Overslaan en naar de inhoud gaan

Universiteit Gent weigerde redelijke aanpassingen in de vorm van lesopnames voor student met een handicap

info

Samenvatting oordeel

Situatie

De indiener van de klacht revalideert van een zware chemobehandeling tegen kanker. Tijdens zijn revalidatie volgt hij twee taalvakken aan de Universiteit Gent. Omdat hij als student met een functiebeperking obstakels ervaart bij het volgen van lessen op de campus, vraagt hij aan de universiteit of er lesopnames kunnen worden gemaakt. De universiteit antwoordt dat dit niet mogelijk is, omdat de betrokken vakken worden gegeven als werkcollege. Tijdens werkcolleges maken studenten oefeningen en zijn ze zelf veel aan het woord. De docent begeleidt de studenten, maar geeft zelf geen les. Het algemeen beleid van de Universiteit Gent is dat er geen lesopnames worden gemaakt van werkcolleges, ook niet voor studenten met een handicap. De docenten stellen wel een alternatief voor: de student kan thuis oefeningen maken en via e-mail aan de docenten bezorgen, waarna zij schriftelijk feedback zullen geven. De student antwoordt niet op dit voorstel.

Beoordeling door de Geschillenkamer

De Geschillenkamer benadrukt dat het belangrijk is om redelijke aanpassingen te maken in het gehele onderwijsproces, zodat studenten met een handicap gelijkwaardig kunnen participeren aan alle onderdelen van het onderwijs (en niet alleen de examens).

De partijen zijn het eens dat de betrokken student een beperking ervaart in zijn participatie in het onderwijs. De universiteit voert echter aan dat de gevraagde aanpassing niet redelijk is, omdat de lesopnames niet voldoende kwalitatief of bruikbaar zouden zijn voor de student. De universiteit stelt dat lesopnames in ieder geval een onevenredige belasting zouden betekenen door de impact op de universiteit, haar medewerkers en andere studenten.

De Geschillenkamer oordeelt dat de gevraagde aanpassing redelijk is. De lesopnames van werkcolleges kunnen wel degelijk relevant, geschikt en doeltreffend zijn om de obstakels weg te nemen die de indiener van de klacht ervaart. De universiteit stelt dat de gevraagde lesopnames niet noodzakelijk zinvol en bruikbaar zijn voor de indiener van de klacht. De Geschillenkamer oordeelt dat de universiteit echter niet zomaar voor de student kan beslissen dat lesopnames niet zouden beantwoorden aan zijn noden, terwijl hij zelf overtuigd is dat dit wel het geval zou zijn. Om als redelijk te worden beschouwd, volstaat het ook dat de gevraagde aanpassing een bijdrage kan leveren aan het wegnemen van obstakels. De aanpassing moet deze obstakels dus niet noodzakelijk volledig wegnemen. Verder moet het argument van de universiteit over de kwaliteit van de opnames samen worden beoordeeld met haar argumenten over de onevenredige belasting. 

Over de onevenredige belasting oordeelt de Geschillenkamer dat de universiteit niet aantoont dat de gevraagde aanpassing daadwerkelijk een onevenredige belasting zou betekenen voor haar. De universiteit is een grote organisatie met onder meer een specifiek team voor de ondersteuning van studenten met een handicap. Zij heeft dus een grotere organisatorische en financiële draagkracht dan andere organisaties om in redelijke aanpassingen te voorzien. De universiteit maakt het niet aannemelijk dat zij de financiële en organisatorische impact van lesopnames niet zou kunnen dragen. Zij maakt het ook niet aannemelijk dat de impact op haar medewerkers onevenredig zou zijn aan het voordeel voor de student en voor andere studenten met een handicap in een gelijkaardige situatie. 

De Geschillenkamer bevestigt dat de negatieve impact van een gevraagde aanpassing op de leermogelijkheden van medestudenten een onevenredige belasting kan vormen. In deze zaak toont de universiteit echter niet aan dat de impact van lesopnames op andere studenten dermate groot is dat ze opweegt tegen het voordeel voor de betrokken student. Over het door de docenten aangeboden alternatief oordeelt de Geschillenkamer dat dit geen gelijkwaardig alternatief was voor de student. Het is met name onduidelijk hoe hij de leerdoelen kon behalen door dit alternatief. 

Oordeel

Om die redenen oordeelt de Geschillenkamer dat er sprake is van een ongerechtvaardigde weigering van een redelijke aanpassing en dus van discriminatie op grond van handicap overeenkomstig het Gelijkekansendecreet.

Aanbevelingen door de Geschillenkamer 

Om de vastgestelde discriminatie te beëindigen, beveelt de Geschillenkamer de Universiteit Gent aan om:

  • als structurele maatregel haar beleid over lesopnames aan te passen, zodat studenten met een handicap ook bij werkcolleges en andere interactieve onderwijsvormen lesopnames kunnen vragen indien zij moeilijkheden ondervinden om op de campus te geraken, waarbij telkens in dialoog met de betrokken student wordt nagegaan of lesopnames effectief een redelijke aanpassing zouden zijn;
  • als individuele maatregel de indiener van de klacht, als hij dit wenst, opnieuw in te schrijven voor de betrokken vakken en in dialoog met hem te bepalen welke vorm van lesopname of live-streaming zou beantwoorden aan zijn huidige noden.

Volledig oordeel

De Geschillenkamer, samengesteld uit voorzitter Yves Thiery, bijzitter Koen Lemmens en bijzitter Line Hellemans, en bijgestaan door griffier Dorien Geeroms, spreekt het volgende oordeel uit:

Procedure

De Geschillenkamer heeft de klacht ontvangen op 10 januari 2025. 

De fase van het uitwisselen van standpunten en overtuigingsstukken werd afgerond op 3 april 2025.  

De Geschillenkamer ontving volgende stukken:   

  • het standpunt van de verweerster van 20 februari 2025
  • het antwoord van de indiener van de klacht van 14 maart 2025
  • het antwoord van verweerster van 3 april 2025. 

De Geschillenkamer behandelde de zaak tijdens een hoorzitting op 14 mei 2025. Op de hoorzitting waren beide partijen aanwezig. De indiener van de klacht nam online deel aan de hoorzitting. De Universiteit Gent werd vertegenwoordigd door twee personeelsleden. 

Feiten

De indiener van de klacht revalideert van een zware chemobehandeling die hij kreeg tegen kanker. Tijdens zijn revalidatie bespreekt hij met zijn geneeskundig team hoe hij terug kan integreren in de maatschappij. Omdat hij in het verleden een andere taal heeft gestudeerd in het volwassenenonderwijs, besluit hij een vak in die taal te volgen aan de Universiteit Gent. 

In september 2023 schrijft hij zich in voor een taalvak aan de Universiteit Gent. Al snel blijkt dat hij door zijn revalidatie een deel van de lessen niet kan volgen omdat ze in de vroege ochtend doorgaan. Op voorstel van de docenten maakt hij de overstap naar twee andere taalvakken. De inhoud van beide vakken samen is gelijk aan de inhoud van het taalvak waarvoor hij eerst ingeschreven was, maar de lessen gaan door op tijdstippen waarop de indiener van de klacht wel kan deelnemen. Tijdens de eerste week volgt hij effectief lessen op de campus. 

Op 9 oktober 2023 heeft hij een gesprek met het aanspreekpunt voor studenten met een functiebeperking. De universiteit heeft dat gesprek ingepland om de noden van de indiener van de klacht te bespreken. Tijdens het gesprek geeft hij aan dat hij obstakels ervaart bij het volgen van lessen op de campus: hij geraakt snel uitgeput tijdens de les, de verplaatsing naar de campus vraagt veel energie en zorgt ook voor extra druk. Hij geeft aan dat hij de lessen niet meer in persoon kan volgen en vraagt of er lesopnames kunnen worden gemaakt. 

Het aanspreekpunt antwoordt dat lesopnames wel kunnen worden toegestaan voor hoorcolleges, maar niet voor werkcolleges. Het aanspreekpunt legt uit dat studenten tijdens een werkcollege oefeningen maken en er veel interactie is tussen studenten. De docent begeleidt de studenten bij het maken van de oefeningen, maar doceert zelf de leerstof niet. Het aanspreekpunt verwijst ook naar het beleid van de Universiteit Gent volgens hetwelk werkcolleges omwille van hun interactiviteit niet worden opgenomen, ook niet voor studenten met een handicap. Een redelijke aanpassing in de vorm van lesopnames kan enkel worden gevraagd voor hoorcolleges. 

Het aanspreekpunt voor studenten met een functiebeperking bespreekt de vraag naar lesopnames toch met de docenten van de vakken. Deze bevestigen echter dat het niet mogelijk is om lesopnames van de werkcolleges te maken. 

Na het gesprek van 9 oktober 2023 geeft de Universiteit Gent aan de indiener van de klacht het bijzonder statuut van student met een functiebeperking. Zij kent daarbij de volgende aanpassingen (“onderwijs- en/of examenfaciliteiten”) toe: 

  • 25% meer tijd voor het afleggen van een schriftelijk examen;
  • 50% meer voorbereidingstijd bij een mondeling examen;
  • in geval van een opstoot tijdens de blok- en/of examenperiode kan de student een beroep doen op de faciliteit 'voorzien van een alternatief examenmoment binnen hetzelfde academiejaar, binnen of buiten de voorziene examenperiode';
  • toelaten dat de student eten en/of drinken bij de hand heeft;
  • toelaten dat de student medicatie en/of medisch materiaal bij de hand heeft.

Op 16 oktober 2023 doen de docenten van de betrokken vakken nog een voorstel aan de indiener van de klacht. Enerzijds bevestigen ze dat er geen lesopnames mogelijk zijn voor de werkcolleges. Anderzijds stellen ze voor dat hij de oefeningen thuis maakt en ze aan de docenten bezorgt via e-mail. De docenten zullen deze oefeningen dan verbeteren en aan hem terugbezorgen. De indiener van de klacht antwoordt niet meer op dit voorstel. 

De klacht wordt op 10 januari 2025 aan de Geschillenkamer bezorgd. 

Standpunten partijen

Standpunt indiener klacht

De indiener van de klacht geeft aan dat hij gehandicapt is verklaard en dat hij problemen ervaart met zelfredzaamheid. Hij stelt dat de Universiteit Gent hem heeft gediscrimineerd op grond van zijn handicap door de weigering van redelijke aanpassingen.

Hij geeft aan dat de weigering van de lesopnames duidelijk maakte dat hij niet welkom is aan de Universiteit Gent. De universiteit heeft hem behandeld alsof hij een student was “zoals een ander”, terwijl een aangepaste aanpak nodig is voor studenten met een beperking. 

De indiener van de klacht betwist dat zijn vraag naar lesopnames een onevenredige belasting zou betekenen voor de Universiteit Gent. 

Ten eerste heeft hij zelf als leerkracht gewerkt en de coronapandemie meegemaakt vanuit het klaslokaal. Hij weet daardoor dat er digitale leervormen bestaan om leerlingen met gezondheidsproblemen te betrekken in de klas. Daarbij komen leerlingen in beeld en beweegt de leerkracht dynamisch, maar heeft elke leerling thuis toch de kern van de les kunnen opvangen.

Ten tweede heeft hij tijdens de coronapandemie een taalvak gevolgd in het volwassenenonderwijs. Dat verliep geheel online en hij heeft er toch een basis van die taal door aangeleerd.

Ten derde haalt hij aan dat een andere universiteit in Vlaanderen, in tegenstelling tot de Universiteit Gent, een leslokaal heeft met de infrastructuur die nodig is om leerlingen aan het woord te laten via verschillende schermen. Hij weet dit omdat hij zich had ingeschreven voor een cursus die doorgaat in het betrokken leslokaal van die andere universiteit. 

Ten slotte betwist hij dat zijn medestudenten in de taalvakken aan de Universiteit Gent schroom zouden voelen bij het spreken van die andere taal en daarom geen lesopnames zouden willen. Hij heeft in ieder geval niets gemerkt van die schroom tijdens de eerste lessen, die hij samen met hen heeft gevolgd. Een aantal van deze studenten spreekt trouwens die taal thuis.

De indiener van de klacht besluit dat de universiteit moet meegaan in een tijd waarin ook personen met een functiebeperking willen studeren. De universiteit moet meer investeren in nieuwe manieren van lesgeven en in infrastructuur waardoor iedereen welkom kan zijn.

Het alternatief voorstel van de docenten om zijn oefeningen thuis te maken en aan de docenten te bezorgen, was voor de indiener van de klacht geen volwaardig alternatief. Hij stelt dat hij dan beter op eigen initiatief een studieboek kon doornemen of een zelfcursus kon kopen en de taal kon leren met een cd.

Standpunt verweerster

De Universiteit Gent stelt dat er geen sprake is van discriminatie. Zij heeft de indiener van de klacht niet op dezelfde manier behandeld als studenten zonder handicap. Zijn bijzonder statuut op grond van zijn functiebeperking werd goedgekeurd en er werd in overleg geluisterd naar de ondersteuningsnoden van de indiener van de klacht en bekeken welke redelijke aanpassingen daaraan tegemoet kunnen komen. Zij heeft hem net verschillend behandeld, door hem een bijzonder statuut op grond van functiebeperking toe te kennen. Ze heeft geluisterd naar zijn ondersteuningsnoden en in overleg met hem een aantal faciliteiten toegekend. De universiteit heeft dus in redelijke aanpassingen voorzien.

De universiteit geeft aan dat de indiener van de klacht op voorhand wist dat deelname aan de lessen belangrijk was en dat er geen alternatieven waren voor de betrokken vakken. Tijdens een voorafgaand contact met de docenten hadden zij hem laten weten dat aanwezigheid in de lessen niet verplicht is, maar wel wenselijk zou zijn om vooruitgang te maken bij het leren van de taal. De universiteit verwijst ook naar de studiefiches van beide vakken. Daaruit blijkt dat werkstudenten kunnen worden vrijgesteld van aanwezigheid in de lessen, maar dat zij geen extra ondersteunend lesmateriaal krijgen.

Voor de weigering van lesopnames verwijst de universiteit naar haar algemeen beleid. Onder dat beleid kunnen studenten de redelijke aanpassing van lesopnames enkel krijgen voor hoorcolleges en niet voor werkcolleges. De universiteit benadrukt dat het aanspreekpunt voor studenten met een functiebeperking toch nog de mogelijkheid van lesopnames met de betrokken docenten heeft besproken. De docenten hebben op deze vraag echter negatief geantwoord.

De universiteit stelt dat de vraag naar lesopnames een onevenredige belasting zou betekenen voor haar, omwille van de financiële en organisatorische gevolgen en de impact op haar medewerkers en andere studenten. Zoals aangegeven in artikel II.276, § 3, van de Codex Hoger Onderwijs mogen aanpassingen voor studenten met een functiebeperking geen onevenredige belasting uitmaken.

De universiteit geeft aan om volgende redenen niet af te wijken van haar beleid rond het niet-opnemen van werkcolleges:

  • De werkcolleges zijn interactief en daardoor moeilijk te filmen. De studenten zijn zelf veel aan het woord en de docent loopt door het lokaal. Daardoor volstaat de standaardopstelling in leslokalen, waarbij een camera een statische opname maakt van een docent die aan het bord staat, niet in dit geval.
  • Het leren van een nieuwe taal vraagt ook een veilige omgeving voor alle studenten. De indiener van de klacht volgde twee vakken in het eerste bachelorjaar. Tijdens dat eerste jaar kennen studenten elkaar nog niet en zetten ze hun eerste stappen in een nieuwe taal. In die omstandigheden zorgen lesopnames voor een grote drempel onder studenten om in interactie te gaan. Dit heeft een negatieve impact op het leereffect. Om in overeenstemming te zijn met de Algemene Verordening Gegevensverwerking (AVG), zou de universiteit ook de toestemming van de andere studenten moeten krijgen om in beeld te komen tijdens de lesopnames.
  • De universiteit heeft geen leslokaal met de infrastructuur die volgens haar nodig is (practicumlokaal met meerdere mobiele camera’s) om opnames te maken van de werkcolleges. Daarvoor zijn meerdere mobiele camera’s nodig. Daarin voorzien, alleen voor de indiener van de klacht, zou een te grote financiële inspanning van de universiteit vragen. Het gaat immers om dure infrastructuur waarnaar geen of maar zeer beperkte vraag is.
  • Zelfs als de universiteit over aangepaste infrastructuur zou beschikken, is daarmee nog niet verzekerd dat bruikbare opnames kunnen worden gemaakt en dat de kwaliteit van de opnames gegarandeerd is. Om te kunnen werken met het materiaal zou het geheel van het werkcollege ook moeten worden gemonteerd. Dit zou disproportioneel veel tijd vragen van de medewerkers van de universiteit. Het zou ook zorgen voor een bijkomende personeelskost.
  • Lesopnames maken van werkcolleges doet ook afbreuk aan de efficiëntie en het opzet van de werkcolleges. De oefeningen kunnen minder dynamisch doorgaan, docenten kunnen zich niet meer vrij bewegen want ze moeten hoorbaar blijven in de opname, antwoorden die studenten geven moeten herhaald worden om hoorbaar te blijven in de opname, enzovoort.

De universiteit geeft verder nog aan dat de docenten van de betrokken vakken wel degelijk een gelijkaardig alternatief hebben aangeboden om via een redelijke aanpassing toch het leerresultaat te bereiken. Zij hebben voorgesteld dat de indiener van de klacht thuis oefeningen zou maken en doorsturen. De docenten zouden dan feedback geven op zijn vooruitgang. Ze engageerden zich ook om, als dit systeem van feedback zou werken, online video-gesprekken met de indiener te organiseren om hem individueel verder te begeleiden. De universiteit betreurt dat de indiener van de klacht niet meer heeft gereageerd op dit voorstel. 

Beoordeling door de Geschillenkamer

De Geschillenkamer moet in deze zaak beoordelen of de Universiteit Gent redelijke aanpassingen heeft geweigerd voor een persoon met een handicap door de vraag van de indiener van de klacht naar lesopnames af te wijzen.

I. Weigering van redelijke aanpassingen op grond van handicap

A. Algemene beginselen

Redelijke aanpassingen zijn aanpassingen waarop een persoon met een handicap recht heeft om te verzekeren dat die ten volle, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid kan participeren in de samenleving. Die aanpassingen moeten obstakels voor een gelijkwaardige participatie voor de persoon met een handicap wegnemen. Een gevraagde aanpassing is dus een redelijke aanpassing als die er inderdaad voor kan zorgen dat de persoon met handicap op gelijkwaardige manier kan deelnemen aan bijvoorbeeld het onderwijs. 

Een gevraagde redelijke aanpassing kan enkel worden geweigerd als ze een onevenredige belasting zou betekenen voor degene die de aanpassing zou moeten doen.  

Een discriminerende weigering van redelijke aanpassingen voor personen met een handicap in het onderwijs vindt dus plaats wanneer:    

  • personen met een handicap een beperking ervaren in hun gelijkwaardige participatie in de samenleving;  
  • zij hiervoor redelijke aanpassingen vragen die obstakels voor gelijkwaardige participatie wegnemen;  
  • en die redelijke aanpassingen geweigerd worden, ook al betekenen ze geen onevenredige belasting. [1]

De indiener van de klacht moet feiten aanvoeren die een weigering van redelijke aanpassingen kunnen doen vermoeden. Het is dan aan de verweerder om te bewijzen dat de gevraagde aanpassingen onredelijk zijn of een onevenredige belasting zouden betekenen.  

In deze zaak voert de indiener van de klacht aan dat:    

  • hij niet meer op de campus kon deelnemen aan lessen als gevolg van de blijvende impact van een zware chemobehandeling (beperking gelijkwaardige participatie in de samenleving); 
  • hij aan de universiteit heeft gevraagd om lesopnames te maken, zodat hij de lessen thuis kon volgen (aanpassing die obstakels voor de gelijkwaardige participatie wegneemt);
  • en de universiteit deze aanpassing heeft geweigerd, terwijl ze geen onevenredige belasting zou betekenen voor haar.

De universiteit betwist niet dat de indiener van de klacht een beperking ervaart in zijn gelijkwaardige participatie in het onderwijs. De universiteit geeft wel aan dat de gevraagde aanpassing niet redelijk zou zijn en stelt dat de gevraagde aanpassing in ieder geval een onevenredige belasting zou betekenen.

De Geschillenkamer onderzoekt deze elementen achtereenvolgens. 

B. Redelijke aanpassing 

De Geschillenkamer onderzoekt in deze stap of de gevraagde aanpassing, namelijk lesopnames van werkcolleges, redelijk is.

Een aanpassing is redelijk als ze ervoor kan zorgen dat de persoon met een handicap gelijkwaardig kan deelnemen in de samenleving. De aanpassing moet, met andere woorden, haar doel bereiken en afgestemd zijn op de behoeften van de persoon met een handicap. De redelijkheid van een aanpassing verwijst dus naar de relevantie, geschiktheid en doeltreffendheid van de aanpassing voor de persoon met een handicap. [2] Redelijke aanpassingen worden afgestemd op de individuele noden van de persoon met een handicap en kunnen onder andere betrekking hebben op het curriculum, de organisatie van het onderwijs, de vorm van lesmateriaal, de infrastructuur van de onderwijsinstelling en de evaluatievormen. [3]

De term “redelijkheid” slaat niet op de beoordeling van de kosten van de gevraagde aanpassingen of de beschikbare middelen. Dit gebeurt in een eventuele volgende stap (voor zover de gevraagde aanpassingen redelijk zijn), waarin de Geschillenkamer nagaat of er sprake is van een onevenredige belasting. [4]

De indiener van de klacht geeft aan dat de opnames van werkcolleges hem in staat stellen om de lessen thuis te kunnen volgen. Dit heeft voor hem een belangrijke meerwaarde. Hij moet zich niet verplaatsen en kan zich op die manier toch de stof trachten eigen te maken. De universiteit stelt dat de gevraagde lesopnames niet noodzakelijk zinvol en bruikbaar zouden zijn voor de indiener van de klacht. De betrokken werkcolleges verlopen immers interactief, waardoor het moeilijk zou zijn om ze te volgen als lesopname. Ook zou de kwaliteit van de opnames niet kunnen worden gegarandeerd. Tijdens de zitting heeft de universiteit verder verduidelijkt dat zij niet zomaar lesopnames wil aanbieden als deze niets waard zijn en er betere oplossingen zijn. 

De universiteit blijkt daarbij aan te voeren dat de gevraagde aanpassing niet redelijk is, omdat lesopnames niet voldoende kwalitatief of bruikbaar zouden zijn om de obstakels weg te nemen die de indiener van de klacht ervaart.

De Geschillenkamer volgt een dergelijk argument niet. Ten eerste houdt het argument nauw verband met de argumenten van de universiteit over de onevenredige belasting van de gevraagde aanpassing. Het verzekeren van een hoogwaardige opname zou volgens de universiteit immers een onevenredige belasting betekenen voor haar. Het past dan ook om alle argumenten over de kwaliteit van de opname samen te beoordelen onder de onevenredige belasting (zie C. Onevenredige belasting). Ten tweede veronderstelt het redelijke karakter van een gevraagde aanpassing niet dat deze aanpassing de obstakels die een persoon met een handicap ervaart volledig wegneemt. Om als redelijk te worden beschouwd, volstaat het dat de gevraagde aanpassing een bijdrage kan leveren aan het wegnemen van die obstakels. Daarbij moet worden beoordeeld of de aanpassing relevant, geschikt en doeltreffend is om obstakels voor gelijkwaardige participatie weg te nemen. [5]

De Geschillenkamer merkt in dit verband nog op dat de universiteit ook niet heeft geprobeerd om een lesopname te maken. De universiteit lijkt voor de indiener van de klacht te hebben beslist dat lesopnames niet kunnen beantwoorden aan zijn noden. De universiteit kon echter niet zonder meer voor de indiener van de klacht beslissen dat lesopnames niet zouden beantwoorden aan zijn noden, terwijl de indiener van de klacht overtuigd was dat dit wel het geval zou zijn. Dit sluit aan bij het gegeven dat de vraag naar redelijke aanpassingen in open dialoog besproken moet worden tussen de betrokken partijen. [6] Tijdens deze dialoog moeten de noden van de persoon met een handicap geïdentificeerd worden, om uit te komen op redelijke aanpassingen op maat van de betrokken persoon met een handicap. [7]

De Geschillenkamer ziet ook aanwijzingen dat de universiteit voor de betrokken indiener redelijke aanpassingen voor een belangrijk deel blijkt in te vullen in termen van examens. De Geschillenkamer benadrukt dat het belangrijk is om redelijke aanpassingen te maken doorheen het gehele onderwijsproces, zodat studenten met een handicap gelijkwaardig kunnen participeren aan alle onderdelen van het onderwijs (en niet alleen de examens). Voor de Geschillenkamer is het daarbij aannemelijk dat lesopnames van werkcolleges wel degelijk relevant, geschikt en doeltreffend kunnen zijn om de obstakels weg te nemen die de indiener van de klacht ervaart bij het deelnemen aan het onderwijs. De universiteit toont in ieder geval niet aan dat de gevraagde aanpassing onredelijk is. 

C. Onevenredige belasting

De Geschillenkamer onderzoekt in deze stap of de gevraagde aanpassing van lesopnames een onevenredige belasting zou betekenen voor de universiteit.

Een vraag naar redelijke aanpassingen kan worden geweigerd als die redelijke aanpassingen een onevenredige belasting zouden inhouden. Dit concept lijnt af tot waar redelijke aanpassingen moeten worden geboden. [8] Hierbij wordt de impact van de redelijke aanpassing voor degene die haar moet doorvoeren en voor de ruimere omgeving bekeken in het licht van het doel van de aanpassing (de gelijkwaardige participatie voor de persoon met de handicap). Relevante factoren bij deze afweging zijn onder meer: de financiële en organisatorische impact van de aanpassing, de haalbaarheid van de aanpassing, de aanwezigheid van voor de hand liggende of wettelijk verplichte normen en de positieve of negatieve impact op anderen in de omgeving. [9]

Het is aan de Universiteit Gent om te bewijzen dat de gevraagde aanpassing voor haar een onevenredige belasting zou betekenen.

De universiteit verwijst hiervoor naar haar algemeen beleid over lesopnames. Dat beleid stelt dat het belang van aanwezigheid van de studenten in de lessen en op de campus groot is, vooral in de eerste jaren van opleidingen. Ook wordt daarin aangegeven dat lessen waarbij de interactie centraal staat en/of waarbij de aanwezigheid in de les een duidelijke meerwaarde heeft voor de student, beter niet worden opgenomen. Dit neemt evenwel niet weg dat studenten die door een handicap niet aanwezig kunnen zijn op de campus, redelijke aanpassingen moeten kunnen krijgen. 

Volgens de universiteit zou het maken van lesopnames van werkcolleges, zoals gevraagd door de indiener van de klacht, toch een onevenredige belasting betekenen. De universiteit voert daarvoor de volgende argumenten aan:

  • Werkcolleges zijn interactief en kunnen volgens de universiteit niet worden gefilmd met de standaardopstelling in leslokalen, waarbij een camera een statische opname maakt van een docent die aan het bord staat.
  • De universiteit beschikt niet over een leslokaal met de nodige infrastructuur om zinvolle opnames te maken van de werkcolleges. Daarvoor zijn meerdere mobiele camera’s nodig. Daarin voorzien, alleen voor de indiener van de klacht, zou volgens de universiteit een te grote financiële inspanning van de universiteit vragen.
  • Zelfs als de universiteit over een leslokaal met meerdere mobiele camera’s zou beschikken, moet het geheel van de lesopname nog worden gemonteerd om voor een zinvolle opname te zorgen. De universiteit stelt dat dit disproportioneel veel tijd zou vragen van de medewerkers van de universiteit.
  • De organisatorische impact van de gevraagde lesopnames is volgens de universiteit aanzienlijk: oefeningen zouden minder dynamisch kunnen doorgaan, docenten zouden zich niet meer vrij kunnen bewegen want ze moeten hoorbaar blijven in de opname, antwoorden die studenten geven zouden herhaald moeten worden om hoorbaar te blijven in de opname, enzovoort.
  • Het gaat om vakken uit het eerste bachelorjaar, waarbij studenten elkaar nog niet kennen en hun eerste pogingen doen om een andere taal te praten. Lesopnames zouden voor een te grote drempel zorgen onder studenten om in interactie te gaan. Om in overeenstemming te zijn met de Algemene Verordening Gegevensverwerking (AVG), zou de universiteit ook de toestemming van de andere studenten moeten bekomen om in beeld te komen tijdens de lesopnames.

De Geschillenkamer is van oordeel dat de Universiteit Gent niet heeft aangetoond dat de gevraagde aanpassing daadwerkelijk een onevenredige belasting zou betekenen voor haar.

Tijdens de zitting heeft de universiteit aangegeven dat er rond de 50.000 studenten zijn ingeschreven, dat zij over 12.000 personeelsleden beschikt en dat er op het centrale niveau een team is van 11 medewerkers die personen met een handicap begeleiden. De universiteit is dus een grote organisatie, die een grotere organisatorische en financiële draagkracht heeft dan andere organisaties om redelijke aanpassingen te voorzien.

De universiteit maakt niet aannemelijk dat zij de financiële impact van een redelijke aanpassing in de vorm van lesopnames van werkcolleges niet zou kunnen dragen. Zij maakt ook niet aannemelijk dat de organisatorische impact en de impact op haar medewerkers onevenredig zou zijn aan het voordeel van de gevraagde aanpassing voor de indiener van de klacht. In dat verband kan worden aangenomen dat de mogelijkheid om lesopnames te vragen van werkcolleges ook een positieve impact zou hebben op andere studenten met een handicap aan de universiteit, die zich in een gelijkaardige situatie bevinden als de indiener van de klacht, zowel nu als in de toekomst. 

De Geschillenkamer stelt verder vast dat op verschillende manieren kon worden tegemoetgekomen aan de vraag van de indiener van de klacht, die moeilijkheden ondervond om naar de campus te gaan. Een manier, zoals aangehaald door de universiteit, is een gespecialiseerd leslokaal inrichten met meerdere camera’s en een gemonteerde opname van de les maken. Er zijn echter ook andere manieren denkbaar om een gelijkaardig resultaat te bekomen, zoals een extra laptop in het leslokaal plaatsen waarop de indiener van de klacht wordt afgebeeld. Op die manier zou hij actief kunnen volgen van thuis uit. De indiener van de klacht heeft deze mogelijkheid van live-streaming ter sprake gebracht tijdens de zitting. De universiteit heeft daarop aangegeven dat live-streaming omwille van gelijkaardige redenen als bij lesopnames een onevenredige belasting zou betekenen, vooral door de impact op medestudenten.

De Geschillenkamer bevestigt dat een negatieve impact van een aanpassing op de leermogelijkheden van andere studenten een onevenredige belasting kan vormen waardoor een aanpassing mag worden geweigerd. [10] De Universiteit Gent toont echter niet aan dat de impact op andere studenten dermate groot is dat ze opweegt tegen het voordeel van de gevraagde aanpassing voor de indiener van de klacht. 

Tijdens de zitting bleek dat er maximaal 11 andere studenten aanwezig waren tijdens de betrokken werkcolleges. De universiteit beweert dat deze medestudenten schroom zouden hebben om te praten tijdens de les als er opnames zouden worden gemaakt. Het ging om een beperkte groep studenten, waarvan de indiener van de klacht aangeeft dat hij minstens enkelen van hen had gesproken tijdens de lessen die hij wel op de campus had gevolgd. De Geschillenkamer kan niet zonder meer aannemen dat deze studenten schroom zouden hebben bij lesopnames die alleen toegankelijk zouden zijn voor de indiener van de klacht. Wat betreft de eventuele toestemming die zou nodig zijn in het licht van de AVG, toont de universiteit ook niet aan dat deze gevraagd is, noch dat het niet mogelijk zou zijn om dit te doen. 

Wat betreft de organisatorische impact die de universiteit van de gevraagde lesopnames zou ondervinden (minder vrij kunnen bewegen, het eventueel moeten herhalen van antwoorden, minder dynamiek in de oefeningen,…) is de Geschillenkamer van oordeel  dat van een universiteit, zowel van haar docenten als van haar studenten, mag worden verwacht dat zij enige flexibiliteit aan de dag legt als een student met een handicap een redelijke aanpassing vraagt om hem toe te laten deel te nemen aan het onderwijs. Deze flexibiliteit is niet eindeloos, maar in dit geval is niet aangetoond dat de organisatorische impact van de gevraagde aanpassing onevenredig zou zijn.

Het is juist dat de docenten van de betrokken vakken in dit geval een alternatief hebben voorgesteld aan de indiener van de klacht, waarop deze niet meer heeft geantwoord. Het voorstel bestond erin dat de indiener thuis de oefeningen kon maken en ze doorsturen aan de docenten door ze in te scannen of er een foto van te nemen. Zij zouden dan feedback geven op zijn vooruitgang. Volgens de universiteit hebben de docenten zich ook geëngageerd om online video-gesprekken van 30 minuten met de indiener van de klacht te organiseren om hem individueel verder te begeleiden. 

Uit de bijgebrachte overtuigingsstukken blijkt echter niet dat dit voorstel hem effectief heeft bereikt. In de relevante e-mails aan de indiener van de klacht wordt alleen verwezen naar een voorstel om thuis oefeningen te maken en hierop schriftelijke feedback te krijgen. 

Uit het dossier blijkt dat ook de medestudenten van de indiener van de klacht thuis oefeningen en taken moesten maken en indienen bij de docenten. Uit de studiefiches van de betrokken vakken blijkt verder dat alle studenten individuele begeleiding konden krijgen na afspraak met de lesgevers. Het blijkt dan ook niet dat het door de docenten gedane voorstel daadwerkelijk een alternatieve redelijke aanpassing voor een student met een handicap was, in plaats van een verwachting of mogelijkheid die voor alle studenten bestond. 

Uit het standpunt van de universiteit en de studiefiches blijkt ook duidelijk dat mondelinge interactie en het inoefenen van onder meer uitspraak en intonatie cruciale onderdelen zijn van de vakken die de indiener van de klacht volgde. Het is onduidelijk hoe hij deze leerdoelen kon bereiken alleen door schriftelijke oefeningen in te dienen en hierop schriftelijke feedback te krijgen. 

Het voorstel van de docenten kan dan ook niet worden beschouwd als een gelijkwaardig alternatief voor de indiener van de klacht. Het feit dat hij niet heeft geantwoord op het voorstel doet hieraan geen afbreuk.

Voor de Geschillenkamer heeft de Universiteit Gent dan ook niet aangetoond dat de gevraagde aanpassing een onevenredige belasting zou betekenen. 

Oordeel

Om die redenen oordeelt de Geschillenkamer dat er sprake is van een ongerechtvaardigde weigering van een redelijke aanpassing en dus van discriminatie op grond van handicap overeenkomstig het Gelijkekansendecreet.

Aanbevelingen van de Geschillenkamer

Om de vastgestelde discriminatie te beëindigen, beveelt de Geschillenkamer de Universiteit Gent aan om:

  • als structurele maatregel haar beleid over lesopnames aan te passen, zodat studenten met een handicap ook bij werkcolleges en andere interactieve onderwijsvormen lesopnames kunnen vragen indien zij moeilijkheden ondervinden om op de campus te geraken, waarbij telkens in dialoog met de betrokken student wordt nagegaan of lesopnames effectief een redelijke aanpassing zouden zijn;
  • als individuele maatregel de indiener van de klacht, als hij dit wenst, opnieuw in te schrijven voor de betrokken vakken en in dialoog met hem te bepalen welke vorm van lesopname of live-streaming zou beantwoorden aan zijn huidige noden.
Voetnoten
  1. Artikel 19 Gelijkekansendecreet.
  2. Zie Algemene opmerking nr. 6 (2018) over gelijkheid en non-discriminatie van het VN-Comité
  3. voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 25.
  4. Zie Algemene opmerking nr. 4 (2016) over het recht op inclusief onderwijs van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 30; Europees Hof voor de Rechten van de Mens 23 februari 2016, nr. 51500/08, Çam t. Turkije, § 66.
  5. Algemene opmerking nr. 6 (2018) over gelijkheid en non-discriminatie van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 25.
  6. Zie onder meer Oordeel 2025-5 van 9 april 2025.
  7. Zie onder meer Oordeel 2025-5 van 9 april 2025.
  8. Zie Algemene opmerking nr. 6 (2018) over gelijkheid en non-discriminatie van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 25.
  9. Zie artikel 19 Gelijkekansendecreet en Algemene opmerking nr. 6 (2018) over gelijkheid en non-discriminatie van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over de uitvoering van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH), § 25- 26.
  10. Zie Oordeel 2025-18 van 20 juni 2025.

Download het oordeel

Ook interessant