Overslaan en naar de inhoud gaan

Waregem Sport discrimineert door moslima niet toe te staan in loszittende zwemkledij te zwemmen. De visualisatie van dat verbod is niet discriminerend.

info

Samenvatting oordeel

Situatie 

De indienster van de klacht is een moslima die graag wil zwemmen in het zwembad van Waregem Sport. Waregem Sport laat personen die een zwempak dragen enkel toe er te zwemmen als het zwempak aansluitend is. 

Volgens de indienster van de klacht is deze regel discriminerend voor haar als moslima. Bij het zwemmen draagt zij omwille van haar geloofsovertuiging specifieke zwemkledij. Die kledij bedekt het lichaam tot de polsen en enkels, en bevat ook een tuniek of rok die de lichaamsvormen verhult die anders in een nauw aansluitend zwempak wel waarneembaar zijn. 

Waregem Sport staat geen uitzondering op de regel toe voor personen in haar situatie en stelt dat de regel nodig is voor de hygiëne en veiligheid in het zwembad. 

De indienster van de klacht vindt ook dat de visuele weergave van het verbod discriminerend is. 

Beoordeling door de Geschillenkamer

De Geschillenkamer moest in deze zaak onderzoeken of er sprake is van een indirecte discriminatie op grond van geloof. 

Het verbod om loszittende zwemkledij te dragen heeft voor gevolg dat de indienster van de klacht bij het zwemmen niet de kledij zou kunnen dragen die zij in overeenstemming met haar geloofsovertuiging draagt. Op die manier wordt zij ongunstig behandeld op grond van haar geloof. 

Waregem Sport geeft aan dat de regel is ingevoerd omwille van de veiligheid en hygiëne in het zwembad. De Geschillenkamer is van oordeel dat dit legitieme doelen zijn en onderzocht vervolgens of het verbod ook passend en noodzakelijk is om deze doelen te bereiken.

Tot slot onderzoekt de Geschillenkamer of de visuele weergave van het verbod een directe discriminatie vormt. 

Hygiëne

De Geschillenkamer verwijst naar zijn eerdere oordelen 2024-8 en 2024-11, en naar het advies van het Vlaams Agentschap voor Zorg en Gezondheid van 18 maart 2016. Bij correct gebruik voldoet aangepaste, lichaamsbedekkende en min of meer loszittende zwemkledij aan de hygiënische eisen. Het is daarbij ook mogelijk en eenvoudig om aan de ingang van het zwembad te controleren of bezoekers al zwemkledij aan hebben, dan wel of zij propere en afzonderlijke zwemkledij bij zich hebben.

Veiligheid

Waregem Sport heeft niet aangetoond dat de zwemkledij die de indienster van de klacht wenst te dragen grotere veiligheidsrisico’s zou doen ontstaan dan andere, toegelaten zwemkledij.  Er zijn geen onveilige situaties gemeld en er worden geen concrete voorbeelden van reële onveilige situaties aangereikt. 

De visualisatie

De kledingvoorschriften zijn in het zwembad zichtbaar gemaakt aan de hand van een visualisatie. De Geschillenkamer begrijpt dat de indienster van de klacht die visualisatie als vijandig en niet-verwelkomend ervaart. Vanuit het perspectief van een neutrale buitenstaander is de visualisatie echter niet negatief ten aanzien van wie lichaamsbedekkende of loszittende kledij draagt, net zomin als ten aanzien van andere personen met niet-toegelaten kledij die zijn afgebeeld.

Oordeel

Om die redenen oordeelt de Geschillenkamer dat er sprake is van een indirecte discriminatie op grond van geloof overeenkomstig het Gelijkekansendecreet.

Er kan geen directe discriminatie op grond van geloof worden vastgesteld. 

Aanbevelingen van de Geschillenkamer 

Om de vastgestelde discriminatie te beëindigen, beveelt de Geschillenkamer de verweerster aan: 

  • als structurele maatregel, de kledingvoorschriften in haar reglement aan te passen zodat die ook deels loszittende, lichaamsbedekkende kledij uit zwemtextiel toelaten in het zwembad.

Volledig oordeel


De Geschillenkamer, samengesteld uit voorzitter Sarah Lambrecht, bijzitter Jelle Flo en bijzitter Jonas Riemslagh, en bijgestaan door griffier Dorien Geeroms, spreekt het volgende oordeel uit:

Procedure

De Geschillenkamer heeft de klacht ontvangen op 8 augustus 2025. 

De fase van het uitwisselen van standpunten en overtuigingsstukken werd afgerond op 27 oktober 2025. 

De Geschillenkamer ontving volgende stukken:   

  • het standpunt van de verweerster van 26 september 2025
  • het antwoord van de indienster van de klacht van 8 oktober 2025
  • het antwoord van de verweerster van 27 oktober 2025. 

De Geschillenkamer behandelde de zaak tijdens een hoorzitting op 11 maart 2026. 

De indienster van de klacht, […], was aanwezig samen met haar echtgenoot […]. Vzw Waregem Sport was vertegenwoordigd door haar advocaat S. Vandoorne.

Feiten

Op 2 juli 2024 stuurt de indienster van de klacht, […], een e-mail naar de vzw Waregem Sport, de uitbater van een zwembad in Waregem en de verweerster in deze zaak. De indienster van de klacht geeft aan dat ze in het zwembad wil zwemmen, maar dat dit voor haar niet mogelijk is omwille van de kledingvoorschriften van het zwembad. Die bepalen dat alleen nauw aansluitende zwemkledij is toegelaten. Loszittende zwemkledij is niet toegelaten. 

De indienster van de klacht draagt omwille van haar geloofsovertuiging lichaamsbedekkende en verhullende kledij, die zij zelf omschrijft als bescheiden kledij, wanneer zij kan worden gezien door mannen. Bij het zwemmen draagt zij specifieke badkledij, een zogenaamde boerkini. Die kledij is vervaardigd uit lichte en sneldrogende badstof, bedekt het lichaam tot de polsen en enkels, en bevat ook een tuniek of rok die min of meer los zit en daardoor de lichaamsvormen verhult die in een nauw aansluitend zwempak wel waarneembaar zijn. 

Daarnaast merkt zij op dat het zwembad op bepaalde tijdstippen alleen toegankelijk is voor vrouwen. Op die tijdstippen zou zij in beginsel ook in andere, nauw aansluitende badkledij kunnen zwemmen, maar er is inkijk in het zwembad vanuit de cafetaria waar zich op die ogenblikken ook mannen kunnen bevinden en er kunnen ook mannelijke redders aanwezig zijn tijdens die ogenblikken. 

De verweerster antwoordt dat de kledingvoorschriften er zijn om redenen van veiligheid en hygiëne, dat een nauw aansluitend, lichaamsbedekkend zwempak (een wetsuit) en badmuts wel zijn toegelaten, dat de ramen van de cafetaria niet zullen worden afgeschermd, en dat ook niet zal worden gewaarborgd dat enkele vrouwelijke redders aanwezig zouden zijn op de ogenblikken dat het zwembad is voorbehouden aan vrouwelijke zwemsters. 

Standpunten partijen

Standpunt indienster klacht

De indienster van de klacht stelt dat zij en andere moslima’s worden gediscrimineerd als gevolg van de kledingvoorschriften van het zwembad. Ze verwijst naar een arrest van het hof van beroep van Gent van 24 juni 2021, en naar oordeel 2024-8 van 24 september 2024 van de Geschillenkamer van het Vlaams Mensenrechteninstituut, waarin de Geschillenkamer heeft geoordeeld dat een ander zwembad direct en indirect discrimineert door het weren van lichaamsverhullende kledij. 

Zij zet uiteen dat zij om religieuze redenen gesluierd moet zijn, en loszittende, lichaamsbedekkende kledij moet dragen. Het is haar niet toegestaan om kleding te dragen die nauw aansluitend is en waarbij de vorm van het vrouwelijk lichaam zichtbaar is voor een man. Een zwempak of wetsuit beantwoordt niet aan de kledingvoorschriften van haar geloof. 

Zij houdt voor dat lichaamsverhullende en loszittende kledij niet minder veilig of hygiënisch is dan minder lichaamsverhullende of nauw aansluitende kledij en heeft documenten bezorgd aan de verweerster die dit ook staven. Als het probleem zou zijn dat bezoekers soms al bij aankomst bij het zwembad de kledij dragen waarin zij willen zwemmen of ondergoed dragen onder hun zwemkledij, dan moet het zwembad er maar op toezien dat bezoekers zich daadwerkelijk gaan omkleden en propere, specifieke zwemkledij aantrekken voordat zij het zwembad betreden. 

Verder haalt zij aan dat ook niet blijkt dat lichaamsverhullende en loszittende kledij onveilig zou zijn. 

Ook merkt zij op dat dergelijke kledij in meerdere andere zwembaden in België en Nederland wel is toegestaan. Het is niet aannemelijk dat er in die andere zwembaden geen bekommernis zou zijn om veiligheid en hygiëne. 

Volgens haar vormt ook de manier waarop de kledingvoorschriften worden bekendgemaakt een discriminatie. De verweerster heeft wel de tekst bij de pictogrammen aangepast en de woorden “burkini’s en hoofddeksels” vervangen door “loszittende zwemkleding, hoofddeksels”, maar de bijhorende tekening is dezelfde gebleven, namelijk een vrouw die een zogenaamde boerkini draagt.  Dit kan zo begrepen worden dat in wezen moslima’s niet zijn toegelaten, wat wordt benadrukt door de afbeelding van een rood kruis en een rode achtergrond waarop een moslima is afgebeeld. Op die manier krijgen mensen die niets van de islam weten een negatief beeld van moslima’s.

Standpunt verweerster

De verweerster stelt, ten eerste, dat de klacht onontvankelijk is omdat niet zeker is dat de klacht gaat over één van de beschermde kenmerken uit artikel 15bis van het Gelijkekansendecreet. 

De indienster van de klacht toont met name niet aan dat haar klacht gaat over een religieuze verplichting. Zij stelt dat zwemmen in aansluitende zwemkleding niet is toegelaten onder het islamitische geloof. Volgens de verweerster zijn er echter verschillende vrouwelijke zwemsters die islamitisch zijn en wel nauw aansluitende zwemkledij dragen en de voorschriften van het zwembad volgen.

Vervolgens haalt verweerster aan dat het is toegelaten om te zwemmen in zwempak, ook met lange mouwen, en badmuts. Ook zijn andere maatregelen genomen om tegemoet te komen aan mogelijke bezorgdheden. Zo is het zwembad op bepaalde tijdstippen uitsluitend toegankelijk voor vrouwen. 

Het is om de veiligheid en waterkwaliteit voor alle gebruikers van het zwembad te verzekeren dat alleen nauw aansluitende zwemkleding wordt toegestaan. 

De verweerster merkt op dat op die en ook andere punten deze zaak verschillend is van de zaak die is behandeld in oordeel 2024-8 van de Geschillenkamer, waarnaar de indienster van de klacht verwijst. 

In die zaak waren de kledingvoorschriften verschillend. Het ging om kledingvoorschriften waarbij enkel zwemkledij tot aan de ellebogen en tot boven de knieën is toegelaten. Bij verweerster is ook lange zwemkledij toegelaten, op voorwaarde dat die aansluitend is. Verweerster voorziet ook tijdstippen waarop het zwembad uitsluitend toegankelijk is voor vrouwen. Verder ging het in eerdere oordelen van de Geschillenkamer om buitenzwembaden, maar in deze zaak om een binnenzwembad. De kwaliteitscontrole en hygiënische context is anders. De impact van badgasten op de waterkwaliteit is beperkter in buitenzwembaden. In binnenzwembaden is het watervolume beperkter, het gebruik intensiever, en zijn er minder externe factoren met een impact op de waterkwaliteit. 

De verweerster betwist dat er sprake kan zijn van directe discriminatie. Er is een algemeen verbod om het zwembad te betreden met onaangepaste kledij, waaronder loszittende kledij en kledij in een andere stof dan zwemtextiel. Aan de indienster van de klacht wordt de toegang niet ontzegd omwille van haar geloof. De verweerster bestempelt personen die een zogenaamde boerkini dragen niet als onveilig of onhygiënisch. 

Er is volgens de verweerster ook geen sprake van indirecte discriminatie. De kledingvoorschriften van het zwembad dienen immers twee legitieme doelen: de waterkwaliteit verzekeren en de veiligheid beschermen. De kledingvoorschriften zijn passend en noodzakelijk om deze doelen te bereiken. 

De hygiëne van de zwemkleding is essentieel om de waterkwaliteit te beschermen. Zwemkleding moet proper zijn, mag niet eerder gedragen zijn en eronder mag geen ondergoed worden gedragen. Dat is belangrijk omdat overblijfselen van lichaamszweet, urine, stoelgang en ander vuil het zwembadwater aanzienlijk kunnen bevuilen. Vuil zwembadwater kan irritaties, uitslag, ontstekingen of infecties veroorzaken. 

Om daarbij geen risico te nemen, verbiedt de verweerster alle loszittende zwemkleding. Dit geldt zowel voor losse boxershorts als voor rokjes en zogenaamde boerkini’s. Nauw aansluitende zwemkleding zorgt ervoor dat er minder verspreiding is van vuil in het water en maakt het voor het personeel eenvoudig om te zien of onder de kledij nog een ander kledingstuk wordt gedragen, zonder dat fysieke controles moeten gebeuren. De kledingvoorschriften zijn dus passend om het doel van waterkwaliteit te bereiken. 

De kledingvoorschriften zijn ook noodzakelijk om de veiligheid van de badgasten te waarborgen. Loszittende zwemkleding kan gemakkelijker vasthaken aan trappen, zwembadroosters of andere onderdelen van het zwembad. Dit kan zorgen voor ongevallen, verwondingen of beschadiging van de zwemkleding. Ook de redders kunnen worden gehinderd tijdens een reddingsoperatie. Zij kunnen verwikkeld raken in loszittende kleding of eraan blijven haperen. Bovendien geldt: hoe meer kleding, hoe groter de verzwarende werking ervan in het water. 

Er zijn geen minder verregaandere ingrepen die de veiligheidsdoelstelling op een effectieve manier kunnen bereiken. 

Het pictogram waarnaar de indienster van de klacht verwijst is tot slot een loutere visualisatie van de toegelaten en niet-toegelaten zwemkledij. Daarbij worden verschillende loszittende kledingstukken weergegeven: rokjes, kleedjes, en losse zwemkostuums of zogenaamde boerkini’s. Uit de visualisatie kan dus geen discriminatie worden afgeleid. De verweerster heeft de visualisatie ook aangepast naar aanleiding van opmerkingen van de indienster van de klacht. Er wordt niet langer een expliciete vermelding van “boerkini’s” in opgenomen.

Beoordeling door de Geschillenkamer 

De Geschillenkamer moet in deze zaak beoordelen of de feiten betrekking hebben op een beschermd kenmerk (I) en of er sprake is van indirecte (II) en directe (III) discriminatie op grond van geloofsovertuiging, die de indienster in het bijzonder ervaart als moslima.

I. Ontvankelijkheid 

De verweerster houdt voor dat de klacht niet ontvankelijk zou zijn omdat de indienster van de klacht niet zou aantonen dat haar bekommernis betrekking heeft op een religieuze verplichting, zodat geen zekerheid bestaat dat haar klacht betrekking heeft op een door het decreet beschermd kenmerk. Daarbij merkt verweerster ook op dat verschillende vrouwen die moslima zijn gebruik maken van het zwemuurtje voor vrouwen, en gebruik maken van de het zwembad in overeenstemming met de geldende kledijvoorschriften, met name, door zwemkledij te dragen die lichaamsbedekkend is, maar ook nauw aansluitend. 

Artikel 15bis van het Gelijkekansendecreet van 10 juli 2008 bepaalt dat geloof een beschermd kenmerk is. De indienster van de klacht houdt (onder meer) voor dat zij omwille van haar geloof loszittende en lichaamsverhullende kledij draagt bij het zwemmen, en dat zij dus ongunstig wordt behandeld omwille van haar geloof door een verbod op het dragen van dergelijke kledij bij het zwemmen. De Geschillenkamer neemt aan dat het dragen van lichaamsverhullende en loszittende kledij voor de indienster van de klacht is hoe zij haar geloofsovertuigingen in de praktijk brengt, en dat dit nauw verbonden is met die geloofsovertuiging.[1] Dat andere moslima’s op een andere manier hun geloof in de praktijk brengen, doet daaraan geen afbreuk. Of de indienster van de klacht ook werkelijk ongunstig wordt behandeld omwille van haar geloof, valt samen met de beoordeling van de klacht ten gronde. De klacht is niet onontvankelijk omdat de klacht geen verband zou houden met een beschermd kenmerk.

II. Indirecte discriminatie 

De indienster van de klacht wenst te zwemmen in loszittende en verhullende kledij omwille van haar geloofsovertuiging. Zij stelt dat de uitbater van het zwembad dit niet toestaat. Zij haalt aan dat de verweerster wel afzonderlijke tijdstippen voorziet waarop het zwembad uitsluitend toegankelijk is voor vrouwen, maar daarbij niet waarborgt dat geen mannelijke redders aanwezig zouden zijn. Zij merkt op dat ook op die tijdstippen het zwembad en dus de zwemmers nog steeds gezien kunnen worden vanuit de cafetaria. Hierdoor vormt dit voor haar geen volwaardig alternatief. Nochtans moet het mogelijk zijn om bijvoorbeeld schermen of gordijnen te plaatsen zodat het zicht vanuit de cafetaria wordt belemmerd op die tijdstippen.

A. Algemene beginselen 

Een indirecte discriminatie op grond van geloof vindt plaats wanneer:

  • een op het eerste gezicht neutrale praktijk;
  • personen met die beschermde kenmerken in vergelijking met andere personen kan benadelen;
  • tenzij die praktijk objectief wordt gerechtvaardigd. Dit is het geval wanneer de praktijk een legitiem doel nastreeft en de middelen om dit doel te bereiken passend en noodzakelijk zijn.[2] Als aan die voorwaarden is voldaan, moet ten slotte een afweging worden gemaakt tussen het nadeel voor personen met een of meer beschermde kenmerken en het belang van het nagestreefde doel. 

De Geschillenkamer onderzoekt deze elementen in twee stappen. Als de indienster van de klacht feiten aanvoert die het bestaan van een discriminatie kunnen doen vermoeden, valt de bewijslast dat er geen discriminatie is ten laste van de verweerster. De verweerster kan dit bewijs leveren door het vermoeden van de indiener van de klacht te weerleggen of door de benadeling te rechtvaardigen. 

De indienster van de klacht voert aan dat:

  • de verweerster verbiedt om te zwemmen in loszittende kledij;
  • waardoor zij geen gebruik kan maken van het zwembad, omdat zij omwille van haar geloof lichaamsverhullende en loszittende kledij draagt wanneer mannen haar kunnen zien; en
  • de verweerster voor het overige geen maatregelen neemt om tijdens het vrouwelijk zwemuurtje het zicht op het zwembad af te schermen.
B. Toepassing 
  1. Op het eerste gezicht neutrale praktijk

Het verbod op loszittende kledij is een op het eerste gezicht neutrale praktijk die gevolgen heeft voor de indienster van de klacht. De verweerster viseert met dat verbod geen specifieke zwemkledij die om specifieke religieuze redenen wordt gedragen. Integendeel is het verbod algemeen geformuleerd en van toepassing op alle soorten zwemkledij. 

De indienster van de klacht bekritiseert daarnaast dat de verweerster niet bereid is om tijdens het zwemuurtje voor vrouwen de inkijk op het zwembad vanuit de cafetaria te blokkeren, bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen of gordijnen. Als zij tijdens dat zwemuurtje aansluitende zwemkledij moet dragen, kan zij dus nog steeds door mannen vanuit de cafetaria worden bekeken. Om te kunnen spreken van indirecte discriminatie in de zin van het Gelijkekansendecreet moet er sprake zijn van benadeling als gevolg van "een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelswijze". Het feit dat het zwembad zichtbaar is vanuit de cafetaria is echter het loutere gevolg van de wijze waarop het bestaande gebouw is ingedeeld. Als de indienster van de klacht haar vraag tot het afschermen van het zwembad zou beschouwen als een verzoek tot redelijke aanpassingen, moet worden vastgesteld dat het Gelijkekansendecreet het treffen van redelijke aanpassingen enkel voorschrijft voor personen met een handicap en niet voor personen die een andere discriminatiegrond inroepen. 

Daar komt bij dat tijdens de hoorzitting is gebleken dat het afschermen van het zwembad vanuit de cafetaria voor de indienster van de klacht hoe dan ook niet zinvol is, omdat de verweerster heeft toegelicht dat ook tijdens het zwemuurtje voor vrouwen mannelijke redders toezicht (kunnen) houden in het zwembad. De indienster van de klacht heeft bevestigd dat dit het doel van het afschermen van de inkijk uit de cafetaria ondergraaft. Zij heeft aangegeven dat zowel de inkijk als de aanwezigheid van mannelijke redders geen probleem vormen als zij loszittende zwemkledij kan dragen. Om die redenen wordt de weigering om het zicht vanuit de cafetaria af te schermen niet verder behandeld in het onderzoek van de indirecte discriminatie.

  1. Benadeling van personen met beschermde kenmerken

Het verbod heeft voor gevolg dat de zogenaamde “boerkini”, een lichaamsverhullende en gedeeltelijk loszittende zwemkledij, niet is toegelaten in het zwembad. De Geschillenkamer aanvaardt zoals uiteengezet dat de indienster van de klacht die zwemkledij draagt om religieuze redenen. Om die reden benadeelt dit verbod de indienster van de klacht op grond van haar geloof. De Geschillenkamer moet onderzoeken of deze benadeling gerechtvaardigd is.

  1. Rechtvaardiging

Legitieme doelen: De verweerster beoogt met het verbod de hygiëne en veiligheid in het zwembad te beschermen. De Geschillenkamer is van oordeel dat dit legitieme doelen zijn. 

Vervolgens wordt onderzocht of de verweerster heeft aangetoond dat deze doelen het verbod op gedeeltelijk loszittende zwemkledij rechtvaardigen.

Hygiëne: In een advies van 18 maart 2016 gaf het Vlaams Agentschap voor Zorg en Gezondheid aan dat in de Vlaamse milieuwetgeving (VLAREM) voor zwembaden geen kledingvoorschriften zijn opgenomen. De Geschillenkamer heeft dit advies ook al geciteerd in zijn oordelen 2024-8 en 2024-11, waar ook de indienster van de klacht naar verwijst. Over het passend en noodzakelijk karakter van een verbod van zogenaamde “boerkini’s” om hygiënische redenen stelde het Agentschap:

“Het agentschap is van oordeel dat zwembadkledij vooral proper moet zijn. Vanuit hygiënisch oogpunt mag zwemkleding ook alleen gebruikt worden om te zwemmen of te baden en moet deze regelmatig gewassen worden. Het toezicht op een correct hygiënisch gebruik van zwemkleding is voor de zwembadverantwoordelijke geen gemakkelijke opgave maar een boerkini verschilt daarin niet van andere specifiek op baden of zwemmen gerichte kledij. Boerkini’s verbieden louter omwille van hygiënische reden is bijgevolg niet gepast. Bij correct gebruik voldoen zij als zwemkleding aan de hygiënische eisen.”

Het Agentschap besluit in zijn advies van 18 maart 2016 dat zogenaamde “boerkini’s” verbieden louter omwille van hygiënische reden, niet gepast is. Bij correct gebruik voldoen zij als zwemkleding aan de hygiënische eisen.

De Geschillenkamer merkt hierbij op dat dit advies betrekking heeft op de vergelijking tussen zogenaamde boerkini’s enerzijds en andere zwemkledij anderzijds. Dit advies geldt dus ongeacht of die kledij in een binnenzwembad of een buitenzwembad wordt gedragen. Als er geen verschil is op het vlak van hygiëne tussen de verschillende soorten kledij, dan ziet de Geschillenkamer geen reden waarom dat anders zou zijn wanneer die kledij in een binnenzwembad of in een buitenzwembad wordt gedragen. 

In zijn standpunt en tijdens de hoorzitting gaf de verweerster aan dat loszittende kledij niet toelaat om te controleren of geen bijkomende kledij onder de zwemkledij wordt gedragen, en dat badgasten zich soms komen aanbieden in hun zwemkledij, zonder zich om te kleden. 

De Geschillenkamer overweegt dat het mogelijk en eenvoudig is om aan de ingang van het zwembad te controleren of bezoekers zich niet al in zwemkledij aandienen, dan wel of zij propere en afzonderlijke zwemkledij bij zich hebben. De bezorgdheden van de verweerster rechtvaardigen dat ook. Het blijkt evenwel nergens uit en is niet op het eerste gezicht aannemelijk dat wie om religieuze redenen loszittende, lichaamsvormen-verhullende kledij draagt, daaronder nog afzonderlijk ondergoed zou dragen of willen dragen; of dat dit anders minder hygiënisch zou zijn dan een wetsuit of andere toegestane nauw aansluitende kledij, waaronder ook naadloos ondergoed kan worden gedragen. De bezorgdheden van de verweerster rechtvaardigen dat niet. 

De verweerster toont niet aan dat een verbod op de loszittende, lichaamsbedekkende zwemkledij die de indienster van de klacht draagt om religieuze redenen, passend en noodzakelijk is om redenen van hygiëne.

Veiligheid: De verweerster stelt dat het verbod bovendien is ingegeven door veiligheidsoverwegingen. Lichaamsbedekkende kleding zou makkelijker blijven haperen, zou zwemmers of redders kunnen verstrikken of hinderen, en is meer onderhevig aan de verzwarende werking van het water. 

In het reeds vermelde advies van 18 maart 2016 stelde het Agentschap voor Zorg en Gezondheid over het passend en noodzakelijk karakter van een verbod van zogenaamde “boerkini’s” om veiligheidsredenen:

“Wat betreft het argument dat het dragen van een boerkini het zwemmen bemoeilijkt, kan ik u meedelen dat er bij het agentschap tot op heden nog geen onveilige situaties gemeld zijn die in relatie staan met het dragen van een boerkini.”

De indienster van de klacht merkt op dat de kledij die zij wenst te dragen specifiek is ontworpen om te zwemmen, op andere plaatsen wel is toegelaten, en is vervaardigd uit lichte en sneldrogende zwemtextiel. Zij merkt ook op dat de zwemtuniek of zwemrok tot de knieën die haar lichaamsvormen verhult, min of meer loszittend is, maar wel is vastgehecht aan de daaronder zittende zwembroek, en overigens ook beperkt is in oppervlakte en formaat. 

De Geschillenkamer merkt op dat aan de hand van geen enkel stuk of aan de hand van geen enkele studie blijkt dat de zwemkledij die de indienster van de klacht wenst te dragen, grotere veiligheidsrisico’s zou doen ontstaan dan andere, toegelaten zwemkledij. 

De Geschillenkamer stelt vast dat het Agentschap voor Zorg en Gezondheid in zijn advies van 18 maart 2016 aangeeft dat nog geen onveilige situaties gemeld zijn in verband met het dragen van een zogenaamde ‘boerkini’. De verweerster reikt ook geen concrete voorbeelden van onveilige situaties aan.

De Geschillenkamer is dan ook van oordeel dat het passend en noodzakelijk karakter van het verbod op lichaamsbedekkende en min of meer loszittende zwemkledij in zwemtextiel, niet voldoende is aangetoond. De indirecte benadeling van de indienster van de klacht is niet gerechtvaardigd.

III. Directe discriminatie 

De Geschillenkamer moet ook beoordelen of er in deze zaak sprake is van een directe discriminatie op grond van geloof.

A. Algemene beginselen 

Een directe discriminatie op grond van geloof vindt plaats wanneer:

  • iemand minder gunstig wordt behandeld;
  • dan anderen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden;
  • omwille van een beschermd kenmerk (oorzakelijk verband);
  • tenzij die ongunstige behandeling objectief wordt gerechtvaardigd.[3] 

Voor de vaststelling van een discriminatie is een bewijs van opzet of enige andere specifieke drijfveer niet vereist.[4] 

De kledingsvoorschriften in het zwembad zijn zichtbaar gemaakt met de volgende visualisatie: 

Visualisatie van de kledingvoorschriften in het zwembad

Dit kan volgens de indienster van de klacht zo begrepen worden dat in wezen moslima’s niet zijn toegelaten, wat volgens haar wordt benadrukt door de afbeelding van een rood kruis en een rode achtergrond waarop een moslima is afgebeeld, zodat mensen een negatief beeld van de islam of van moslima’s kunnen krijgen. 

B. Toepassing

Terwijl het verbod op lichaamsbedekkende en min of meer loszittende zwemkledij in zwemtextiel een indirecte discriminatie vormt, ziet de Geschillenkamer niet op welke wijze moslima’s ongunstig zouden worden behandeld of zouden worden geïntimideerd door de visualisatie die datzelfde verbod op een toegankelijke manier vertaalt. 

De Geschillenkamer neemt aan dat de indienster van de klacht de visualisatie zo ervaart dat een uitsluitende, vijandige of niet-verwelkomende omgeving kan worden gecreëerd ten aanzien van haar, wanneer zij lichaamsbedekkende, loszittende kledij draagt bij het zwemmen. 

Er zijn echter geen objectieve elementen waaruit dit blijkt. Vanuit het perspectief van een neutrale buitenstaander is de visualisatie niet negatief of stigmatiserend ten aanzien van wie lichaamsbedekkende of loszittende kledij draagt, net zomin als ten aanzien van de andere personen met niet-toegelaten kledij die zijn afgebeeld. De heldere bedoeling van de visualisatie is slechts op een toegankelijke manier illustreren welke kledij wel of niet is toegelaten.

De Geschillenkamer is daarom van oordeel dat er geen directe discriminatie op grond van geloof kan worden vastgesteld.  

Oordeel van de Geschillenkamer 

De Geschillenkamer oordeelt dat overeenkomstig het Gelijkekansendecreet:

  • er sprake is van een indirecte discriminatie op grond van geloofsovertuiging;
  • er geen directe discriminatie op grond van geloof ten aanzien van de indienster van de klacht of ten aanzien van moslima’s kan worden vastgesteld.

Aanbevelingen van de Geschillenkamer 

Om de vastgestelde discriminatie te beëindigen, beveelt de Geschillenkamer de verweerster aan:

  • als structurele maatregel, de kledingvoorschriften in haar reglement aan te passen zodat die ook deels loszittende, lichaamsbedekkende kledij uit zwemtextiel toelaten in het zwembad De Treffer.
Voetnoten
  1. Zie, voor beslissingen waarin dit minstens impliciet is aanvaard: EHRM (3e afd.), Osmanoglu en Kocabas t. Zwitserland, 10 januari 2017, overwegingen 42 en 101, en verder o.a. Rechtbank  Oost-Vlaanderen (afdeling Gent) 24 juni 2021, TJK 2022, afl. 1, 95, noot M. Spinoy; zie ook Kortgedingrechter Antwerpen, 18 december 2018, RW 2018-19, afl. 26, 1032; waarin werd geoordeeld dat een zgn. boerkiniverbod geen discriminatie vormt, maar waar niet in twijfel werd getrokken dat zgn. boerkini’s worden gedragen om religieuze redenen; zie tot slot oordeel 2024-11 van 9 december 2024 en oordeel 2024-8 van 30 september 2024.
  2. Artikel 36, §1 Gelijkekansendecreet
  3. Artikel 16, §1 Gelijkekansendecreet.
  4. Artikel 36, §4, Gelijkekansendecreet

Download het oordeel

Ook interessant