Geschillenkamer ziet geen bewijs van intimidatie of represailles tegen jonge leerling wegens geloof of afkomst
- Je kan hieronder de samenvatting van het oordeel en het volledige oordeel lezen.
- Je kan het oordeel ook downloaden in pdf-formaat.
Samenvatting oordeel
Situatie
De indienster van de klacht voert aan dat haar zoon op school slachtoffer is geworden van intimidatie op basis van zijn afkomst en geloof, alsook van represailles.
De klacht gaat in hoofdzaak over een incident dat plaatsvond op 19 mei 2025 toen haar zoon water naar medeleerlingen spuwde. De indienster stelt dat de leerkracht vervolgens achter haar zoon is gaan staan, hem bij zijn nek of arm heeft vastgepakt, met schrammen in de nek tot gevolg. Vervolgens zou de leerkracht haar zoon hard tegen de muur hebben gegooid en uitgescholden. De school stelt dat de leerling enkel bij zijn bovenarm werd begeleid naar een muur voor time-out, waarna de leerkracht heeft gezegd: “Je bent een viezerik, dat doe je niet.”
De indienster verwijst ook naar een incident van begin juni 2025 met een andere leerkracht, nadat haar zoon een snijgebaar maakte over zijn keel naar een medeleerling. Volgens de indienster zei de leerkracht: “Vrijdag kun je slachten”, verwijzend naar het offerfeest dat die week plaatsvond. De school stelt dat de leerkracht enkel heeft gezegd: “Hier slachten we niet, we gaan in school die beweging niet doen”.
De indienster voert aan dat de school niet adequaat heeft gereageerd op de gemelde incidenten, wat volgens haar heeft geleid tot een ernstige vertrouwensbreuk.
De indienster stelt verder dat, sinds het indienen van een klacht bij de politie en het Vlaams Mensenrechteninstituut, verscheidene leerkrachten haar zoon regelmatig beledigen, vernederen, pesten, discrimineren, excessief straffen zonder reden en als “probleemleerling” neerzetten.
Beoordeling door de Geschillenkamer
Ontvankelijke klacht
De Geschillenkamer oordeelt dat de indienster van de klacht een belang heeft, en dat de klacht niet kennelijk ongegrond of roekeloos en tergend is.
Geen intimidatie vastgesteld op grond van geloof of afkomst
De Geschillenkamer ging na of intimidatie op grond van geloof of zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, of etnische of nationale afstamming kon worden vastgesteld.
Over het incident van 19 mei 2025 stelt de Geschillenkamer dat de getuigenverklaringen, ook die aangebracht door de indienster zelf, de lezing van de school ondersteunen: de leerkracht nam de leerling bij de arm om hem uit de rij te halen voor een time-out. De Geschillenkamer ziet ook geen verband tussen het incident en de schrammen in zijn nek, aangezien getuigen consistent stellen dat hij enkel bij de arm is genomen. Evenmin kan de Geschillenkamer een begin van bewijs vinden dat de reactie van de leerkracht verband hield met het geloof of de afkomst van de leerling.
Over het incident van begin juni 2025 stelt de Geschillenkamer vast dat beide partijen erkennen dat de leerkracht verwees naar “slachten” als reactie op het snijgebaar van de leerling. Dit wekt een vermoeden dat de leerkracht de leerling bij een pedagogische interventie stigmatiseerde door te verwijzen naar zijn geloof. De Geschillenkamer acht dergelijke uitspraken problematisch. Ze kunnen onbewuste vooroordelen versterken ten aanzien van leerlingen met een andere afkomst of minderheidsgeloof, zelfs als dit niet zo bedoeld zou zijn. Op basis van dit alleenstaande feit, zonder enig stuk dat een beeld geeft van de bredere context, kan de Geschillenkamer evenwel niet vaststellen dat er sprake is van intimidatie.
Daarnaast oordeelt de Geschillenkamer dat de school, ondanks de vertrouwensbreuk die ontstond na de incidenten, de discriminatiemeldingen zorgvuldig heeft onderzocht. De school reageerde snel en consequent met uitnodigingen tot overleg en een intern onderzoek.
Geen represailles vastgesteld
De Geschillenkamer besluit ten slotte dat de school geen nadelige maatregelen heeft genomen als represaille na de klachten van de indienster. De Geschillenkamer vindt geen aanwijzingen in het dossier of tijdens de hoorzitting dat haar zoon systematisch werd beledigd of vernederd. De maatregel van november 2025, waarbij de leerling een herstelbrief moest schrijven in het directiekantoor na het beledigen van een leerkracht, houdt volgens de Geschillenkamer geen verband met de discriminatieklacht en is geen excessieve straf. Voorts passen de toegekende “rode bollen” - voor onvolledig huiswerk, ongewenst gedrag en het spreken van Frans in de klas - binnen het algemeen pedagogisch beleid van de school, dat ook op andere leerlingen wordt toegepast.
Oordeel
Om die redenen oordeelt de Geschillenkamer dat er in deze zaak geen intimidatie op grond van geloof of afkomst, noch represailles in de zin van het Gelijkekansendecreet konden worden vastgesteld.
Volledig oordeel
De Geschillenkamer, samengesteld uit voorzitter Sarah Lambrecht, bijzitter Line Hellemans en bijzitter Koen Lemmens, en bijgestaan door griffier Dorien Geeroms, spreekt het volgende oordeel uit:
Procedure
De Geschillenkamer heeft de klacht ontvangen op 15 december 2025.
Op 19 december 2025 heeft de indienster verzocht om een versnelde behandeling van haar klacht. Dit verzoek werd bij gemotiveerde beslissing van 23 december 2025 geweigerd aangezien haar zoon niet meer naar de school gaat en hiernaar ook niet meer wenst terug te keren. Op 3 februari 2026 diende indienster een tweede verzoek in om haar klacht versneld te behandelen omdat ze meende dat er gewijzigde omstandigheden waren die een versnelde procedure rechtvaardigden. De Geschillenkamer heeft geoordeeld dat zij op grond van de nieuw bijgebrachte elementen geen redenen zag om haar eerdere beoordeling te herzien.
De fase van het uitwisselen van standpunten en overtuigingsstukken werd afgerond op 3 april 2026.
De Geschillenkamer ontving volgende stukken:
- het standpunt van de verweerster van 28 januari 2026
- het antwoord van de indienster van de klacht van 6 maart 2026
- het antwoord van de verweerster van 3 april 2026.
De Geschillenkamer behandelde de zaak tijdens een hoorzitting op 7 mei 2026. De indienster van de klacht en haar echtgenoot waren aanwezig, alsook twee vertrouwenspersonen. De verweerster werd vertegenwoordigd door twee personeelsleden en advocaat L. Geerts.
De Geschillenkamer ontvangt een klacht pas nadat een poging tot bemiddeling is doorlopen bij de afdeling Eerstelijnsdienst en Bemiddeling van het Vlaams Mensenrechteninstituut.[1] Omwille van de vertrouwelijkheid van de bemiddeling mag de Geschillenkamer niet geïnformeerd worden over wat er zich tijdens de bemiddeling heeft afgespeeld.[2] De Geschillenkamer beslist om een stuk uit het dossier dat inhoudelijk over de bemiddelingspoging gaat, te weren (stuk 12 bij het standpunt van de verweerster). Dit wil zeggen dat de Geschillenkamer met dit stuk geen rekening houdt bij haar beoordeling.
Nadat de termijnen om standpunten uit te wisselen waren verstreken, heeft de indienster op 30 april 2026 nog een standpunt met bijhorende stukken gezonden aan de Geschillenkamer. Dit standpunt met stukken is buiten de voorziene termijn voor het uitwisselen van standpunten ingediend en wordt uit de debatten geweerd. De Geschillenkamer houdt er geen rekening mee om tot haar oordeel te komen.
De decreetgever heeft bepaald dat de Geschillenkamer haar oordelen steeds publiek bekendmaakt en dat de anonimisering van betrokken rechtspersonen daarbij slechts uitzonderlijk kan gebeuren.1 De Geschillenkamer vindt het in deze zaak aangewezen om de naam van de school niet te vermelden in het oordeel om de identiteit van de betrokken natuurlijke personen te beschermen. Er zijn dus gewichtige redenen om tot anonimisering te besluiten.
Feiten
Een moeder dient klacht in als wettelijke vertegenwoordiger van haar minderjarige zoon, een jongen met dysfasie, een aangeboren taalontwikkelingsstoornis. De jongen startte in het schooljaar 2023-2024 in het eerste leerjaar op de school, die verweerster is in deze zaak. Op het einde van het schooljaar werd beslist dat de jongen zijn eerste jaar moest overdoen.
De indienster van de klacht stelt dat zich in het daaropvolgende schooljaar 2024-2025 incidenten op school hebben voorgedaan tussen de jongen en leerkrachten, waarbij hij zou onderworpen zijn aan fysieke en psychologische agressie omwille van zijn geloofsovertuiging en afkomst.
Volgens de indienster van de klacht heeft de school hierop nooit adequaat gereageerd, wat heeft geleid tot een ernstige vertrouwensbreuk. De school heeft volgens haar nooit concrete maatregelen genomen om haar zoon op school te beschermen of emotioneel te ondersteunen.
De indienster stelt ten slotte dat haar zoon, sinds bovenstaande feiten gemeld werden aan de politie in mei 2025 en het Vlaams Mensenrechteninstituut in juni 2025, geconfronteerd werd met intimidatie door meerdere leerkrachten.
De klacht werd op 15 december 2025 bezorgd aan de Geschillenkamer.
Standpunten partijen
Standpunt indienster klacht
De indienster dient klacht in als wettelijke vertegenwoordiger van haar minderjarige zoon. Ze stelt dat haar zoon, een zevenjarige jongen met dysfasie, op zijn basisschool gediscrimineerd werd op grond van zijn geloofsovertuiging en afkomst. Hij zou ook geconfronteerd zijn met intimidatie nadat een klacht bij het Vlaams Mensenrechteninstituut werd ingediend.
In het schooljaar 2024-2025 hebben zich volgens indienster enkele incidenten voorgedaan waarbij haar zoon werd geconfronteerd met fysieke en psychologische agressie.
Een eerste incident zou zich hebben voorgedaan op 19 mei 2025. Drie kinderen, waaronder haar zoon, speelden met hun drinkflessen en hielden een wedstrijd om te zien wie het verst kon spuwen. Volgens de indienster werd enkel haar zoon hiervoor gestraft. Verschillende getuigen zouden hebben aangegeven dat een leerkracht hem daarbij fysiek vastgreep, hem tegen de muur gooide en hem beledigde voor “vuile jongen”. Voorts zou hij de volgende dag van de speeltijd zijn uitgesloten. Een medisch verslag van 23 mei 2025 stelt krassen ter hoogte van zijn nek vast. Op 26 mei 2025 heeft de indienster klacht ingediend bij de politie wegens geweld ten aanzien van haar kind.
Een andere leerkracht zou begin juni 2025 tegen haar zoon de uitspraak hebben gedaan: “Vrijdag kun je slachten”, nadat het kind, uit frustratie, een onhandig gebaar maakte door zijn vinger onder zijn keel te bewegen. Dit gebaar zou haar zoon hebben gesteld nadat hij op de speelplaats herhaaldelijk werd lastiggevallen door een klasgenoot. De moeder geeft aan het schokkend te vinden dat men moslims op die manier stigmatiseert. Eerder zou een leerkracht bovendien hebben gezegd: “Als het u niet aanstaat, kan je terug naar uw eigen land.”
De indienster voert aan dat de school niet adequaat heeft gereageerd op de gemelde incidenten, wat volgens haar heeft geleid tot een ernstige vertrouwensbreuk en een gebrekkige communicatie. Zij stelt dat klachten over situaties waarbij haar zoon gewond of emotioneel aangeslagen thuiskwam niet ernstig werden genomen en dat zij als ouder niet werd gehoord. Daarnaast zou haar zoon gestraft zijn voor onvolledig of niet gemaakt huiswerk, waarbij de indienster de opgelegde sancties als disproportioneel beschouwt.
Volgens de indienster heeft de school nagelaten om concrete maatregelen te nemen ter ondersteuning van haar zoon, zowel op pedagogisch als op emotioneel vlak. Zij geeft aan dat zij zelf het CLB heeft moeten inschakelen om aangepaste begeleiding en opvolging te bekomen. Hoewel zij meermaals om overlegmomenten heeft verzocht, zouden deze vaak zijn uitgesteld, afgelast of op een gehaaste manier zijn verlopen, waardoor zij zich niet gehoord voelde.
De indienster stelt verder dat haar zoon, sinds het melden van de feiten, het doelwit is geworden van intimidatie door meerdere leerkrachten. Hij zou niet langer gehoord worden wanneer hij aangeeft zich ongemakkelijk te voelen en volgens haar systematisch als probleemleerling worden benaderd, terwijl zijn gedrag niet uitzonderlijk storend zou zijn geweest. Zij wijst er bovendien op dat er in het schooljaar 2024-2025 geen negatieve opmerkingen over hem werden genoteerd in het klasdagboek of rapport, tot in september 2025, nadat de klacht bij het Vlaams Mensenrechteninstituut werd ingediend.
Tot slot geeft de indienster aan dat haar zoon inmiddels van school is veranderd en dat hij in zijn nieuwe school zowel op academisch als op emotioneel vlak vooruitgang boekt.
Standpunt verweerster
De school stelt dat zij gedurende het volledige traject correct, professioneel en constructief heeft gehandeld. Volgens haar is de escalatie in dit dossier voornamelijk te wijten aan de houding van de ouders, met name door aanhoudend respectloze communicatie, het weigeren van overleg en het niet naleven van gemaakte afspraken. De school benadrukt dat haar interventies steeds betrekking hadden op concreet gedrag van de leerling en niet op diens religieuze of etnische achtergrond.
In eerste instantie voert de school aan dat de klacht onontvankelijk is, aangezien de betrokken leerling inmiddels is ingeschreven in een andere school. Volgens de school rijst hierdoor de vraag of de indienster nog een actueel en concreet belang heeft bij de klacht.
Daarnaast stelt de school dat de klacht kennelijk ongegrond is en bovendien tergend en roekeloos. Zij argumenteert dat de klacht hoofdzakelijk steunt op indirecte en subjectieve verklaringen, zonder dat er objectieve bewijzen worden voorgelegd. De school is van oordeel dat er ernstige beschuldigingen worden geuit zonder voldoende feitelijke onderbouwing, en stelt zich vragen bij de proportionaliteit van de stappen die de indienster heeft ondernomen. Volgens haar wordt een pedagogische interventie binnen de schoolcontext ten onrechte geherkwalificeerd als discriminatie, zonder dat daarvoor voldoende objectieve elementen aanwezig zijn.
Wat de voorgeschiedenis betreft, geeft de school aan dat zij sinds het einde van het eerste leerjaar (juni 2024), toen het advies werd gegeven om het leerjaar over te doen, geconfronteerd werd met onrespectvolle en beschuldigende communicatie van de ouders. Pedagogische adviezen en bezorgdheden over de schoolse ontwikkeling en het gedrag van de leerling werden volgens de school systematisch beantwoord met wantrouwen en verwijten.
Over het incident van 19 mei 2025 stelt de school dat de leerling tijdens het wachten in de rij ongepast gedrag vertoonde door water uit zijn drinkbus naar andere leerlingen te spuwen. De betrokken leerkracht zou daarop hebben gehandeld volgens de gangbare en pedagogisch verantwoorde procedures: de leerling werd aangesproken, uit de situatie gehaald en kort vastgehouden bij de arm om hem naar de zijkant van de speelplaats te begeleiden, waar hij in time-out werd geplaatst met het oog op het waarborgen van de veiligheid van andere leerlingen. De dag na het incident ontving de leerkracht beschuldigende e-mails van de moeder, ondanks de toezegging van de directeur om de situatie eerst intern te onderzoeken. Pogingen van de school om een gesprek te organiseren met het oog op de-escalatie werden volgens haar herhaaldelijk geweigerd.
Wat betreft het vermeende incident in verband met het offerfeest, stelt de school dat de klacht geen concrete datum, feitelijke beschrijving of ondersteunende stukken bevat. Hierdoor vindt zij het onmogelijk om deze aantijging inhoudelijk te weerleggen. Op de zitting heeft de school verduidelijkt dat de leerkracht enkel zou hebben gezegd: “Hier slachten we niet, we gaan in school die beweging niet doen”. De school benadrukt dat ook dit incident volgens haar betrekking had op gedrag van de leerling, waarop pedagogisch werd gereageerd.
De school geeft verder aan dat de situatie tussen ouders en school escaleerde toen zij op 6 juni 2025 vernam dat de ouders een klacht hadden ingediend bij de politie tegen de betrokken leerkracht van het incident van 19 mei 2025, zonder voorafgaand overleg met de school. Volgens de school was deze stap disproportioneel en had zij een negatieve impact op het welzijn en de reputatie van de leerkracht. Daarnaast werd de school geconfronteerd met externe tussenkomsten via gemeentebesturen, nadat de moeder de situatie met derden had gedeeld. Dit wordt door de school als niet-constructief en als een schending van de privacy van zowel het personeel als de instelling beschouwd.
De school stelt dat haar team ondertussen bleef vaststellen dat correcties op het gedrag van de leerling, zowel in de klas als op de speelplaats, telkens aanleiding gaven tot grove en onrespectvolle reacties van de moeder.
In het algemeen benadrukt de school dat de betrokken leerkrachten steeds pedagogisch verantwoord hebben gehandeld en dat hun interventies uitsluitend gericht waren op gedrag en niet op de religieuze of etnische achtergrond van het kind.
Tot slot betwist de school ook de elementen die betrekking zouden hebben op het einde van het schooljaar 2024, zoals vermeend niet-transparante beslissingen, sancties over taalgebruik of huiswerk, en een negatief schoolklimaat. Volgens de school worden deze beweringen niet ondersteund door objectieve stukken, maar steunen zij voornamelijk op subjectieve interpretaties van de indienster, zoals blijkt uit haar e-mails. De school benadrukt dat het louter formuleren van indrukken of suggesties onvoldoende is om ernstige beschuldigingen zoals discriminatie, pesterijen of geweld te onderbouwen.
Beoordeling door de Geschillenkamer
De indienster van de klacht voert aan dat haar zoon geconfronteerd is met discriminerende en intimiderende handelingen door verschillende leerkrachten op basis van zijn afkomst en geloof, alsook met represailles na het aanklagen van de feiten.
De Geschillenkamer moet in deze zaak beoordelen of de klacht ontvankelijk is (I). Voorts dient ze te onderzoeken of er sprake is van intimidatie op grond van geloof en zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, of etnische of nationale afstamming (II), en van represailles na het indienen van een discriminatieklacht (III).
I. Ontvankelijkheid van de klacht
De school voert aan dat de klacht niet ontvankelijk is. De Geschillenkamer zou de klacht niet kunnen onderzoeken omdat de indienster van de klacht geen belang meer heeft (A) en de klacht kennelijk ongegrond (B), alsook roekeloos en tergend is (C).
A. Belang bij het indienen van de klacht
De school stelt dat de leerling ondertussen veranderd is van school waardoor de indienster van de klacht geen actueel en concreet belang meer zou hebben.
Over het belang bepaalt artikel 13, §1 decreet van 28 oktober 2022 tot oprichting van een Vlaams Mensenrechteninstituut (hierna: VMRI-decreet) dat een discriminatieklacht bij het Vlaams Mensenrechteninstituut onder meer kan worden ingediend door “de persoon die meent dat hij wordt gediscrimineerd, of zijn wettelijke vertegenwoordiger”. Voorts moet de klacht gaan over feiten die zich niet meer dan vijf jaar vóór het indienen van de klacht hebben voorgedaan.[3]
Om belang te hebben bij haar klacht volstaat het bijgevolg dat de indienster, als wettelijke vertegenwoordiger, meent dat haar zoon is gediscrimineerd door de verweerster en dat de klacht binnen de vijf jaar na de feiten wordt ingediend. Hiervoor is niet vereist dat haar zoon nog steeds bij de school is ingeschreven. Overigens betwisten de partijen niet dat de zoon net van school veranderd is ten gevolge van de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de discriminatieklacht.
B. Kennelijk ongegronde klacht
De school stelt dat de klacht kennelijk ongegrond is op grond van artikel 13, §3, 2° VMRI-decreet, aangezien die voornamelijk steunt op indirecte en subjectieve verklaringen die geen objectief bewijs leveren van de in de klacht geformuleerde beschuldigingen.
Met kennelijk ongegronde klachten worden klachten bedoeld waarvan op het eerste gezicht, zonder verder onderzoek of studie, al blijkt dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer uit de bewoordingen van de klacht zelf al blijkt dat er geen sprake kan zijn van discriminatie.[4] In dat geval is de klacht niet ontvankelijk.[5]
De Geschillenkamer stelt vast dat de indienster van de klacht voldoende elementen aanbrengt die een onderzoek en een beoordeling ten gronde vergen. De klacht is dan ook niet kennelijk ongegrond.
C. Tergende en roekeloze klacht
De school voert voorts aan dat de klacht tergend en roekeloos is, aangezien ernstige beschuldigingen van discriminatie worden geformuleerd zonder dat hiervoor voldoende feitelijke of objectieve elementen worden aangereikt. Dit zou leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de klacht op grond van artikel 13, §3, 3° VMRI-decreet.
De Geschillenkamer kan dit verweer niet volgen. Of de indiener van de klacht de incidenten voldoende bewijst om een vermoeden van discriminatie te doen ontstaan, is een vraag die alleen kan worden beantwoord tijdens het onderzoek van de grond van de zaak.[6]
II. Intimidatie op grond van geloof en zogenaamd ras, huidskleur,
afkomst, of etnische of nationale afstamming
De indienster van de klacht voert aan dat:
- haar zoon slachtoffer is geworden van fysiek en verbaal geweld op 19 mei 2025 toen een leerkracht tussenkwam wanneer haar zoon water wilde spuwen naar andere leerlingen, waarbij hij enkel geviseerd werd (B.1);
- een andere leerkracht begin juni 2025 zei: “Vrijdag kun je slachten”, als reactie toen haar zoon een snijgebaar met de vinger over zijn keel maakte naar een andere leerling; en voorheen: “Als het u niet aanstaat, kan je terug naar uw eigen land” (B.2);
- dat dit verband houdt met zijn geloof of zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, of etnische of nationale afstamming.
De indienster voert aan dat de school niet adequaat heeft gereageerd op de gemelde incidenten, wat volgens haar heeft geleid tot een ernstige vertrouwensbreuk en een gebrekkige communicatie.
A. Algemene beginselen
Intimidatie op grond van geloof of zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, of etnische of nationale afstamming vindt plaats wanneer:
- zich ongewenst gedrag voordoet;
- dat verband houdt met geloof of zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, of etnische of nationale afstamming;
- en dat tot doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast en een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd.[7]
De Geschillenkamer onderzoekt in twee stappen of discriminatie bewezen is. De eerste stap is vervuld als de indiener van de klacht feiten aanvoert die het bestaan van een discriminatie kunnen doen vermoeden. De Geschillenkamer moet echter waarborgen dat de verwezenlijking van de doelstellingen van het Gelijkekansendecreet niet in het gedrang kan worden gebracht doordat de verweerster bepaalde informatie weigert te verstrekken. De Geschillenkamer moet dus rekening houden met alle elementen die een discriminatie kunnen doen vermoeden. Ze beoordeelt die elementen als een geheel.[8] Als de indiener van de klacht een vermoeden van discriminatie aanvoert, moet de verweerster vervolgens (in de tweede stap) bewijzen dat er geen sprake is van een discriminatie. De verweerster kan dit doen door het vermoeden van discriminatie te weerleggen.[9]
Voor de vaststelling van een discriminatie is een bewijs van opzet of enige andere specifieke drijfveer van de verweerster niet vereist.[10]
Het discriminatieverbod houdt niet alleen in dat geen discriminerende handelingen mogen worden gesteld, maar brengt ook positieve verplichtingen met zich mee. Dat betekent dat voor wie onderwijs aanbiedt er ook plichten bestaan om discriminatie te voorkomen, aan te pakken en, als er melding van wordt gemaakt, deze meldingen zorgvuldig te onderzoeken.[11]
B. Toepassing in deze zaak
1. Incident van 19 mei 2025
De klacht van de indienster gaat in hoofdzaak over een incident dat plaatsvond op 19 mei 2025 tussen haar zoon en een leerkracht. De indienster en de school stellen beiden dat de zoon van de indienster tijdens het wachten in de rij water uit zijn drinkbus spuwde naar andere leerlingen en dat de leerkracht heeft ingegrepen om te vermijden hij andere leerlingen verder kon bespuwen.
De versies lopen echter uiteen over hoe de leerkracht heeft gereageerd en met welke hardhandigheid. De indienster stelt dat de leerkracht achter haar zoon is gaan staan, hem bij zijn nek of arm heeft vastgepakt, met schrammen in de nek tot gevolg, en hem vervolgens hard tegen de muur heeft gegooid en heeft uitgescholden. Volgens haar was er sprake van ernstig fysiek, psychologisch en verbaal geweld dat enkel kan zijn ingegeven door het geloof of zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, of etnische of nationale afstamming van haar zoon, aangezien enkel haar zoon werd geviseerd. De school, de betreffende leerkracht en twee aanwezige leerkrachten betwisten die weergave en stellen dat de leerling enkel bij zijn bovenarm werd begeleid naar een muur om in time-out te gaan. Waarna de leerkracht heeft gezegd: “Je bent een viezerik, dat doe je niet.” Vervolgens is hij terug aangesloten in de rij om naar de klas gegaan. Tijdens de middagpauze moest hij boeken lezen in plaats van te spelen op de speelplaats.
De Geschillenkamer stelt vast dat de indienster van de klacht van oordeel is dat de leerkracht bestraffend fysiek heeft opgetreden tegen haar zoon met geweld, terwijl de school, de betreffende leerkracht en de leerkrachten die getuige waren, dit ontkennen en spreken van begeleidend fysiek optreden binnen een pedagogisch kader.[12]
De indienster van de klacht voert als overtuigingsstuk een medisch attest aan van 23 mei 2025 dat een schram vaststelt in de nek van haar zoon. Getuigenverklaringen vermelden echter consistent dat de leerkracht de leerling enkel bij de arm heeft genomen om hem uit de rij te halen. Uit de stukken en de zitting kan de Geschillenkamer geen begin van bewijs van een oorzakelijk verband tussen het incident en de schram vaststellen, dat fysieke dwang of ontoelaatbaar, zogenaamd “opvoedkundig” geweld[13] zou kunnen doen vermoeden.
De voorliggende overtuigingsstukken, waaronder getuigenverklaringen van twee leerkrachten en een ouder van een aanwezige medeleerling, doen evenmin vermoeden dat de waardigheid van de zoon van de indienster werd aangetast en een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving werd gecreëerd. De uitspraak van de leerkracht “Je bent een viezerik, dat doe je niet” gebeurde in de specifieke context van het spuwen van water naar andere leerlingen. De getuigenverklaringen, ook die voorgelegd door de indienster, doen niet vermoeden dat de leerkracht haar zoon fysiek, psychisch of verbaal intimideerde, maar lijken de weergave van de school te ondersteunen dat er sprake was van begeleidend functioneel fysiek optreden zonder lichamelijk leed, of de bedoeling daartoe, dat zich kan voordoen bij een jonge leerling in het lager onderwijs.[14] Het feit dat de indienster van de klacht van oordeel is dat geen enkel fysiek contact in een schoolcontext gepast is, doet op zichzelf geen intimidatie vermoeden.
Voorts blijkt uit de getuigenverklaringen dat de reactie van de leerkracht was ingegeven door het gedrag van de leerling en dat op geen enkele wijze impliciet of uitdrukkelijk naar zijn geloof of afkomst is verwezen. Ook levert de indienster geen begin van bewijs dat de betrokken leerkracht haar zoon zou viseren omwille van diens geloof of afkomst, of dat er sprake zou zijn van stigmatisering of systemische discriminatie vanwege de leerkracht.
2. Incident van begin juni 2025
De indienster verwijst ook naar een incident van begin juni 2025 met een andere leerkracht. De partijen zijn het erover eens dat haar zoon een snijbeweging over zijn keel deed naar een medeleerling en dat de leerkracht hier vervolgens op reageerde dat dit niet kon.
De indienster stelt dat haar zoon dit gebaar maakte omdat hij werd lastiggevallen op de speelplaats, waarop de leerkracht zei: “Vrijdag kun je slachten”, verwijzend naar het offerfeest dat die week plaatsvond. Volgens de indienster heeft dezelfde leerkracht eerder al gezegd: “Als het u niet aanstaat, kan je terug naar uw eigen land”. De school ontkent deze weergave. Op de zitting heeft de school verduidelijkt dat de leerkracht enkel zou hebben gezegd: “Hier slachten we niet, we gaan in school die beweging niet doen”.
De Geschillenkamer stelt vast dat beide partijen erkennen dat de leerkracht verwees naar slachten, toen de zoon van de indienster een snijgebaar maakte over zijn keel naar een medeleerling. Hierdoor ontstaat een vermoeden dat de leerkracht bij een pedagogische interventie verwees naar het geloof van de betrokken leerling, namelijk naar het ritueel slachten van dieren overeenkomstig de islamitische voedselvoorschriften. Hoewel de Geschillenkamer de school volgt dat een dergelijk gebaar een pedagogische interventie vereist, had dit horen te gebeuren zonder stigmatisering. Dergelijke uitspraken kunnen zorgen voor een beledigende, vernederende of kwetsende omgeving in het bijzonder voor een zevenjarige leerling die een minderheidsgeloof aanhangt en kunnen onbewuste vooroordelen versterken ten aanzien van leerlingen met een andere afkomst, zelfs als dit niet zo bedoeld zou zijn. Op basis van een alleenstaande uitspraak, zonder enige ondersteunende overtuigingsstukken die een beeld geven van de bredere context waarin de uitspraak gebeurd is, kan de Geschillenkamer evenwel niet vaststellen dat de zoon van de indienster hierdoor in zijn waardigheid werd aangetast en een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving werd gecreëerd.[15]
De uitspraak “Als het u niet aanstaat, kan je terug naar uw eigen land”, zou een dergelijk omgeving inderdaad teweegbrengen. De indienster van de klacht reikt hiervoor evenwel geen begin van bewijs aan, zoals een getuigenverklaring of een ander overtuigingsstuk, en preciseert evenmin wanneer dit gezegd zou zijn. Dit maakt het voor de school zeer moeilijk om dit te onderzoeken, zeker aangezien het voordien nooit gemeld lijkt te zijn. Op dit punt ligt er onvoldoende voor opdat de Geschillenkamer kan besluiten tot een vermoeden van intimidatie.
3. Onderzoek van de discriminatieklacht
De Geschillenkamer dient ten slotte na te gaan of de school de discriminatieklachten zorgvuldig heeft onderzocht. Zoals eerder aangehaald, houdt het discriminatieverbod immers niet alleen in dat geen discriminerende handelingen mogen worden gesteld, maar brengt het ook positieve verplichtingen met zich mee. Dat betekent dat voor wie onderwijs verstrekt, zoals de school in deze zaak, er ook plichten bestaan om meldingen van discriminatie zorgvuldig te onderzoeken en, als blijkt dat er discriminatie heeft plaatsgevonden, gepaste en noodzakelijke maatregelen te nemen om de discriminatie aan te pakken en verder te voorkomen.[16]
Uit de overtuigingsstukken blijkt dat de school consequent en snel heeft gehandeld na de klacht over het incident van 19 mei 2025, met verscheidene uitnodigingen tot overleg en bemiddeling, en dat ze de klacht intern grondig heeft onderzocht. De Geschillenkamer stelt vast dat het incident evenwel een ernstige vertrouwensbreuk heeft veroorzaakt tussen de indienster en de school, doordat de school op basis van haar interne onderzoek tot de conclusie kwam dat de betreffende leerkracht haar zoon niet op ongepaste of discriminerende wijze had behandeld. Die vertrouwensbreuk bemoeilijkte ook de communicatie, het onderzoek en het nemen van gepaste maatregelen, aangezien de indienster lange tijd niet wenste in te gaan op de veelvuldige uitnodigingen van de school tot overleg. Bovendien leek de indienster te verkiezen dat verdere communicatie en overleg verliep via externe instanties of personen. Ook liep er in parallel een politieonderzoek naar aanleiding van een klacht van de indienster voor fysieke en verbale mishandeling van haar zoon. De Geschillenkamer is van oordeel dat in die moeilijke en beladen context voor beide partijen, de school niet tekortgeschoten is in haar verplichting om de discriminatiemeldingen zorgvuldig te onderzoeken.
III. Nadelige maatregelen (represailles)
De Geschillenkamer moet ten slotte onderzoeken of er sprake is van nadelige maatregelen (represailles) tegen haar zoon. De indienster geeft aan dat verscheidene leerkrachten haar zoon, sinds de feiten werden gemeld, regelmatig beledigen, vernederen, pesten, discrimineren en excessief straffen zonder reden en als “probleemleerling” neerzetten.
A. Algemeen
Het Gelijkekansendecreet verbiedt nadelige maatregelen of zogenaamde represailles tegen degene die, intern of extern, een discriminatie meldt of een discriminatieklacht indient, of die steun verleent aan de indiener van een discriminatieklacht.[17]
Represailles vinden plaats wanneer:
- door of in het voordeel van iemand een melding of klacht wordt gedaan over een beweerde discriminatie zoals verboden in het Gelijkekansendecreet;
- en degene waartegen de klacht is gericht (“de verweerster”) nadelige maatregelen treft tegen die persoon,
- behalve als deze nadelige maatregelen vreemd zijn aan (de inhoud van) de klacht of de melding.[18]
Het verbod op represailles houdt dus in dat wie stappen onderneemt omdat die meent dat er sprake is van een discriminatie, daardoor geen nadeel mag ondervinden, ongeacht of de discriminatieklacht gegrond is. De vrees voor represailles kan immers ontmoedigend werken en zou daarom de effectieve bescherming tegen discriminatie ernstig in gevaar brengen.[19]
De bescherming tegen represailles geldt zowel voor discriminatieklachten bij de organisatie waar de beweerde discriminatie plaatsvond als voor een klacht bij het Vlaams Mensenrechteninstituut.[20] Om deze bescherming te genieten moet degene die beweert gediscrimineerd te zijn, aantonen dat er een discriminatieklacht werd ingediend.[21] Als de verweerster binnen twaalf maanden een nadelige maatregel treft tegen de persoon die beweert gediscrimineerd te zijn, moet de verweerster bewijzen dat de nadelige maatregel geen verband houdt met de ingediende discriminatieklacht of met de inhoud ervan.[22]
B. Toepassing in deze zaak
De indienster van de klacht stelt dat de school haar zoon viseert en haar onder druk zet sinds haar klacht bij de politie op 26 mei 2025 voor fysieke en verbale mishandeling van haar zoon, haar discriminatieklacht bij het Vlaams Mensenrechteninstituut op 5 juni 2025, en het opstarten van andere externe procedures, naar aanleiding van het incident van 19 mei 2025.
De indienster van de klacht stelt algemeen dat verscheidene leerkrachten haar zoon regelmatig beledigen, vernederen, pesten, discrimineren en excessief straffen zonder reden. Hij zou niet meer worden gehoord wanneer hij aangeeft zich ongemakkelijk te voelen en zou een doelwit geworden zijn. De Geschillenkamer vindt hiervan geen aanwijzingen in het dossier of tijdens de hoorzitting. Wel dient de Geschillenkamer na te gaan of de concrete maatregelen van de school die de indienster aanhaalt, verband houden met de discriminatieklacht.
Ze wijst in het bijzonder op:
- een maatregel in november 2025 waarbij haar zoon uit de klas is gehaald en in het directiekantoor is geplaatst;
- het opgelegd krijgen van veel ‘rode bollen’ en extra taken.
1. Maatregel in november 2025
De indienster van de klacht stelt dat haar zoon in november 2025 uit zijn klas is verwijderd en vervolgens werd opgesloten zonder eten of drinken in het directiekantoor en slecht werd behandeld. De school betwist die weergave van de feiten en stelt dat toen haar zoon aangesproken werd op het bewust verkeerd leggen van schoolmateriaal in de zorgklas, hij “fils de pute” riep tegen de betrokken leerkracht. Vervolgens moest hij een brief met excuses schrijven in het directiekantoor.
De Geschillenkamer stelt vast dat de maatregel werd opgelegd omdat de zoon een leerkracht had beledigd en ziet geen verband met de discriminatieklacht. Ook acht de Geschillenkamer het schrijven van een herstelbrief in het directiekantoor geen excessieve straf, die alsnog zou kunnen worden gekwalificeerd als represaille. Evenmin maakt de indienster aannemelijk dat haar zoon slecht zou zijn behandeld.
2. Toekennen van “rode bollen”
Voorts voert de indienster aan dat haar zoon vanaf september 2025 veel “rode bollen” en extra taken opgelegd kreeg. De school verduidelijkt dat een leerling een “rode bol” krijgt bij onvolledig huiswerk, ongepast gedrag of het spreken van een andere taal dan het Nederlands in de klas. Vanaf drie “rode bollen” moet een leerling een kleine extra taak maken. De school erkent dat de betrokken leerling verscheidene “rode bollen” heeft ontvangen, maar stelt dat dit geen enkel verband houdt met de discriminatieklacht.
De school benadrukt dat het geven van “rode bollen” voor het spreken van een andere taal niet frequent gebeurt, maar vooral in het begin van het schooljaar om duidelijkheid te scheppen dat in de klas Nederlands moet worden gesproken. In dat licht heeft ze aan de zoon van de indienster verscheidene “rode bollen” gegeven voor het spreken van Frans in de klas.
De Geschillenkamer stelt vast dat de school een groot belang hecht aan het spreken van het Nederlands in de klasomgeving voor de taalontwikkeling en ook wil vermijden dat leerlingen zich uitgesloten voelen als klasgenoten onderling een andere taal spreken die ze niet begrijpen. Het is niet de rol van de Geschillenkamer om zich in de plaats van de school te stellen bij het bepalen van haar pedagogische aanpak rond het omgaan met anderstaligheid.[23]
De school heeft ook “rode bollen” gegeven voor ongewenst gedrag of onvolledig huiswerk, waarbij de leerling beperkte taakjes moest maken. De zoon van de indienster kreeg bijvoorbeeld een “rode bol” omdat hij voor zijn huiswerk enkel de woorden maar niet de zinnen verbeterd had van een dictee. Voorts kaartten leerkrachten ook bepaalde zaken aan in het “heen-en-weer” schriftje. Zoals blijkt uit de stukken, schreef een leerkracht bijvoorbeeld dat haar zoon een medeleerling met Afrikaanse afkomst “kak” had genoemd in een conflict, dat dit een ongehoorde uitspraak was die niet strookte met de visie van de school over gelijke normen en waarden. De leerkracht vroeg aan de indienster om uit te leggen aan haar zoon dat die uitspraak niet thuishoorde in een conflict met een medeleerling van Afrikaanse afkomst. De Geschillenkamer kan de indienster niet volgen wanneer ze stelt dat dit verzoek ongepaste druk uitmaakte op haar zoon.
De Geschillenkamer stelt vast dat de school uitgebreid haar pedagogische aanpak heeft toegelicht aan de indienster en dat hierover een meningsverschil bleef bestaan tussen beide partijen. De Geschillenkamer heeft begrip voor het feit dat de indienster een andere visie heeft over hoe een school dient om te gaan met anderstaligheid en toezicht op huiswerk en gedrag. Voor de Geschillenkamer heeft de school echter aangetoond dat ze enkel haar algemeen pedagogisch beleid toepaste en dat er ook op dit vlak geen sprake was van een represaille.
Oordeel van de Geschillenkamer
Om die redenen oordeelt de Geschillenkamer:
- dat er geen intimidatie op grond van geloof of zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, of etnische of nationale afstamming kan worden vastgesteld overeenkomstig het Gelijkekansendecreet;
- dat de school geen represailles heeft genomen tegen de zoon van de indienster van de klacht, zodat er op dat vlak geen sprake is van een schending van het Gelijkekansendecreet.
Voetnoten
- Artikel 13 §5 VMRI-decreet.
- Artikel 13 §5 VMRI-decreet.
- Artikel 13, §3, 4° VMRI-decreet.
- Zie Oordeel 2026-15, 11; Parl. St. Vlaams Parlement, 2021-2022, nr. 1357/1, 32.
- Artikel 13, §3 VMRI-decreet.
- Zie in dezelfde zin, Oordeel 2025-30 van 11 december 2025.
- Artikel 17, §1 Gelijkekansendecreet.
- Zie Oordeel 2024-1, 7-8.
- Artikel 36, §1 Gelijkekansendecreet.
- Artikel 36, §4, Gelijkekansendecreet
- Zie onder meer oordeel 2025-30 en oordeel 2026-38. Zie in dezelfde zin bijvoorbeeld: Nederlands College voor de rechten van de mens 25 juli 2024, oordeelnummer 2024-62, § 5.3; Nederlands College voor de rechten van de mens 12 juni 2024, oordeelnummer 2024-52, § 5.3 en Nederlands College voor de rechten van de mens 14 december 2023, oordeelnummer 2023-132, § 5.1.
- Over het onderscheid tussen begeleidend, regulerend en bestraffend fysiek optreden, zie J. Sperling en F. Wijnands, “Zachte heelmeesters…: De toelaatbaarheid van fysiek handelen tegen leerlingen door onderwijspersoneel”, School en Wet, oktober 2015, 6-7.
- Over het ontoelaatbaar karakter van zogenaamd ‘opvoedkundig’ geweld, zie o.m. advies nr. 2022/2 van het FIRM.
- Zie J. Sperling en F. Wijnands, “Zachte heelmeesters…: De toelaatbaarheid van fysiek handelen tegen leerlingen door onderwijspersoneel”, School en Wet, oktober 2015, 6-9.
- Zie oordeel 2026-30, 23-24.
- Zie oordeel 2026-38, 10.
- Artikel 37, §1 en artikel 38 Gelijkekansendecreet.
- Artikel 37, §1 Gelijkekansendecreet.
- Zie ook Hof van Justitie 22 september 1998, C-185/97, B.J. Coote t. Granada Hospitality Ltd., §24; Hof van Justitie 20 juni 2019, C-404/18, Jamina Hakelbracht e.a. t. WTG Retail BVBA, §33.
- Artikel 37, §2, 1°-2° Gelijkekansendecreet.
- Artikel 37, §3 Gelijkekansendecreet.
- Artikel 37, §3 Gelijkekansendecreet.
- Zie in dezelfde zin, oordeel 2026-38, 10.