Overslaan en naar de inhoud gaan

School weigert redelijke aanpassing in de vorm van tijdelijk onderwijs aan huis (TOAH)

info

Samenvatting oordeel

Situatie 

De indiener van de klacht dient de klacht in voor zijn minderjarige zoon. Zijn zoon heeft een autismespectrumstoornis en dyslexie. Hij krijgt ook migraineaanvallen die overgaan in epileptische aanvallen. 

Zijn zoon startte in januari 2023 als leerling in de secundaire school Stella Matutina in Brakel, de verweerder. In het schooljaar 2024-2025 startte hij in dezelfde school in het tweede leerjaar van de richting Horeca. 

De school werkte een aangepast leertraject voor hem uit voor het schooljaar 2024-2025, omdat het duidelijk was dat hij regelmatig afwezig zou zijn als gevolg van zijn handicaps en gezondheidstoestand. Het aangepast leertraject kwam tot stand na overleg met zijn vader en grootmoeder bij de start van het schooljaar. In dit leertraject werd hij vrijgesteld voor verschillende vakken. Er werd ook afgesproken dat hij geen volledige week aanwezig zou zijn op school, maar vooral halve dagen zou gaan. 

Tijdens het schooljaar 2023-2024 maakte de leerling ook gebruik van tijdelijk onderwijs aan huis (TOAH). Bij TOAH gaan leerkrachten thuis lesgeven aan een leerling die langdurig of chronisch ziek is. Als de betrokken leerling aan de voorwaarden voldoet, is de school verplicht om TOAH te organiseren gedurende maximum vier lesuren per week.

In het schooljaar 2024-25 werd TOAH niet opnieuw opgestart voor de leerling, hoewel de vereiste documenten hiervoor waren ingediend. De school stelt dat dit gebeurde in overleg met zijn vader en grootmoeder, omdat het wenselijk werd geacht dat de leerling meer tijd op school zou doorbrengen. 

Aan het einde van het schooljaar ontving de leerling een oriënteringsattest C, waardoor hij niet kon overgaan naar het derde leerjaar van het secundair onderwijs. Dit was het gevolg van het feit dat de school door de vele afwezigheden onvoldoende basis had om te oordelen dat de leerling in staat was naar het volgende leerjaar over te gaan.

Beoordeling door de Geschillenkamer

De Geschillenkamer is van oordeel dat TOAH een redelijke aanpassing is in deze situatie. Een vraag naar redelijke aanpassingen kan worden geweigerd als die redelijke aanpassingen een onevenredige belasting zouden betekenen.

De leerling voldeed aan de voorwaarden om recht te hebben op TOAH op basis van de Vlaamse regelgeving. Aangezien deze redelijke aanpassing specifiek in de regelgeving voorzien is voor het type situatie waarin hij zich bevond, kan deze niet beschouwd worden als een onevenredige belasting.

De school voert geen argumenten aan om een weigering van redelijke aanpassing te rechtvaardigen. Zij stelt dat TOAH niet werd opgestart omdat de indiener van de klacht de vraag daartoe niet had gesteld. Nochtans had hij de medische attesten voor het (her-)opstarten van TOAH in het schooljaar 2024-2025 ingediend. Uit een verslag van een overleg waarop onder meer de school, de leerling en diens grootmoeder aanwezig waren, blijkt dat de vraag naar TOAH op de agenda stond. In een latere e-mail vraagt de indiener van de klacht ook uitdrukkelijk om TOAH op te starten. 

De Geschillenkamer is dan ook van oordeel dat er wel degelijk een vraag voorlag voor een redelijke aanpassing in de vorm van TOAH, en dat deze geen onevenredige belasting uitmaakte.

Oordeel

De Geschillenkamer oordeelt dat het feit dat de school voor de zoon van de indiener van de klacht in het schooljaar 2024-2025 geen TOAH heeft opgestart, een weigering is van redelijke aanpassingen voor personen met een handicap overeenkomstig het Gelijkekansendecreet.

Aanbevelingen van de Geschillenkamer 

De Geschillenkamer beveelt de school aan

  • als structurele maatregel, om redelijke aanpassingen waarop leerlingen een specifiek recht hebben, zoals TOAH, toe te passen tenzij de betrokkene een ondubbelzinnige wens uit om dat niet te doen;
  • zich proactief op te stellen bij het opvolgen van communicatie over redelijke aanpassingen, zodat vragen om redelijke aanpassingen steeds de nodige opvolging krijgen.

Volledig oordeel

De Geschillenkamer, samengesteld uit voorzitter Stijn Smet, bijzitter Eva Brems en bijzitter Jelle Flo, en bijgestaan door griffier Dorien Geeroms, spreekt het volgende oordeel uit:

Procedure

De Geschillenkamer heeft de klacht ontvangen op 15 december 2025.

De fase van het uitwisselen van standpunten en overtuigingsstukken werd afgerond op 24 februari 2026.

De Geschillenkamer ontving volgende stukken: 

  • het standpunt van de verweerder van 21 januari 2026
  • het standpunt van de indiener van de klacht van 18 februari 2026
  • het standpunt van de verweerder van 24 februari 2026.

De Geschillenkamer behandelde de zaak tijdens een hoorzitting op 8 april 2026. De indiener werd vertegenwoordigd door zijn moeder die werd bijgestaan door een vertrouwenspersoon van […]. De verweerder werd vertegenwoordigd door twee personeelsleden. 

De Geschillenkamer ontvangt een klacht pas nadat een poging tot bemiddeling is doorlopen bij de afdeling Eerstelijnsdienst en Bemiddeling van het Vlaams Mensenrechteninstituut.[1] Omwille van de vertrouwelijkheid van de bemiddeling mag de Geschillenkamer niet geïnformeerd worden over wat er zich tijdens de bemiddeling heeft afgespeeld.[2]

De Geschillenkamer beslist om de stukken uit het dossier die inhoudelijk over de bemiddelingspoging gaan te weren, met name de stukken die zijn verwerkt op pagina’s 87-88 van het antwoord van de indiener van de klacht. Dit wil zeggen dat de Geschillenkamer met deze stukken geen rekening houdt bij haar beoordeling. 

Feiten

De indiener van de klacht dient de klacht in voor zijn minderjarige zoon. Zijn zoon heeft een autismespectrumstoornis en dyslexie. Hij krijgt ook migraineaanvallen die overgaan in epileptische aanvallen. Hij wordt ondersteund, ook op school, door een buddyhond en door persoonlijke begeleiders die worden betaald vanuit zijn persoonlijk assistentiebudget.

Zijn zoon startte in januari 2023 als leerling in de secundaire school Stella Matutina in Brakel, de verweerder. In het schooljaar 2024-2025 startte hij in dezelfde school in het tweede leerjaar van de richting Horeca. 

De school werkte een aangepast leertraject voor hem uit voor het schooljaar 2024-2025, omdat het duidelijk was dat hij regelmatig afwezig zou zijn als gevolg van zijn handicaps en gezondheidstoestand. Het aangepast leertraject kwam tot stand na overleg met zijn vader en grootmoeder bij de start van het schooljaar. In dit leertraject werd hij vrijgesteld voor verschillende vakken. Er werd ook afgesproken dat hij geen volledige week aanwezig zou zijn op school, maar vooral halve dagen zou gaan. 

Tijdens het schooljaar 2023-2024 maakte de zoon van de indiener van de klacht ook gebruik van tijdelijk onderwijs aan huis (TOAH). Bij TOAH gaan leerkrachten thuis lesgeven aan een leerling die langdurig of chronisch ziek is. Als de betrokken leerling aan de voorwaarden voldoet, is de school verplicht om TOAH te organiseren gedurende maximum vier lesuren per week.

In het schooljaar 2024-25 werd TOAH niet opnieuw opgestart voor de zoon van de indiener van de klacht, hoewel de vereiste documenten hiervoor waren ingediend. De school stelt dat dit gebeurde in overleg met de indiener van de klacht en diens moeder, omdat het wenselijk werd geacht dat de leerling meer tijd op school zou doorbrengen. 

Aan het einde van het schooljaar ontving de zoon van de indiener van de klacht een oriënteringsattest C, waardoor hij niet kon overgaan naar het derde leerjaar van het secundair onderwijs. Dit was het gevolg van het feit dat de school door de vele afwezigheden onvoldoende basis had om te oordelen dat de leerling in staat was naar het volgende leerjaar over te gaan. 

Standpunten partijen

Standpunt indiener klacht

De indiener van de klacht voert aan dat de school heeft geweigerd om redelijke aanpassingen te maken voor zijn zoon.

Hij geeft aan dat zijn zoon een autismespectrumstoornis en dyslexie heeft, maar dat de grootste problemen verband houden met zijn migraineaanvallen die overgaan in epileptische aanvallen. Hij geeft ook aan dat zijn zoon tijdens de zomervakantie van 2024 problemen had met zijn maag, waardoor bijkomende onderzoeken nodig waren. Deze onderzoeken zorgden voor extra afwezigheden op school in het schooljaar 2024-2025. De school was hiervan echter op voorhand op de hoogte.

De indiener van de klacht erkent dat het begin van het schooljaar 2024-2025 niet is verlopen zoals gepland en bevestigt dat zijn zoon vaak afwezig was. Hij benadrukt dat dit echter het gevolg was van de gezondheidstoestand van zijn zoon. Ondanks deze moeilijkheden heeft de school geen TOAH  opgestart voor zijn zoon. Hij had nochtans in het begin van het schooljaar 2024-2025 aan de school een medisch attest bezorgd waaruit blijkt dat zijn zoon een chronische ziekte heeft en waarin de arts toestemming geeft voor de organisatie van TOAH. Zijn zoon had dus recht op TOAH en een school is verplicht om TOAH te organiseren als een leerling voldoet aan alle voorwaarden.

De indiener van de klacht betwist dat hij zou akkoord gegaan zijn met het niet opstarten van TOAH. 

Standpunt verweerder

De school erkent dat de leerling een problematiek had zodat voltijds schoollopen niet mogelijk was. Hiervoor heeft de school echter de nodige hulp in de vorm van dispenserende en remediërende maatregelen geboden.

De school benadrukt verder dat gedurende het schooljaar op regelmatige tijdstippen overleg werd georganiseerd met alle betrokkenen en dat de school met wederzijdse toestemming beslissingen heeft genomen in het belang van de leerling. De beslissing om geen TOAH toe te kennen bij de start van het schooljaar werd genomen in overleg met de vader en grootmoeder van de leerling, om hem te overtuigen vaker naar de school te komen. 

De school stelt dat zij in principe TOAH altijd opstart wanneer erom gevraagd wordt. Ze stelt dat er in dit geval geen expliciete vraag voorlag.

Beoordeling door de Geschillenkamer 

I. Weigering van redelijke aanpassingen

A. Algemene beginselen 

Redelijke aanpassingen zijn aanpassingen waarop een persoon met een handicap recht heeft om te verzekeren dat die ten volle, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid kan participeren in de samenleving. Die aanpassingen moeten obstakels voor een gelijkwaardige participatie voor de persoon met een handicap wegnemen. Een gevraagde aanpassing is dus een redelijke aanpassing als die er inderdaad voor kan zorgen dat de persoon met handicap op gelijkwaardige manier kan deelnemen aan bijvoorbeeld het onderwijs.

Een gevraagde redelijke aanpassing kan alleen worden geweigerd als ze een onevenredige belasting zou betekenen voor degene die de aanpassing moet doen.

Een discriminerende weigering van redelijke aanpassingen voor personen met een handicap vindt dus plaats wanneer: 

  • personen met een handicap een beperking ervaren in hun gelijkwaardige participatie in de samenleving;
  • zij hiervoor redelijke aanpassingen vragen die obstakels voor gelijkwaardige participatie wegnemen;
  • en die redelijke aanpassingen geweigerd worden, ook al betekenen ze geen onevenredige belasting.[3]

In deze zaak voert de indiener van de klacht aan dat:

  • zijn zoon in het schooljaar 2024-2025 niet voltijds aanwezig kon zijn op school om redenen die verband houden met zijn handicaps (beperking in gelijkwaardige participatie in de samenleving);
  • hij bij de school een aanvraag voor TOAH voor zijn zoon heeft gedaan  (aanpassing die obstakels voor de gelijkwaardige participatie voor de persoon met een handicap wegnemen); en
  • de school zonder geldige reden geen TOAH heeft opgestart.   

De indiener van de klacht moet feiten aanvoeren die een weigering van redelijke aanpassingen kunnen doen vermoeden. Het is dan aan de verweerder om te bewijzen dat de gevraagde aanpassingen onredelijk zijn of een onevenredige last zouden betekenen. De Geschillenkamer onderzoekt deze elementen achtereenvolgens.

B. Beperking gelijkwaardige participatie in de samenleving

Het is niet betwist dat de zoon van de indiener van de klacht, als leerling met een handicap, een beperking ervaart in zijn gelijkwaardige participatie in het onderwijs. Daar kwamen nog ernstige maagproblemen bij. Ten gevolge van zijn handicap en zijn gezondheidstoestand, kon de betrokkene niet voltijds aanwezig zijn op school.

C. Redelijkheid van de aanpassingen 

De Geschillenkamer onderzoekt in deze stap of de gevraagde aanpassing, namelijk het organiseren van TOAH, redelijk is.  

Een aanpassing is redelijk als ze ervoor kan zorgen dat de persoon met een handicap gelijkwaardig kan deelnemen in de samenleving. De aanpassing moet, met andere woorden, haar doel bereiken en afgestemd zijn op de behoeften van de persoon met een handicap. De redelijkheid van een aanpassing verwijst dus naar de relevantie, geschiktheid en doeltreffendheid van de aanpassing voor de persoon met een handicap.[4] Redelijke aanpassingen in het onderwijs worden afgestemd op de individuele noden van de persoon met een handicap en kunnen onder andere betrekking hebben op het curriculum, de organisatie van het onderwijs, de vorm van lesmateriaal, de infrastructuur van de onderwijsinstelling en de evaluatievormen.[5]

De term “redelijkheid” slaat niet op de beoordeling van de kosten van de gevraagde aanpassingen of de beschikbare middelen. Dit gebeurt in een eventuele volgende stap (voor zover de gevraagde aanpassingen redelijk zijn), waarin de Geschillenkamer nagaat of er sprake is van een onevenredige belasting.[6]

De Geschillenkamer is van oordeel dat de gevraagde aanpassing redelijk is. TOAH is specifiek bedoeld voor leerlingen die omwille van hun handicap en/of gezondheid langdurig of veelvuldig niet naar school kunnen komen. Dat is het geval geweest voor de leerling in het schooljaar 2024-2025. De leerling had het schooljaar voordien overigens al gebruik gemaakt van TOAH, en dit was een positieve ervaring geweest.

D. Onevenredige belasting 

Een vraag naar redelijke aanpassingen kan worden geweigerd als die redelijke aanpassingen een onevenredige belasting zouden betekenen. Dit concept lijnt af tot waar redelijke aanpassingen moeten worden geboden.[7] Hierbij wordt de impact van de redelijke aanpassing voor degene die haar moet doorvoeren en voor de ruimere omgeving bekeken in het licht van het doel van de aanpassing (de gelijkwaardige participatie voor de persoon met de handicap). Relevante factoren bij deze afweging zijn onder meer: de financiële en organisatorische impact van de aanpassing, de haalbaarheid van de aanpassing, de aanwezigheid van voor de hand liggende of wettelijk verplichte normen en de positieve of negatieve impact op anderen in de omgeving.[8]

Het is aan de verweerder om te bewijzen dat de gevraagde aanpassing een onevenredige belasting zou betekenen.

Het is niet betwist dat de zoon van de indiener van de klacht in het schooljaar 2024-2025 voldeed aan de voorwaarden om recht te hebben op TOAH op basis van de Vlaamse regelgeving.[9] Aangezien deze redelijke aanpassing specifiek in de regelgeving voorzien is voor het type situatie waarin de zoon van de indiener van de klacht zich bevond, kan deze niet beschouwd worden als een onevenredige belasting.

De school voert overigens geen argumenten aan om een ‘weigering’ van redelijke aanpassing te rechtvaardigen. Zij stelt dat de reden waarom TOAH niet werd opgestart, het ontbreken was van een vraag daartoe. Nochtans is niet betwist dat de nodige medische attesten voor het (her-)opstarten van TOAH in het schooljaar 2024-2025 ingediend waren. In een verslag van een overleg van 13 september 2024 waarop onder meer de school, de leerling en diens grootmoeder aanwezig waren, staat dat een schema wordt opgestart dat drie weken zal lopen, waarna een nieuwe evaluatie volgt. Het verslag stelt: ‘Tot dan geen TOAH’. Ook hieruit blijkt dat de vraag naar TOAH op de agenda stond. In een e-mail van 22 oktober 2024 vraagt de indiener van de klacht ook uitdrukkelijk om TOAH op te starten. Deze e-mail is gericht aan een personeelslid van het CLB en een personeelslid van de school. Indien deze vraag binnen de school niet bij de juiste persoon zou terechtgekomen zijn, kan dit niet aan de indiener van de klacht verweten worden. Voor de vader en grootmoeder van […] was dit personeelslid een aanspreekpunt van de school. Zij mochten erop vertrouwen dat de vragen die zij aan hem stelden en de informatie die zij aan hem bezorgden, op een correcte manier zouden doorstromen. Indien dat niet of onvoldoende zou zijn gebeurd, is dat de verantwoordelijkheid van de school.

De Geschillenkamer is dan ook van oordeel dat er wel degelijk een vraag voorlag voor een redelijke aanpassing in de vorm van TOAH, en dat deze geen onevenredige belasting uitmaakte.  Onder de toepasselijke regelgeving was de school dan ook verplicht om TOAH op te starten. De school heeft voor de Geschillenkamer geen andere redenen aangevoerd waarom dit niet mogelijk zou zijn geweest. Bijgevolg is er sprake van een weigering van redelijke aanpassingen.

Oordeel van de Geschillenkamer

De Geschillenkamer oordeelt dat het feit dat de school voor de zoon van de indiener van de klacht in het schooljaar 2024-2025 geen TOAH heeft opgestart, een weigering is van redelijke aanpassingen voor personen met een handicap overeenkomstig het Gelijkekansendecreet.

Aanbevelingen van de Geschillenkamer

De Geschillenkamer beveelt de school aan:

  • als structurele maatregel, om redelijke aanpassingen waarop leerlingen een specifiek recht hebben, zoals TOAH, toe te passen tenzij de betrokkene een ondubbelzinnige wens uit om dat niet te doen;
  • zich proactief op te stellen bij het opvolgen van communicatie over redelijke aanpassingen, zodat vragen om redelijke aanpassingen steeds de nodige opvolging krijgen.
Voetnoten
  1. Art. 13 §5 VMRI-decreet.
  2. Art. 13 §4 VMRI-decreet.
  3. Artikel 19 Gelijkekansendecreet.
  4. Zie Algemene opmerking nr. 6 (2018) over gelijkheid en non-discriminatie van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 25.
  5. Zie Algemene opmerking nr. 4 (2016) over het recht op inclusief onderwijs van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 30; Europees Hof voor de Rechten van de Mens 23 februari 2016, nr. 51500/08, Çam t. Turkije, § 66.
  6. Algemene opmerking nr. 6 (2018) over gelijkheid en non-discriminatie van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 25.
  7. Zie Algemene opmerking nr. 6 (2018) over gelijkheid en non-discriminatie van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 25.
  8. Zie artikel 19 Gelijkekansendecreet en Algemene opmerking nr. 6 (2018) over gelijkheid en non-discriminatie van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 25- 26.
  9. Artikel 117 Codex Secundair Onderwijs (Gecodificeerd Decreet betreffende het secundair onderwijs [citeeropschrift: "Codex Secundair Onderwijs"]) + artikel 3 - 7 van het Besluit van de Vlaamse Regering betreffende het onderwijs aan huis voor zieke kinderen en jongeren

Download het oordeel

Ook interessant