnoten
- Art. 13, §5, VMRI-decreet
- Art. 13, §4, VMRI-decreet
- Art. 16, §6, VMRI-decreet
- Artikel 24, § 1, Gelijkekansendecreet
- Artikel 36, §4, Gelijkekansendecreet
- Artikel 36, §1, en artikel 24, § 1, Gelijkekansendecreet
- Zie onder meer Oordeel 2025-30 van 11 december 2025. Zie in dezelfde zin bijvoorbeeld: Nederlands College voor de rechten van de mens 25 juli 2024, oordeelnummer 2024-62, § 5.3; Nederlands College voor de rechten van de mens 12 juni 2024, oordeelnummer 2024-52, § 5.3 en Nederlands College voor de rechten van de mens 14 december 2023, oordeelnummer 2023-132, § 5.1.
- Artikel 37, §1 Gelijkekansendecreet
- Zie ook Hof van Justitie 22 september 1998, C-185/97, B.J. Coote t. Granada Hospitality Ltd., §24; Hof van Justitie 20 juni 2019, C-404/18, Jamina Hakelbracht e.a. t. WTG Retail BVBA, §33
- Artikel 37, §2, 1°-2° Gelijkekansendecreet
- Artikel 37, §3 Gelijkekansendecreet
- Artikel 37, §3 Gelijkekansendecreet