Overslaan en naar de inhoud gaan

Sint-Jozefcollege heeft geen redelijke aanpassingen geweigerd aan leerlinge met hyperacusis en ASS

info

Samenvatting oordeel

Situatie 

De indienster van de klacht ervaart hyperacusis (overgevoeligheid voor geluid) en heeft een autismespectrumstoornis (ASS). Zij is sinds het derde jaar van het secundair onderwijs leerlinge in het Sint-Jozefscollege in Sint-Pieters-Woluwe. Ze zit momenteel in het vijfde jaar en volgt de richting wetenschappen-wiskunde. Ze wordt sinds het lager onderwijs begeleid door het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB) Pieter Breughel. 

De school heeft de indienster van de klacht vrijgesteld voor de meeste lessen, waardoor ze slechts een beperkt aantal uren per week naar school gaat. Ze combineert haar leertraject op de school met de examencommissie, waarvoor ze de afgelopen schooljaren verschillende examens heeft afgelegd.

De indienster van de klacht meent dat er sprake is van weigering van redelijke aanpassingen en van represailles. Haar klacht is gericht tegen de school en tegen het CLB.  

Sinds januari 2026 gaat ze niet meer naar school, omwille van redenen die verband houden met haar klacht.  

Beoordeling door de Geschillenkamer

Redelijke aanpassingen zijn aanpassingen waarop een persoon met een handicap recht heeft om te verzekeren dat die ten volle, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid kan participeren in de samenleving. De Geschillenkamer erkent dat de indienster van de klacht beperkingen ervaart in haar deelname aan het onderwijs. 

De school heeft heel wat redelijke aanpassingen toegepast: de indienster van de klacht kan vooraan in de klas zitten zonder buur, zowel in de les als tijdens de examens, groepswerken worden beperkt tot een één-op-één-situatie en er is een aangepast uurrooster met vrijstellingen. Een wijziging van het godsdienstlokaal en het verlenen van een vrijstelling voor wiskunde en biologie, zijn volgens de Geschillenkamer geen redelijke aanpassingen. Het plaatsen van tennisballen onder de stoelen in de klas is wel een redelijke aanpassing, maar de school toont aan dat deze aanpassing in de hogere jaren zorgen voor een onevenredige belasting.  

De school heeft de redelijke aanpassingen onderzocht en uitgevoerd in dialoog met de indienster van de klacht. Om de communicatie en de dialoog tussen alle partijen naar de toekomst toe te verbeteren, formuleert de Geschillenkamer een aantal aanbevelingen. 

De Geschillenkamer is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de school of het CLB tegen de indienster van de klacht nadelige maatregelen heeft genomen overeenkomstig het Gelijkekansendecreet.

Oordeel

Om die redenen oordeelt de Geschillenkamer: 

  • dat er geen weigering van redelijke aanpassingen kan worden vastgesteld overeenkomstig het Gelijkekansendecreet;
  • dat er niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van nadelige maatregelen overeenkomstig het Gelijkekansendecreet.

Volledig oordeel

De Geschillenkamer, samengesteld uit voorzitter Koen Lemmens, bijzitter Jonas Riemslagh en bijzitter Line Hellemans, en bijgestaan door griffier Dorien Geeroms, spreekt het volgende oordeel uit:

Procedure

De Geschillenkamer heeft de klacht ontvangen op 29 januari 2026. 

De fase van het uitwisselen van standpunten en overtuigingsstukken werd afgerond op 16 maart 2026.  

De Geschillenkamer ontving volgende stukken:   

  • het standpunt van de school van 2 maart 2026
  • het standpunt van het CLB van 2 maart 2026
  • het antwoord van de indienster van de klacht van 8 maart 2026
  • het antwoord van de school van 16 maart 2026
  • het antwoord van het CLB van 16 maart 2026.  

De Geschillenkamer behandelde de zaak tijdens een hoorzitting op 26 maart 2026. De indienster was aanwezig met bijstand van haar moeder. De school werd vertegenwoordigd door twee personeelsleden en advocaat S. Lust. Het CLB werd vertegenwoordigd door een personeelslid en advocaat J. Goyvaerts. 

Feiten

De indienster van de klacht ervaart hyperacusis en heeft een autismespectrumstoornis (ASS). Hyperacusis is een overgevoeligheid voor alledaagse geluiden, waardoor deze geluiden als storend, irritant en pijnlijk kunnen worden ervaren. 

De indienster van de klacht is sinds het derde jaar van het secundair onderwijs leerlinge in het Sint-Jozefscollege in Sint-Pieters-Woluwe, de eerste verweerster. Ze zit momenteel in het vijfde jaar en volgt de richting wetenschappen-wiskunde. Ze wordt sinds het lager onderwijs begeleid door het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB) Pieter Breughel, de tweede verweerster. 

De school heeft de indienster van de klacht vrijgesteld voor de meeste lessen, waardoor ze slechts een beperkt aantal uren per week naar school gaat. Ze combineert haar leertraject op de school met de examencommissie, waarvoor ze de afgelopen schooljaren verschillende examens heeft afgelegd. Sinds januari 2026 gaat ze niet meer naar school, omwille van redenen die verband houden met haar klacht.  

Standpunten partijen

Standpunt indienster klacht

De indienster van de klacht meent dat er sprake is van weigering van redelijke aanpassingen en van represailles. Haar klacht is gericht tegen de school en tegen het CLB. 

De indienster van de klacht voert aan dat:  

  • de school de afgesproken redelijke aanpassingen nooit schriftelijk heeft vastgesteld, waardoor het voor haar lijkt alsof er geen redelijke aanpassingen zijn;
  • de school redelijke aanpassingen ziet als een gunst, terwijl zij er recht op heeft als leerlinge met specifieke noden;
  • de school redelijke aanpassingen soms wel uitvoert en soms niet, onder meer door niet altijd te verzekeren dat er geen storende en luide elementen zijn in leslokalen of examenlokalen en door haar niet altijd een vaste plaats vooraan en alleen aan een tafel te geven tijdens lessen, proefwerken en evaluaties;
  • de school heeft geweigerd om van leslokaal en examenlokaal te veranderen, hoewel beide lokalen door slechte verluchting en verlichting ongeschikt waren voor haar;
  • de school haar geen duidelijkheid heeft geboden over het leertraject dat zij volgt (een combinatie van school en examencommissie);
  • de school haar verplichtte om een examen af te leggen voor twee vakken die zij via de examencommissie wilde afleggen (biologie en wiskunde), terwijl zij geen enkele les had gevolgd van deze vakken omdat de school haar voor alle lessen had vrijgesteld. 

De indienster van de klacht voert ook aan dat de school nadelige maatregelen heeft genomen tegen haar, nadat zij een discriminatieklacht had ingediend bij het Vlaams Mensenrechteninstituut. Het gaat om de volgende maatregelen: 

  • geen rapport geven na de winterexamens;
  • sterk suggereren dat ze van school moest veranderen;
  • geen nieuwe leerlingenbegeleider toewijzen, hoewel de school eerder had beloofd dat dat zou gebeuren.  

Als gevolg van deze nadelige maatregelen gaat ze sinds 1 januari 2026 niet meer naar school. 

De indienster van de klacht licht toe dat de school tijdens het derde jaar wel nog alle redelijke aanpassingen uitvoerde, maar dat deze redelijke aanpassingen één voor één zijn weggevallen vanaf het vierde jaar. Ze vermoedt dat vanaf het vierde jaar ook geen rekening meer werd gehouden met de aanpassingen die zij nodig had omwille van haar ASS. 

Ze benadrukt dat de aandacht voor redelijke aanpassingen verdween nadat haar leerlingenbegeleidster op school was veranderd. Ze stelt dat de nieuwe leerlingenbegeleidster weinig rekening hield met haar noden, haar problemen in twijfel trok in één-op-één-gesprekken, haar onder druk zette om examens af te leggen en agressief tegen haar sprak. Zij zou onder meer hebben gezegd: “ik ga niets voor je doen” en “als je geen evaluaties wiskunde aflegt, zal ik in de problemen komen”. De indienster van de klacht stelt dat de nieuwe leerlingenbegeleidster haar ook heeft gevraagd dat ze niet meer naar school zou gaan.  

Voor de indienster van de klacht lijkt het erop dat de nieuwe leerlingenbegeleidster alle redelijke aanpassingen binnen de school heel moeilijk vond. Tegelijkertijd had de leerlingenbegeleidster blijkbaar geen problemen om haar vrij te stellen voor lessen. Ze stelde haar zelfs vrij voor de lessen van godsdienst, terwijl zij dat zelf helemaal niet wilde. 

De indienster van de klacht benadrukt dat de onduidelijke en wisselende beslissingen van de school en de agressieve communicatie van de leerlingenbegeleidster haar enorm veel stress bezorgden. Ze wijst erop dat de school verschillende beweringen niet bewijst en voor andere beweringen steunt op interne communicatie waartoe zij geen toegang heeft. 

Ze stelt verder dat de school haar noden niet ernstig neemt. De school lijkt te veronderstellen dat het gaat om loutere wensen of persoonlijke keuzes, terwijl het gaat om noden die zij zelf niet kiest maar die verbonden zijn met haar gezondheid. Ze benadrukt daarbij ook dat haar punten aantonen dat ze gemotiveerd is om te studeren. 

Ten aanzien van het CLB voert de indienster van de klacht aan dat het CLB geen verslagen bijhield van overlegmomenten over redelijke aanpassingen tussen de leerlingenbegeleider van de school, het CLB, haar moeder en haarzelf. Ze stelt dat het CLB zelfs geen verslag maakte wanneer haar moeder uitdrukkelijk vroeg om dat te doen. Hierdoor is het nu onmogelijk om vast te stellen wat er tijdens die overlegmomenten is gezegd en gebeurd.  

Ze stelt ook dat het CLB niet heeft gereageerd op haar meldingen van pesterijen en ongewenst gedrag door de leerlingenbegeleider van de school. Zelfs toen medewerkers van het CLB dit ongewenst gedrag observeerden tijdens overlegmomenten, deden zij niets.  

Ze stelt verder dat een medewerker van het CLB aan haar moeder heeft geadviseerd om haar van school te halen en thuisonderwijs te geven. 

Standpunt eerste verweerster (de school)

De klacht dat zij geen redelijke aanpassingen zou hebben aangeboden, is volgens de school kennelijk ongegrond. 

De school stelt dat zij wel heeft voorzien in redelijke aanpassingen voor de gezondheidsproblemen en functiebeperkingen van de indienster van de klacht. De school heeft daarbij de aan haar bezorgde doktersadviezen gevolgd en is zelfs verder gegaan dan wat in deze adviezen stond. De school ziet niet in wat nog meer van haar kan worden verlangd, binnen de grenzen van de redelijkheid.  

De school verduidelijkt dat de moeder van de indienster van de klacht niet wilde dat haar leerkrachten werden ingelicht over haar ASS-diagnose. De school heeft dit dan ook nooit gedaan en heeft de betrokken leerkrachten enkel ingelicht over haar hyperacusis. 

De school wijst erop dat de indienster van de klacht een aangepast uurrooster volgt, tegen overprikkeling op school. In het vierde jaar werd zij maar 13 van de 31 uren per week in de les verwacht en in het vijfde jaar maar 6 uren per week. Hierbij is de school verder gegaan dan wat het decretale kader eigenlijk toelaat. Daarin wordt gesteld dat de school een vervangend programma moet voorzien voor de lessen waarvoor een vrijstelling wordt verleend. De klassenraad heeft er echter voor gekozen om de indienster van de klacht de vrijgekomen tijd te laten gebruiken om te rusten en zelfstandig de leerinhoud van de vakken onder de knie te krijgen. 

De school verduidelijkt dat de indienster van de klacht tijdens de les altijd vooraan kan zitten in de klas, alleen of naast een rustige leerling. De school herinnert de leerkrachten regelmatig aan gemaakte afspraken over het geluidsniveau in de klas. De indienster kan haar proefwerken ook afleggen in de zorgklas in plaats van in de drukke refter, studiezaal of sportzaal. De zorgklas is een rustig lokaal waarin veel minder leerlingen aanwezig zijn, zodat er minder prikkels zijn en de omgeving vertrouwd blijft. Ook in de zorgklas kan ze steeds vooraan zitten zonder buur. Wanneer de indienster haar proefwerk niet in de zorgklas wilde afleggen, kon ze dat doen in het lokaal waar de meeste leerlingen de proefwerken afleggen. Ze zat dan op een afzonderlijke bank vooraan. 

Om examens in de zorgklas in alle rust te kunnen afleggen, vraagt de school wel om hun examens al om 8u00 te starten. Het is voor de school niet duidelijk waarom dit niet mogelijk was voor de indienster van de klacht. De school ziet hierbij geen verband met haar gezondheidssituatie.  

De school stelt vast dat het standpunt van de indienster van de klacht aanvoelt als een poging om haar leerlingenbegeleidster in diskrediet te brengen. De school distantieert zich van deze weergave, die haaks staat op de feiten en op de professionele houding van de leerlingenbegeleider. De school distantieert zich ook van de suggestie dat de leerlingenbegeleidster zich agressief zou hebben opgesteld. Dit strookt niet met de ervaring van de school en ook niet met het feit dat hierover nooit eerder klachten zijn ingediend. De school wijst er verder op dat zowel de vorige als de huidige leerlingenbegeleidster druk ervaarden vanuit de indienster van de klacht en haar moeder om steeds meer uitzonderingen te maken. Door deze druk, die een constructieve begeleiding onmogelijk maakte, dreigde de huidige leerlingenbegeleidster uit te vallen. Om haar te beschermen, heeft de school besloten om haar niet langer de indienster van de klacht te laten begeleiden.  

De school wijst erop dat de enige aanpassing die zij heeft geweigerd, een lokaalwijziging is voor het vak godsdienst. De indienster van de klacht vroeg deze aanpassing omdat het lokaal onvoldoende verlucht en verlicht zou zijn. De school benadrukt dat het lokaal wel voldoet aan beide voorwaarden en ook aan alle wettelijke normen. De school stelt dat een lokaalwissel ook organisatorisch moeilijk door te voeren is. Er zijn geen lokalen op overschot en een lokaalwissel heeft een negatieve impact op de medeleerlingen, omdat zij dan lessen moeten volgen in een lokaal dat eigenlijk minder geschikt is voor deze lessen. De school merkt nog op dat de indienster van de klacht niet verplicht is om de lessen godsdienst te volgen, aangezien zij hiervan is vrijgesteld. 

De school benadrukt dat het aantal evaluaties waaraan de indienster van de klacht moet deelnemen, beperkt is. Dit kan niet verder beperkt worden, omdat de school dan niet meer voldoende gegevens zou hebben om correct te evalueren of zij de leerplandoelstellingen heeft behaald. De school heeft de indruk dat de indienster van de klacht al heeft gekozen voor de examencommissie. Het kan echter niet de bedoeling zijn dat een leerling alleen naar school komt voor sociaal contact. Het kan ook niet de bedoeling zijn dat een leerling in functie van de examencommissie kiest welke lessen hij volgt en voor welke vakken hij examen aflegt. De school heeft immers de plicht om te zorgen dat elke leerling de nodige lessen volgt en evaluaties aflegt zodat de leerling binnen het schoolse systeem op het einde van het leerjaar kan slagen.  De school verwijst naar artikel 136 van de Codex Secundair Onderwijs. Dit artikel zou de school toelaten, maar niet verplichten, om leerlingen vrij te stellen voor bepaalde vakken als aan twee voorwaarden is voldaan:

  • de betrokken leerling is al geslaagd voor diezelfde vakken binnen het secundair onderwijs of via de examencommissie;
  • de klassenraad neemt een gunstige beslissing op basis van het advies van de delibererende klassenraad van het vorige schooljaar.  

De school stelt dat in dit geval niet aan die voorwaarden is voldaan, omdat de indienster van de klacht nog niet was geslaagd voor de vakken biologie en wiskunde. De school benadrukt ook dat de delibererende klassenraad de exclusieve verantwoordelijkheid draagt om aan het einde van het schooljaar te beoordelen of de leerplandoelstellingen zijn bereikt. Om deze beoordeling te kunnen maken, heeft de klassenraad de minimale evaluatiegegevens vastgelegd die noodzakelijk zijn voor de indienster van de klacht (met inbegrip van biologie en wiskunde). 

De school benadrukt tot slot dat de aanpassingen die zij heeft aangeboden ook het gewenste resultaat hebben gehad. De indienster van de klacht is met glans geslaagd voor alle vakken die werden geëvalueerd door de school. Ze heeft tot nu toe in ieder jaar een A-attest behaald op school. 

Over de beweerde nadelige maatregelen gaat de school in op het rapport van december 2025. De school verduidelijkt dat de indienster van de klacht een inhaalexamen voor wiskunde zou afleggen in januari 2026. Dit inhaalexamen werd verplaatst van december naar januari op vraag van de moeder van de indienster van de klacht. De school stelt dat het standaardprocedure is om geen rapport te geven zolang de inhaalexamens nog lopende zijn. De indienster zal haar rapport dus krijgen zodra ze de inhaalexamens heeft afgelegd, net zoals elke leerling. Het is voor de school ook geheel nieuwe informatie dat de indienster van de klacht meende dat het examen biologie niet kon plaatsvinden door de moeizame relatie met de vakleerkracht (die ook haar leerlingenbegeleidster is).  

Standpunt tweede verweerster (het CLB)

Het CLB is van oordeel dat zij niet kan worden beschouwd als verweerder in de zin van artikel 13 VMRI-decreet, omdat zij niet de partij is die de indienster van de klacht zou gediscrimineerd hebben.  

Het CLB stelt dat het in ieder geval niet schuldig is aan enige vorm van discriminatie.  Het is immers niet het CLB maar de school die moet zorgen voor redelijke aanpassingen. Het CLB kan hierover enkel advies geven. Op grond van de informatie waarover het CLB beschikt, heeft zij de indruk dat de school de gepaste inspanningen levert om tegemoet te komen aan de vragen van de indienster van de klacht. 

Het CLB verduidelijkt dat zij de indienster van de klacht al opvolgt sinds de lagere school. Zowel de indienster als haar moeder nemen regelmatig contact op voor de bespreking van hun bezorgdheden. Dit bewijst dat de relatie tussen het CLB, de indienster en haar moeder steeds goed liep. In al die jaren hebben zij nooit een klacht tegen het CLB ingediend.  

Het CLB stelt vast dat er een meningsverschil is tussen de school en de indienster van de klacht over de redelijke aanpassingen. Het dossier voor de Geschillenkamer bevat veel stukken, maar het CLB komt slechts in een beperkt aantal stukken voor. Het CLB benadrukt dat het haar adviezen in volle onafhankelijkheid verstrekt. 

Het CLB stelt vast dat de indienster van de klacht haar vooral een gebrek aan verslaggeving verwijt. Het CLB verduidelijkt dat een begeleider van het CLB de partijen samenbrengt, tussen hen bemiddelt en streeft naar een gezamenlijke en werkbare oplossing. Van deze vergaderingen maakt de begeleider persoonlijke notities, die vertrouwelijk zijn en onder het beroepsgeheim vallen. Als het rondetafelgesprek eindigt in afspraken tussen de school en de leerling, vat de begeleider deze afspraken wel samen in een e-mail aan alle partijen. 

Het CLB stelt vast dat de indienster van de klacht het gevoel heeft dat zij de school zou moeten verlaten. Voor het CLB kan dit gevoel niet voortkomen uit gesprekken met medewerkers met het CLB, maar moet het op andere zaken steunen. 

Het CLB erkent dat een begeleider tijdens een gesprek met de moeder van de indienster van de klacht onder meer heeft uitgelegd dat er ook kan worden gekozen voor een schoolvervangend traject. Dit gebeurde echter tijdens een ruimer gesprek, zonder oordeel of bijbedoelingen en op een neutrale informatieve manier.  

Beoordeling door de Geschillenkamer 

I. Vooraf: te weren stukken

De Geschillenkamer ontvangt een klacht pas nadat een poging tot bemiddeling is doorlopen bij de afdeling Eerstelijnsdienst en Bemiddeling van het Vlaams Mensenrechteninstituut.[1] Omwille van de vertrouwelijkheid van de bemiddeling mag de Geschillenkamer niet geïnformeerd worden over wat er zich tijdens de bemiddeling heeft afgespeeld.[2]

De Geschillenkamer weert de passages uit de standpunten van de partijen en de overtuigingsstukken die inhoudelijk over de bemiddelingspoging gaan.[3] Dit wil zeggen dat de Geschillenkamer hiermee geen rekening houdt bij haar beoordeling.  

II. Ontvankelijkheid klacht

A. De klacht is niet kennelijk ongegrond 

Een klacht bij het VMRI is niet ontvankelijk wanneer ze kennelijk ongegrond is.[4]  De memorie van toelichting bij het VMRI-decreet vermeldt hierover het volgende: 

“Een klacht die louter een ongenoegen uit, zonder dat ook maar enigszins aannemelijk wordt gemaakt dat sprake is van discriminatie, is kennelijk ongegrond. Het gaat met andere woorden om klachten die manifest geen feitelijke of juridische grondslag hebben en waarvan de ongegrondheid zonder diepgaand onderzoek kan worden vastgesteld. Het komt het VMRI toe om te beoordelen of een klacht onder die situaties valt, in overeenstemming met hoe deze juridische begrippen gewoonlijk worden geïnterpreteerd en toegepast.”[5] 

De school voert aan dat de klacht kennelijk ongegrond is omdat zij wel degelijk heeft voorzien in redelijke aanpassingen voor de indienster van de klacht en daarbij zelfs verder is gegaan dan wat in de doktersadviezen wordt aanbevolen. De school stelt ook dat de aanpassingen die zij heeft aangeboden het gewenste resultaat hebben gehad. De school verwijst daarbij naar het gegeven dat de indienster van de klacht slaagde voor alle vakken die werden geëvalueerd en steeds een A-attest behaalde. 

De Geschillenkamer stelt vast dat de klacht goed onderbouwd is met feitelijke en juridische argumenten. Bijgevolg is zij niet kennelijk ongegrond. De argumenten die de school hier aanhaalt, worden besproken bij de grond van de zaak (zie: titel III. en IV.). 

B. De klacht is ook gericht tegen het CLB

Het CLB voert aan dat zij geen verweerder hoort te zijn in deze zaak omdat zij niet de partij is die zou hebben gediscrimineerd, zoals bedoeld in artikel 13, § 2 VMRI-decreet. 

De indienster van de klacht verwijt onder meer aan het CLB dat zij nadelige maatregelen heeft genomen tegen haar. Aangezien deze klacht specifiek gericht is tegen het CLB, beschikt zij over de hoedanigheid om zich hierover te verweren. 

III. Weigering redelijke aanpassingen

A. Algemene beginselen 

Redelijke aanpassingen zijn aanpassingen waarop een persoon met een handicap recht heeft om te verzekeren dat die ten volle, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid kan participeren in de samenleving. Die aanpassingen moeten obstakels voor een gelijkwaardige participatie voor de persoon met een handicap wegnemen. Een gevraagde aanpassing is dus een redelijke aanpassing als die er inderdaad voor kan zorgen dat de persoon met handicap op gelijkwaardige manier kan deelnemen aan bijvoorbeeld het onderwijs. 

Een gevraagde redelijke aanpassing kan alleen worden geweigerd als ze een onevenredige belasting zou betekenen voor degene die de aanpassing moet doen. 

Een discriminerende weigering van redelijke aanpassingen voor personen met een handicap vindt dus plaats wanneer:  

  • personen met een handicap een beperking ervaren in hun gelijkwaardige participatie in de samenleving; 
  • zij hiervoor redelijke aanpassingen vragen die obstakels voor gelijkwaardige participatie wegnemen; 
  • en die redelijke aanpassingen geweigerd worden, ook al betekenen ze geen onevenredige belasting.[6] 

De indienster van de klacht moet feiten aanvoeren die een weigering van redelijke aanpassingen kunnen doen vermoeden. Het is dan aan de verweerster om te bewijzen dat de gevraagde aanpassingen onredelijk zijn of een onevenredige last zouden betekenen. 

De indienster van de klacht voert aan: 

  • dat zij op school verschillende obstakels ondervindt, voornamelijk door storende geluiden, die verband houden met haar ASS en hyperacusie (beperking in gelijkwaardige participatie in de samenleving); 
  • dat zij aan de school verschillende aanpassingen heeft gevraagd die voor haar een voorspelbare, veilige en rustige schoolomgeving zouden creëren (aanpassing die obstakels voor de gelijkwaardige participatie voor de persoon met een handicap wegnemen); en
  • dat de school deze aanpassingen als een gunst in plaats van een recht behandelt, de aanpassingen soms wel uitvoert en soms niet, en sommige aanpassingen heeft geweigerd terwijl er alternatieven waren. 

De Geschillenkamer toetst deze elementen aan de algemene beginselen. 

B. Beperking gelijkwaardige participatie in de samenleving 

De Geschillenkamer onderzoekt eerst of de indienster van de klacht, als persoon met een handicap, een beperking ervaart in haar gelijkwaardige participatie in de samenleving.  

De indienster van de klacht ervaart hyperacusis en heeft ASS. De overgevoeligheid voor geluid maakt dat zij snel overprikkeld is op school. Zij heeft nood aan structuur en voorspelbaarheid.   

De school en het CLB erkennen dat de indienster van de klacht beperkingen ervaart in haar deelname aan het onderwijs.

C. Redelijkheid van de aanpassingen  

De Geschillenkamer onderzoekt in deze stap of de aanpassingen die de indienster van de klacht vraagt redelijk zijn. 

Om redelijk te zijn moet een aanpassing haar doel bereiken en afgestemd zijn op de individuele noden van de persoon met een handicap. De redelijkheid van een aanpassing verwijst dus naar de relevantie, geschiktheid en doeltreffendheid van de aanpassing voor de persoon met een handicap.[7] Redelijke aanpassingen in het onderwijs kunnen onder andere betrekking hebben op het curriculum, de organisatie van het onderwijs, de vorm van lesmateriaal, de infrastructuur van de onderwijsinstelling en de evaluatievormen.[8] 

De term “redelijkheid” slaat niet op de beoordeling van de kosten van de gevraagde aanpassingen of de beschikbare middelen. Dit gebeurt in een eventuele volgende stap (voor zover de gevraagde aanpassingen redelijk zijn), waarin de Geschillenkamer nagaat of er sprake is van een onevenredige belasting.[9] 

De indienster van de klacht wijst op het verslag van haar arts, waarin volgende aanpassingen worden voorgesteld:

  • vooraan in de klas zitten zonder buur;
  • tijdens proefwerken vooraan zonder buur, in een bekende omgeving;
  • groepswerken beperken tot één-op-één-situatie;
  • aangepast uurrooster in het kader van overprikkeling op school.

De Geschillenkamer oordeelt dat deze aanpassingen afgestemd zijn op de individuele noden van de indienster van de klacht. Zij kunnen ervoor zorgen dat zij kan deelnemen aan het schoolleven en dat zij haar diploma kan behalen. 

De school meent dat zij al deze aanbevelingen nakwam. De indienster van de klacht is het hier niet mee eens en verwijst naar de volgende concrete situaties, die de Geschillenkamer hierna overloopt.

  • Niet altijd op bank vooraan en alleen in de les en tijdens examens en proefwerken

Uit de klasschikkingen die de school bijbrengt blijkt dat de indienster van de klacht zowel in het vierde als in het vijfde jaar een vaste plaats vooraan in de klas had. 

De indienster van de klacht gaf tijdens de zitting aan dat het voor haar een groot verschil maakt dat ze geen buur heeft. Volgens de Geschillenkamer is deze aanpassing inderdaad redelijk. Alle schikkingen van het schooljaar 2025-2026 tonen echter aan dat de indienster van de klacht een plaats kreeg zonder buur. De school toont dus aan dat de redelijke aanpassing niet werd geweigerd.

  • Niet altijd voldoende rustig tijdens les, examens en proefwerken 

De indienster van de klacht licht toe dat de meeste lessen in het derde jaar doorgingen in hetzelfde lokaal. Dit maakte het mogelijk om tennisballen onder de stoelen te plaatsen, zodat het geluid kon worden opgevangen. In het vierde en het vijfde leerjaar wordt meer gewerkt met vaklokalen. Er worden geen tennisballen meer geplaatst op de stoelen. De Geschillenkamer oordeelt dat deze aanpassing redelijk is, zodat in de volgende stap wordt onderzocht of er sprake is van een onevenredige belasting (zie titel D).

  • Onaangepast lokaal godsdienst 

Volgens de indienster van de klacht is het lokaal voor godsdienst niet geschikt. Er is niet genoeg ruimte om alleen te zitten, het lokaal is onvoldoende verlucht en verlicht, en het is er vochtig. Dit zou leiden tot hoofdpijn en duizeligheid. De indienster van de klacht geeft aan dat zij het vak godsdienst graag volgt.

De school erkent dat zij het verzoek om een ander lokaal te krijgen voor godsdienst heeft geweigerd. Zij wijst erop dat de indienster van de klacht niet verplicht is om het vak godsdienst te volgen. Bovendien beschikt het lokaal over een ventilatiesysteem, zodat de verluchting optimaal zou zijn. Volgens de school is de klas ook goed verlicht. Tijdens de zitting verduidelijkt de school dat je enkel door de ramen kan kijken als je rechtstaat, maar dat er voldoende zonlicht binnenvalt. De school verzocht aan de leerkracht godsdienst om steeds te controleren of het verluchtingssysteem aan staat. De leerkracht bevestigde aan de school dat de indienster van de klacht alleen kan zitten aan een bank vooraan in de klas. Het aanpalend lokaal heeft altijd banken over. De school merkt op dat het lokaal gelegen is in een rustig deel van de school. 

De Geschillenkamer oordeelt dat het feit dat de indienster van de klacht kán worden vrijgesteld van het vak godsdienst, niet volstaat om aanpassingen te weigeren. Uit de blijvende vraag van de indienster om van lokaal te veranderen, blijkt dat het lokaal naar haar aanvoelen niet geschikt is. De school kampt echter met een groot capaciteitsprobleem dat pas opgelost zal zijn wanneer de nieuwbouw er staat. Hierdoor is er geen enkel alternatief lokaal beschikbaar. De aanpassing werd ook niet opgenomen in het verslag van de arts. Enkel in een handgeschreven Franstalig attest van 31 maart 2025 is er sprake van de nood aan een verluchte en verlichte omgeving bij de examens. De inspectie en de preventieadviseur gaven geen opmerkingen bij de geschiktheid van het lokaal, dat verlucht en verlicht is. Om al deze redenen oordeelt de Geschillenkamer dat de aanpassing van het godsdienstlokaal niet redelijk is. 

  • Onaangepast lokaal examens (zorgklas) 

Volgens de indienster van de klacht weigert de school om mee te zoeken naar goede alternatieven voor het afleggen van de examens. 

De school erkent dat een aangepast lokaal voor de examens onder redelijke aanpassingen valt. De school is echter bijzonder teleurgesteld dat de vele inspanningen die zij deed niet naar waarde worden geschat door de indienster van de klacht. De school geeft aan dat zij het advies van de arts steeds respecteert. De praktische organisatie van de examens verschilt natuurlijk naargelang het leerjaar en het totaal aantal leerlingen dat examens moet afleggen. 

De Geschillenkamer stelt vast dat de school naar een geschikte oplossing heeft gezocht. Wel vult de school de noden van de indienster van de klacht te veel in in haar plaats. De school meent dat de indienster van de klacht het best haar examens kon afleggen in de zorgklas. Die klas werd speciaal ingericht om tegemoet te komen aan alle leerlingen die nood hebben aan redelijke aanpassingen. Volgens de school sloot de zorgklas het meest aan bij het advies om de indienster van de klacht te laten functioneren in een prikkelarme omgeving. De moeder van de indienster van de klacht heeft echter steeds aangegeven dat het belangrijk is om bij de eigen klas te zitten. Als de indienster van de klacht het examen liever aflegt met haar andere klasgenoten in een groot examenlokaal in plaats van in de zorgklas, dan is dat haar keuze. Dit is ook wat de school uiteindelijk deed bij de examens van december 2024 en wat zij voorstelde bij de examens van december 2025. De school heeft de redelijke aanpassingen dus uitgevoerd. 

  • Geen vrijstelling voor biologie en wiskunde 

De indienster van de klacht geeft aan dat zij het examen voor biologie en wiskunde niet heeft afgelegd in december 2025 door de onduidelijke communicatie vanwege de school. Volgens de indienster had de school haar een vrijstelling moeten geven omdat ze het examen aflegt via de examencommissie. Zij kadert dit in haar recht op redelijke aanpassingen. 

De combinatie van school en examencommissie kwam er op vraag van de indienster van de klacht. De school licht toe dat deze combinatie in het vijfde jaar eerder uitzonderlijk is. Het vrijstellen van het volgen van bepaalde lessen kan niet worden afgedwongen. De school beslist autonoom of zij vrijstellingen verleent en bij de examencommissie behaalde punten overneemt.[10] De school geeft aan dat het aangepast programma voor het vijfde jaar uitgebreid werd besproken op de klassenraad van 15 oktober 2025. Daar werd verduidelijkt dat de indienster van de klacht als reguliere leerlinge ingeschreven is in de school, zodat de verplichtingen van de wet op de leerplicht gelden. De lessen kunnen volgens de school niet dienen als voorbereiding voor de examencommissie. In dat geval zou de indienster van de klacht moeten kiezen voor huisonderwijs. 

De klassenraad besliste om de indienster van de klacht vrij te stellen van het volgen van lessen en het afleggen van examens voor vijf vakken. 

Voor drie vakken werd ze vrijgesteld van het volgen van lessen, maar moet wel examen worden afgelegd: biologie, wiskunde en geschiedenis. Voor de vakken wiskunde en biologie moeten ook de toetsen worden afgelegd, zodat er genoeg evaluaties zijn om de doelen te bereiken. De klassenraad heeft voldoende evaluatiegegevens nodig om een A-attest te kunnen uitreiken. 

De Geschillenkamer oordeelt dat de school met deze beslissing geen redelijke aanpassingen heeft geweigerd. De klassenraad heeft binnen het wettelijk kader geprobeerd om een zo goed mogelijk evenwicht te bereiken tussen werktijd en rusttijd, waarbij ook de eigen kwaliteit wordt bewaakt.

D. Onevenredige belasting  

Een vraag naar redelijke aanpassingen kan worden geweigerd als die redelijke aanpassingen een onevenredige belasting zouden betekenen. Dit concept lijnt af tot waar redelijke aanpassingen moeten worden geboden.[11] Hierbij wordt de impact van de redelijke aanpassing voor degene die haar moet doorvoeren en voor de ruimere omgeving bekeken in het licht van het doel van de aanpassing (de gelijkwaardige participatie voor de persoon met de handicap). Relevante factoren bij deze afweging zijn onder meer: de financiële en organisatorische impact van de aanpassing, de haalbaarheid van de aanpassing, de aanwezigheid van voor de hand liggende of wettelijk verplichte normen en de positieve of negatieve impact op anderen in de omgeving.[12]

Het is aan de school om te bewijzen dat de gevraagde aanpassingen een onevenredige belasting zouden betekenen. 

De indienster van de klacht geeft op de zitting aan dat zij begrijpt dat het niet mogelijk is om in één lokaal te blijven, omdat er in de hogere jaren wordt gewerkt met vaklokalen. Zij begrijpt ook dat de tennisballen niet telkens kunnen worden meegenomen. De Geschillenkamer onderschrijft deze beoordeling dat het verderzetten van deze aanpassingen in de hogere jaren zou zorgen voor een onevenredige belasting. 

E. Procedure voor redelijke aanpassingen

Wanneer een leerling met een handicap zich inschrijft op een school of op een later moment (andere of bijkomende) redelijke aanpassingen vraagt, moet de school nagaan welke redelijke aanpassingen aangewezen zijn. De school moet daartoe een open dialoog voeren met de leerling en diens ouder(s). Die dialoog is erop gericht de belemmeringen die de persoon met een handicap ervaart in de context in kaart te brengen en op zoek te gaan naar aanpassingen om de gelijkwaardige participatie van de persoon met een handicap zoveel als mogelijk te verzekeren.

De Geschillenkamer stelt vast dat de school steeds geprobeerd heeft om de redelijke aanpassingen te onderzoeken in dialoog met de indienster van de klacht. De Geschillenkamer stelt ook vast dat de communicatie tussen de indienster van de klacht en de school ernstig is misgelopen vanaf het vijfde jaar. Volgens de indienster van de klacht heeft dit te maken met het slecht contact met de nieuwe begeleider die haar werd toegewezen. De Geschillenkamer kan niet nagaan wat effectief werd gezegd in de gesprekken met de begeleider, zodat ze daarover geen uitspraak kan doen. Om diezelfde reden kan de Geschillenkamer niet beoordelen of het noodzakelijk was dat het CLB ingreep in de beweerde pesterijen van de begeleider. 

Ook de relatie met het CLB verliep moeilijker vanaf het vijfde jaar. Volgens de indienster van de klacht heeft het CLB de rol van observator en adviseur niet opgenomen.

Met het vijfde jaar start een nieuwe graad. Vanaf dat jaar wordt er meer gewerkt met vaklokalen. Een nieuwe studiebegeleider zorgt ook voor verandering. De Geschillenkamer neemt aan dat dit niet evident is voor de indienster van de klacht. Net om die reden is het heel belangrijk om goed en duidelijk te communiceren. 

Uit de e-mails tussen de school en de (moeder van de) indienster van de klacht blijkt dat de communicatie van de school over het aangepast traject in het vijfde jaar, onvoldoende afgestemd was op de ontvanger. 

Aan de start van het nieuwe schooljaar was er een gesprek tussen de indienster van de klacht en haar begeleider. Uit het verslag blijkt dat onder meer een vrijstelling van de lessen biologie en wiskunde werd besproken. Op 15 oktober 2025 vond de klassenraad plaats. Volgens de school was het de bedoeling om de beslissing van de klassenraad te bespreken tijdens het oudercontact van 24 oktober 2025. Het CLB was ook aanwezig. De focus werd echter helemaal verlegd naar de discussie rond het klaslokaal voor godsdienst. Mogelijk heeft de indienster van de klacht daarom de boodschap rond het traject niet helemaal begrepen. 

De leerlingenbegeleidster verduidelijkte in een e-mail van 12 november 2025 welke examens de indienster van de klacht moest afleggen. Uit e-mailverkeer met de moeder van de indienster van de klacht blijkt dat het voor haar onvoldoende duidelijk was wat het aangepast programma van het vijfde jaar zou zijn en wat van haar dochter werd verwacht. 

De Geschillenkamer neemt aan dat de scherpe manier waarop de moeder van de indienster van de klacht haar berichten formuleert, niet heeft bijgedragen aan een constructieve communicatie met de school en het CLB. De Geschillenkamer kan ook begrijpen dat het CLB niet de gewoonte heeft om van elk gesprek een verslag op te stellen. Anderzijds moet het gedrag van de moeder van de indienster van de klacht volgens de Geschillenkamer worden geïnterpreteerd als een behoefte aan duidelijkheid en een schriftelijke weergave van gemaakte afspraken. 

Tijdens de zitting deelde de school mee dat de indienster van de klacht nog steeds welkom is op school. De school gaf aan dat zij een nieuwe begeleider zal aanstellen zodra de indienster van de klacht terug naar school komt. Volgens de Geschillenkamer is het zinvol om nu al een begeleider aan te stellen, zodat die contact kan opnemen met de indienster van de klacht om een terugkeer naar school te bespreken. De begeleider kan in de toekomst een cruciale rol spelen bij het overbrengen van communicatie van de school.  

De Geschillenkamer raadt aan dat de school en het CLB naar de toekomst toe nog beter controleren of de indienster van de klacht de boodschap effectief heeft begrepen. De Geschillenkamer adviseert om afspraken zoveel als mogelijk schriftelijk weer te geven. De Geschillenkamer hoopt dat ook de moeder van de indienster van de klacht zich zal openstellen voor dialoog, want enkel zo kunnen afspraken rond redelijke aanpassingen correct tot stand komen. 

Conclusie: de school heeft de redelijke aanpassingen onderzocht en uitgevoerd in dialoog met de indienster van de klacht. Om de communicatie en de dialoog tussen alle partijen naar de toekomst toe te verbeteren, formuleert de Geschillenkamer een aantal aanbevelingen. 

F. Besluit redelijke aanpassingen

De school heeft heel wat redelijke aanpassingen toegepast: de indienster van de klacht kan vooraan in de klas zitten zonder buur, zowel in de les als tijdens de examens, groepswerken worden beperkt tot een één-op-één-situatie en er is een aangepast uurrooster met vrijstellingen. Een wijziging van het godsdienstlokaal en het verlenen van een vrijstelling voor wiskunde en biologie, zijn volgens de Geschillenkamer geen redelijke aanpassingen. Het plaatsen van tennisballen onder de stoelen in de klas is wel een redelijke aanpassing, maar de school toont aan dat deze aanpassing in de hogere jaren zorgen voor een onevenredige belasting. 

De Geschillenkamer stelt geen discriminatie vast. 

IV. Represailles

Het Gelijkekansendecreet verbiedt nadelige maatregelen of zogenaamde represailles tegen degene die, intern of extern, een discriminatie meldt of een discriminatieklacht indient.  

Represailles vinden plaats wanneer:  

  • door of in het voordeel van iemand een melding of klacht wordt gedaan over een beweerde discriminatie zoals verboden in het Gelijkekansendecreet;  
  • en degene waartegen de klacht is gericht (‘de verweerder’) nadelige maatregelen treft tegen die persoon:   
  • behalve als deze nadelige maatregelen vreemd zijn aan (de inhoud van) de klacht of de melding.[13]

Het verbod op represailles betekent dus dat wie stappen onderneemt omdat die meent dat er sprake is van een discriminatie, daardoor geen nadeel mag ondervinden. Dat is zo ongeacht of de discriminatieklacht gegrond is, dus ook wanneer volgens een persoon sprake is van discriminatie maar uiteindelijk wordt vastgesteld dat dat niet het geval is. De vrees voor represailles kan immers ontmoedigend werken om een melding te doen of klacht in te dienen, en kan daarom de effectieve bescherming tegen discriminatie ernstig in gevaar brengen.[14] 

De bescherming tegen represailles geldt voor interne en externe discriminatieklachten, dus zowel voor klachten bij de organisatie waar de beweerde discriminatie plaatsvond als voor een klacht bij het Vlaams Mensenrechteninstituut.[15] Om bescherming tegen represailles te genieten, moet de betrokken persoon aantonen dat er een discriminatieklacht werd ingediend.[16]

Als de verweerder represailles treft tegen de indiener van de klacht, binnen de twaalf maanden nadat de verweerder op de hoogte was of redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de klacht, moet die bewijzen dat de nadelige maatregel geen verband houdt met de discriminatieklacht of de inhoud ervan.[17]

De indienster van de klacht verwijst naar verschillende beweerde nadelige maatregelen van de school en het CLB, die de Geschillenkamer hierna overloopt.

Door de school: 

  • Geen decemberrapport afleveren. De school verduidelijkt dat de maatregel geen verband hield met de klacht maar met andere objectieve redenen, met name de toepassing van de standaardpraktijk dat een rapport maar wordt bezorgd als alle inhaalexamens zijn afgelegd. De school toont aan dat er geen sprake is van een represaille.
  • Haar leerlingenbegeleider niet vervangen, hoewel de school had beloofd dat te doen. De school geeft aan dat een nieuwe leerlingenbegeleider pas nuttig kan worden aangesteld nadat alle inhaalexamens zijn afgelegd en zodra indienster klacht naar school terugkeert. Ook hier is er geen sprake van een represaille. Wel adviseert de Geschillenkamer om nu al een nieuwe begeleider aan te stellen.
  • Suggereren dat ze van school verandert. De school betwist dat deze suggestie werd gedaan en de indienster van de klacht maakt dit niet aannemelijk.  

Door het CLB: 

  • Adviseren om thuisonderwijs te volgen omdat de indienster van de klacht schijnbaar toch niet tevreden is over de school. Het CLB erkent dat één van haar medewerkers een uitspraak over thuisonderwijs heeft gedaan. Het CLB verduidelijkt dat die uitspraak deel uitmaakte van een langer overleg en kadert in haar taak om informatie te verstrekken over alle alternatieven. Gelet op deze context, is er volgens de Geschillenkamer geen sprake van een represaille.

De Geschillenkamer is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de school of het CLB tegen de indienster van de klacht nadelige maatregelen heeft genomen overeenkomstig het Gelijkekansendecreet.

Oordeel van de Geschillenkamer

Om die redenen oordeelt de Geschillenkamer: 

  • dat er geen weigering van redelijke aanpassingen kan worden vastgesteld overeenkomstig het Gelijkekansendecreet;
  • dat er niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van nadelige maatregelen overeenkomstig het Gelijkekansendecreet.
Voetnoten
  1. Art. 13, § 5 VMRI-decreet.
  2. Art. 13, § 4 VMRI-decreet. 
  3. Het gaat om: passages op p. 36-37 van het standpunt van de eerste verweerster, op p. 6 en p. 20-21 van het antwoord van de indienster van de klacht en op p. 9-10 van het antwoord van de eerste verweerster; en door de indienster van de klacht als stuk aangebrachte e-mails van 25 november 2025, van 25 januari 2026 en van 13 tot en met 23 januari 2026.
  4. Art. 13, § 3, 2° VMRI-decreet.
  5. Parl. St. Vlaams Parlement, 2021-2022, nr. 1357/1, 32.
  6. Artikel 19 Gelijkekansendecreet.
  7. Zie Algemene opmerking nr. 6 (2018) over gelijkheid en non-discriminatie van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 25.
  8. Zie Algemene opmerking nr. 4 (2016) over het recht op inclusief onderwijs van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 30; Europees Hof voor de Rechten van de Mens 23 februari 2016, nr. 51500/08, Çam t. Turkije, § 66.
  9. Algemene opmerking nr. 6 (2018) over gelijkheid en non-discriminatie van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 25.
  10. Art. 136 Codex Secundair Onderwijs.
  11. Zie Algemene opmerking nr. 6 (2018) over gelijkheid en non-discriminatie van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 25.
  12. Zie artikel 19 Gelijkekansendecreet en Algemene opmerking nr. 6 (2018) over gelijkheid en non-discriminatie van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 25- 26.
  13. Artikel 37, § 1 Gelijkekansendecreet
  14. Zie Hof van Justitie 22 september 1998, C-185/97, B.J. Coote t. Granada Hospitality Ltd.
    § 24; Hof van Justitie 20 juni 2019, C-404/18, Jamina Hakelbracht e.a. t. WTG Retail BVBA
    § 33. 
  15. Artikel 37, § 2, 1°-2° Gelijkekansendecreet.
  16. Artikel 37, § 3 Gelijkekansendecreet.
  17. Artikel 37, § 3 Gelijkekansendecreet.  

Download het oordeel

Ook interessant